DE KLEINE WERELD

De eerste week van deze crisis was ik ziekjes en ging ik dus nergens heen. Eenmaal beter was de drempel van de voordeur tot grote hoogte gestegen. Mijn eerste wandeling buiten voelde als een expeditie. Ik passeerde de Hema en kon alleen maar denken hoe vreemd het zou zijn om daadwerkelijk naar binnen te gaan.

Op diezelfde manier zijn duizend dagelijkse dingen razendsnel abnormaal geworden. Op de trein stappen, pas in de supermarkt bepalen wat je gaat eten. Gedachteloos je hoofd op een schouder laten zakken. Zachte handen. In je ogen wrijven, zonder twijfel in een volle collegezaal plaatsnemen. Je waterfles uitlenen, een beha dragen. Een krappe kapel ingaan om een kaars aan te steken. Ergens lijkt het op liefdesverdriet – dat je ’s ochtends wakker wordt en na een paar seconden denkt: er was iets.

Sinds mijn achttiende ben ik niet meer zo lang thuis geweest. Op deze plek sowieso niet – een tussenhuis, gehuurd terwijl elders een verbouwing plaatsvindt. Niemand had gedacht dat hier nog iets memorabels zou gebeuren. We zijn met z’n drieën, broerlief is in Amsterdam gebleven. Op vakanties zijn we nog wel eens lang samen, maar dan zijn er ook stranden, paleizen, musea. Nu hebben we uitzicht op elkaar. Maar die nabijheid is me veel waard, zeker nu ik weet hoe het is om ver weg te zijn.

Binnen twee dagen ken ik de inhoud van de keukenkastjes, na een week begrijp ik de logica achter de lichtschakelaars. De wijk ken ik al, wat me in staat stelt de zon achterna te lopen zonder te verdwalen. Overdag belt pap over de economie, appt mam harten onder riemen. Ik werk aan een paper over surrealist Magritte – geheel passend bij de tijdsgeest. ’s Avonds douchen, kaarsen aan, samen voor de tv. We zappen op strategische tijden, de talkshows vermijdend. Daar komt weinig nieuws vandaan.

De wereld is nog nooit zo klein geweest. Wanneer er weer groei intreedt, weet niemand. Misschien duurt het nog jaren voordat we weer onbezorgd zoenen, voordat een hoestje weer doet denken aan verkoudheid. Tot die tijd biedt technologie mogelijkheden om dichter bij elkaar te komen. Velen vullen FaceTimend dit vacuüm aan tussentijd. De eerste weken voelde ik die behoefte niet – mijn dagen waren al vol met eigen gedachten. Maar inmiddels zoek ik vaker contact. Maandag appte ik een vriendin, we zochten een moment om elkaar te spreken. Dinsdag had ze al een afspraak, woensdag een tentamen vanuit huis. Donderdag dan – over drie dagen. ‘Eigenlijk best ver weg, voor mensen die niets te doen hebben.’ Ook in deze kleine wereld weten we onze agenda te vullen – met kleine of met grote zaken.

BINNEN

De natuur heeft ons tot stilstand gemaand. Ze drong ons steeds verder de huizen in. Nu zitten we binnen, terwijl zij buiten de lente van start laat gaan. De lucht is te blauw, de zon te uitnodigend.

Ik ben bij mijn ouders, al bijna twee weken. We maken wandelingen door de wijk, met beleid. In verontschuldigende bogen lopen we om elkaar heen. ‘Sorry dat ook ik dit moment heb gekozen om mezelf uit te laten.’ Maar ik ben blij dat het mag – de natuur leidt ook af. Waar in Utrecht de buurman voor mijn raam staat te roken, word ik hier door uilen begluurd. Mam wijst me op het geluid van openknappende dennenappels, op roze hemels. ‘Toetje, kom eens kijken.’

Het is fijn bezig te mogen zijn met kleine dingen. Want we zitten binnen en het grote nieuws past in geen enkel huis, niet de hele dag, niet zonder barsten in de muren te veroorzaken. Vaker dan zou moeten laat ik de cijfers toe, verdwijn ik in een eindeloze put liveblogs. Maar steeds probeer ik weer op de lente te focussen – al is het vanachter een raam.

DE ILLUSIE

Zaal 2 van Frascati. Samen met een een huisgenoot zit ik bij Love for Love, een voorstelling van de Theatertroep. Vier spelers houden een dialoog, tot die wordt onderbroken door een telefoon op de eerste rij.

‘Oh, neem maar even op, hoor,’ mompelen ze in koor richting de schuldige. ‘Dit is wel een beetje de crux van het hele stuk, maar geeft niet.’

Het geluid is gesust – ze gaan verder alsof er niets is gebeurd.

Naar voorstellingen gaan is iets waarvan ik zeg dat ik het vaker moet doen, om het vervolgens niet te doen.

(In dezelfde categorie: een taart bakken, een hele dag in mijn agenda leeg laten, mijn kamer écht goed schoonmaken in plaats van halfslachtig een stofzuiger er doorheen halen.)

Maar 2020 lijkt in dit opzicht een goed jaar te worden. In de afgelopen maanden zat ik al zeven keer in een zaal, voor stand-up, kleinkunst en traditioneel theater. De Theatertroep leerde ik kennen op de Parade, een festival dat de podiumkunsten voor mij een stuk minder statisch heeft gemaakt. De voorstellingen zijn in tenten en dat wordt meestal niet ontkend. Soms is er een lek, regelmatig is het bloedheet, of zit het publiek op het podium uit ruimtegebrek. Er wordt mee of omheen gespeeld, er worden grappen over gemaakt.

Buiten dat festival gaat de Theatertroep op dezelfde voet verder: ze vertellen een fictief verhaal en zullen dit nergens proberen te verbergen. Binnenkomend publiek wordt begroet, enkele spelers zijn nog bezig zich om te kleden achter een decor waar je zo doorheen kijkt. Ditmaal is het een rij deuren die eruit zien alsof ze net in elkaar zijn getimmerd. Wanneer iemand moet niezen, klinkt het ‘gezondheid’, als er een glas kapotvalt, pakt een van de spelers er rustig een bezem bij.

‘Wat knap dat ze al die teksten uit hun hoofd weten,’ hoorde ik een rij achter mij, na het applaus. Hoewel dat ook mijn respect verdient, ben ik vooral onder de indruk van hoe er gereageerd wordt op alles wat niet valt voor te bereiden. Zelf zou ik licht op tilt slaan bij een onverwachte gebeurtenis – een vergeten zin, een telefoon die afgaat. Deze acteurs implementeren het in wat ze spelen. Het publiek wordt daarmee onderdeel van het verhaal. Dit kan heel letterlijk (ieh, participatie!), maar ook al door te erkennen dat wij er zijn, dat iedere vertolking per definitie anders zal worden, dóór ons. Zoals een zin uit het stuk zei: ‘De waarheid ligt aan uw kant van de zaal.’

Een andere dag, een ander toneel. In de Stadsschouwburg in Utrecht speelt Peter Pannekoek. Ook hij sprak ons direct toe en week af van zijn bedachte lijn, toen twee laatkomers de zaal in kwamen. Toch was er meer afstand, door theatrale formaliteiten: een opkomst met applaus, een onzichtbaar publiek in een donkere zaal. Aan het einde brak hij de regels. Er was een staande ovatie, maar hij gebaarde ons te gaan zitten.

‘Ik ga niet aflopen en dan opnieuw opkomen, dat vind ik altijd zo’n onzin. Dus ik wil jullie gewoon even bedanken voor het komen.’

Ergens middenin zijn verhaal refereerde hij al naar een moment na de voorstelling. ‘Dan zien jullie me door de foyer lopen en denken jullie allemaal: hij is inderdáád heel klein.’

De zaal liep leeg, we dronken nog wat. De cabaretier passeerde ons op weg naar de uitgang, zijn witte tenue omgewisseld voor een onopvallende winterjas en dito rugzak.

Wij hielden ons aan het script – mijn moeder zei: ‘Oh, hij is wel écht heel klein!’, ik siste: ‘Mam, niet zo hard!’

Terwijl ik buiten afscheid nam van mijn gezelschap, verbrak Peter Pannekoek nogmaals de illusie: hij stapte op een ov-fiets en verdween de Nobelstraat in. Een uitverkochte schouwburg, maar gewoon met de trein naar huis.

Love for Love van de Theatertroep speelt nog in verschillende steden, tot en met 11 april: hier een linkje!

(Voor Peter Pannekoek hoef ik geen promotie te maken, want die heeft volgens mij zijn hele tournee uitverkocht. Ik heb wel erg gelachen, dus als je nog gaat, veel plezier!)

NASHVILLE | LIMINAL SPACE

Het is tijd om te gaan, zo vertelt de campus mij. Auto’s worden volgeladen, de lobby staat vol koffers en steekwagens. Het terrein wordt steeds grijzer, nu de bladeren gevallen zijn en de studenten in rap tempo verdwijnen. Mijn kamer wordt leger vanwege de spullen die ik weggeef – te veel om mee terug te nemen. Het hokje waarin ik binnenkwam schijnt door de laatste resten decoratie heen.

Het afscheid is langgerekt: zeker twee weken van ‘goodbye dinners’, ‘When do you leave?’, ‘Don’t be a stranger!’

Soms leek mijn ervaring hier niet echt, slechts een bonus op het werkelijke leven. Er bestaan niet veel connecties tussen ‘hier’ en ‘daar’ – vaak leken ze enkel met elkaar in contrast te staan. Daarnaast was het een vorm van zelfbescherming – als iets niet echt is, hoef je er ook geen afscheid van te nemen. Met het gedag zeggen ontstaat echter een ander besef. In de korte tijd dat mijn leven overlapte met deze studenten, hebben we elkaar wederzijds beïnvloed. Soms veel, soms maar weinig. Maar hoe dan ook was het echt. Echt leuk, anders, gek, mooi, lang, kort, ver. Echt bijzonder. Dat is nu voorbij, maar gaat nooit meer weg. Ditmaal nauwelijks tranen, slechts een groot gevoel van dankbaarheid. Grateful. Ben ik toch wel veramerikaanst.

Nadat iedereen is vertrokken, heb ik nog een paar dagen. Ik blijf achter in een liminal space. Gedurende mijn tijd hier hield ik een lijstje bij, met nieuwe of mooie woorden die ik niet wilde vergeten.

‘Liminal space: the time between ‘what was’ and ‘the next’. It is a place of transition, a season of waiting, and not knowing.’

Nu weet ik meer dan niets. Ik weet wat er op me wacht thuis. Wie. Maar ik ben alleen in de transitie – niet meer het ander, nog niet het een.

‘What is ‘bye’ in Dutch?’

‘Doei.’

‘Doo-ey.’

Doei ochtendkrekels. Doei uitgaansleven dat al om tien uur ’s avonds begint. Doei iedereen die lekker oplet tijdens college, omdat ze aantekeningen maken op papier in plaats van een laptop waarop ze dan gaan webwhatsappen. Doei tater tots, doei clandestiene kat op de gang. Doei mensen die je een compliment geven over je kleding, als dat iets anders is dan een joggingbroek.

(‘You look so put together!

‘You look so stylish!’

‘You look só European!’)

Doei campus, dag dagelijkse boswandeling. Dag zon en je ondergangen. (Ze doen hier niet aan grijze luchten. Het is strakblauw, of roze.) Dag geur van schone was die warm uit de kelderroosters waait. Dag restaurants waarvoor mensen lachend een uur in de rij staan. Doei omelet station – ik wilde heus zelf ontbijt maken, maar vond het fijn dat jullie het voor me deden. Doei meal swipes waardoor je het idee hebt dat je nooit echt geld hoeft uit te geven. Doei magische band die al je afwas meeneemt. Doei Baseball Glove Lounge, doei Cohen Hall, dag Towers. Dag zuiderlingen die mij absoluut niet kennen, maar me toch ‘honey’ of ‘baby’ of ‘cupcake’ noemen. Doei liminal space – dag ander, hoi één. 

Dit was het veertiende en (voorlopig) laatste stuk over mijn tijd in Nashville. Je kan ze hier allemaal samen vinden. Bedankt voor het meelezen!

NASHVILLE | ALMA MATER

De universiteit nam me onder haar hoede, de afgelopen maanden. Ze bood me onderdak, kookte en deed de afwas. Ze waste je lakens, als je daarvoor extra wilde betalen, tenminste. Ze poetste de wc’s en kwam kijken of mijn kamer wel netjes was.

‘The Residential Staff will be completing Health and Safety Inspections before we depart for Thanksgiving Break. This means that staff will enter your room!

A few things I want to reiterate before we all leave:

  1. WE WILL NOT BE OPENING ANY CLOSETS OR DRAWERS.
  2. Please do not have anything that would be considered a policy violation lying out on the tables or desks. (If you wouldn’t take it to your grandma’s house, it’s a policy violation.) REMEMBER: we will NOT be opening closets or drawers.
  3. According to policy, candles are bad. Please hide your candles, so I don’t have to take them.
  4. Just a reminder that we will NOT BE OPENING ANY DRAWERS.’

Verstop je alcohol en drugs, verberg je kaarsen – wat we niet kunnen zien kan geen kwaad.

De alma mater, zo wordt de universiteit vaak genoemd. Vanderbilt waakt over haar studenten als een moeder. Ze checkt of je wel gezond leeft, of je geen regels overtreedt en als je dat wel doet, behoedt ze je voor een strafblad – als het even kan, worden zaken met de campus police afgehandeld. Ze waarschuwt je dat je een flu shot moet halen en beschermt je tegen gevaar.

‘ALERT! A shooting has been reported near the Vanderbilt campus. Seek shelter immediately.’

Zeker eens paar maand krijg ik zo’n sms. De eerste keer keek ik gealarmeerd om me heen, om te constateren dat er niemand acht op leek te slaan. Ik dacht aan achttien maart, toen heel Utrecht op slot ging vanwege schoten in de tram. Zelfs ’s avonds, de stad veilig verklaard, waren de straten surrealistisch verlaten. Hier rekenden mensen hun eten af, liepen ze van of naar hun kamer.

Alles went.

Regelmatig bel ik met mijn echte moeder, zowel op goede als mindere dagen. ‘Ik voel me soms een beetje opgesloten. Alsof een deel van mijn autonomie is weggenomen.’ Ik hoorde haar even nadenken. Tenslotte was ik toch in mijn eentje naar een ander continent verhuisd. Maar vrijheid kent vele voorwaarden. Vrijheid is dronken naar huis fietsen zonder je al te veel zorgen te maken. Vrijheid is kunnen kiezen. Vrijheid is openbaar vervoer, een trein die me in dezelfde week naar Eindhoven, Amsterdam en Leiden rijdt. Vrijheid is de weg weten. Vrijheid is je veilig wanen zonder pepperspray bij je te dragen. Vrijheid is zelfstandig zijn. Vrijheid is de deur uitstappen en wel zien waar je eindigt. 

Hier kan je na vier jaar de campus verlaten zonder dat je een ei kan bakken. Hier hoop ik dat het stoplicht niet te lang op rood staat als ik op straat ben na zonsondergang. Hier moet je ergens heen – met een plan, en een taxi.

NASHVILLE |HET SCRIPT VAN BESCHAAFDHEID

Het is nog rustig in de eetzaal terwijl ik mijn French toast soldaat maak. Naast me is al wel een geanimeerd gesprek gaande.

‘Hi lovely, how are you doing?’

‘Wonderful, thank you! How are you?’

‘Perfect. What are you eating?’

‘Some oatmeal. It’s fabulous here, have you tried it?’

‘No, actually – that does look amazing! So what time is your first class today?’

‘It’s at ten.’

‘Oh, so you’re up early, that’s great!’

Ik denk aan thuis.

‘Hee.’

‘Hee.’

Ik mik wat yoghurt in een bakje.

‘Ik ga dit even in bed opeten.’

‘Doe dat meid.’

Amerikanen hebben het babbelen tot een hogere kunst verheven – hier in het zuiden al helemaal. Dat is op zich geen nieuws, maar toch heeft het me vaak verbaasd. Werkelijk iedereen vraagt hoe het met je gaat, van docenten tot de caissière bij de Kroger. Het is een uitgebreidere vorm van hallo, die niet per se te maken lijkt te hebben met interesse. Het is eerder een bevestiging dat je weet hoe je te gedragen. Of je er nu chagrijnig bij kijkt of gewoon verder loopt tijdens zo’n miniconversatie op straat  – je hebt het in ieder geval gevraagd.

Het is een script dat ik nog niet meteen begreep. Wat zeg je bijvoorbeeld tegen een dokter met die vraag?

‘How are you?’

Fantastisch, daarom ben ik hier ook?

Niet alle antwoorden zijn sociaal geaccepteerd. ‘I’m okay,’ zei ik vaak, totdat een medestudent me daarop eens bezorgd aankeek. ‘Just okay?’ Voor mij betekent dat… Ja, oké. Gewoon, prima, niets aan de hand. Zij vroeg zich waarschijnlijk af of ik net slecht nieuws had gekregen. ‘Fine’ kan je ook beter vermijden, ‘good’ is een twijfelgeval. Met ‘great’, ‘perfect’ of ‘wonderful’ zit je altijd veilig.

Dit script van beschaafdheid maakt het soms lastig iemands intentie te achterhalen. De eerste paar dagen hier was ik overdonderd door de hoeveelheid telefoonnummers die ik had verzameld. Meestal ging dit gepaard met een uitnodiging om nog eens iets te doen samen, maar daar kwam vaak genoeg niets van terecht. Het was dus zaak uit te vogelen wie er echt met me wilde lunchen, of dat puur uit beleefdheid had gezegd.

Ik snap nu beter wat er bedoeld wordt met Hollandse directheid. Ik zou nooit tegen iemand zeggen dat we vast nog eens afspreken, als ik toch al weet dat het niet gaat gebeuren. Liever onbeleefd dan oneerlijk. Toch heb ik wel geleerd het script niet al te vaak te doorbreken, omdat dit simpelweg niet wordt gewaardeerd.

Eén uitzondering staat mij bij. Het was een vrijdagavond en ik liep terug naar mijn kamer. Op de gang kwam ik een meisje tegen dat ook op de elfde woonde. We hadden ons al eens aan elkaar voorgesteld, en wat later was ik erachter gekomen dat ze goed bevriend was met een klasgenoot van me. Ik sprak haar daarop aan, we kletsten wat.

‘Should we exchange numbers?’ vroeg ik na een minuut of vijf.

‘Sure. Let’s take the plunge,’ zei ze.

Ik proefde een wat bittere ondertoon en vroeg wat ze bedoelde.

‘Oh you know…’ Ze twijfelde. ‘It’s such a cliche to do that and then never meet up again. But it doesn’t have to happen!’ voegde ze er haastig aan toe.

‘Well, if you already have enough friends, that’s totally fine,’ zei ik in een opperst directe bui. (Daarbij was ik een beetje aangeschoten.) Maar ik meende het ook.

Ze keek me geschrokken aan en moest vervolgens hard lachen. Ik tikte mijn nummer in haar telefoon, zij deed hetzelfde bij die van mij. We hebben elkaar nooit meer gesproken.

NASHVILLE | EEN ZES ZONDER STRESS

Op weg naar een vriend kom ik twee astronauten tegen. De een loopt met onzekere passen door de schemering, de ander zweeft op de schouders van haar vader. Het is 31 oktober: Halloween. Het is eigenlijk al twee weken bezig, met feestjes in huiskamers en bij verenigingen. ’s Avonds aan de seltzer, ’s ochtends brak in college.

Vandaag verdween een van mijn medestudenten plots naar de gang. Tien minuten later kwam ze terug – ogen rood, kauwgom in haar mond. Ze probeerde het nog even. Uiteindelijk verliet ze in tranen het lokaal, iets stamelend over een tentamen dat ze nog moest maken.

Ze kon niet op medeleven rekenen.

‘That was so embarrassing. She has to grow up, act professional,’ sputterde klasgenoot Chelsea tijdens de lunch. Ik mompelde dat ik geen energie had om me op te winden over andermans gedrag. Chelsea draaide bij, een kwartslag.

‘I think I’m just mad because I feel the same way, and I did manage to behave myself.’

Blijkbaar had ook zij die ochtend haar maag geleegd tijdens college. Nu zat ze stralend tegenover me.

Work hard, play hard, dat is het streven.

Maar langzaam kwam ik erachter wat dat betekende. Wekelijks tailgaten: indrinken voor de football game. Als de wedstrijd om elf uur ’s ochtends begint, gaan de flessen om half zeven open. Een boterham met pindakaas erin en gaan. Het betekent dat de bieb nooit gesloten is. De meeste studenten zitten met hun neus in de boeken. Anderen laten hun hoofd erop rusten: ze doen een dutje aan hun bureaus, omdat ze nog niet volledig wilden opgeven. Het betekent in september al op zoek gaan naar een zomerstage voor volgend jaar. Het betekent geen double, maar een triple major.

Ik wist niet meteen hoe ik mezelf tot dit alles moest verhouden. Ik kan toch niet hard worken én hard playen? Hoe zit het met hard om negen uur in bed liggen en drie afleveringen Queer Eye kijken? Hard op road trip gaan en opzondagavond helemaal gaar terugkomen, zonder energie om nog opdrachten te maken? Hoe zit het met hard je les skippen omdat je een baaldag hebt? Hard twintig minuten onder de douche staan huilen met heimwee?

Work hard, play hard. Dat betekent dat je mail krijgt over een medestudent die is overleden. While the official cause of death has not been determined, police at this point do not expect foul play.’

‘What does that mean? Was it an accident?’

‘Oh, no,’ zegt Chelsea, bijna nonchalant. ‘It was suicide.’

Ze bedoelt het niet gevoelloos, verzekert ze me. Het gebeurt alleen vrij vaak. Een paar keer per jaar. De mail is tekenend: een indrukwekkende lijst met prestaties, maar geen doodsoorzaak. Zelfs als je er niet meer bent, is dat je eer te na. Maar de hele campus weet het.

De vraag die ik hier vaakst krijg, gaat over de verschillen. Wat is er anders waar ik vandaan kom? Volgens mij is de mentaliteit het voornaamste. Ik leg dan uit wat ‘the culture of six’ betekent.

(‘The culture of sex?’

‘Yes. Because we have double beds, and no roommates, we have a lot more sex than you guys do.’)

De zesjescultuur, dus. Liever een zes zonder stress – je weet hoe dat gezegde gaat.

NASHVILLE | DE PASKAMER

En dat was oktober. Een maand vol tentamens, repetities in de avonden; ik speelde mee in een toneelstuk. Theater vormde de brug tussen ‘net gewend’ en ‘bijna weer terug’.

Wanneer woorden je wapen zijn, is het een vreemde ervaring om met je mond vol tanden te staan. Het gebeurde nogal eens, de afgelopen maanden. Me verstaanbaar maken is eenvoudig genoeg – het gebabbel van alledag vraagt niet al te veel van me. Toch voel ik me regelmatig beperkt door de taal. Ik gebruik nou eenmaal graag woorden als ‘bewonderenswaardig’ of ‘gewaarwording’. In het Engels rolt zoiets niet zomaar mijn mond uit.

Daarnaast heb ik simpelweg meer tijd nodig om mijn gedachten te vertalen. In de tweede week hier stelde een professor me een vraag op naam. Ik schrok enorm – het was alsof ik in een paskamer stond en opeens het gordijn werd opengedaan. ‘Ik ben nog niet klaar!’ wilde ik roepen. ‘Ik ben nog niet in staat iets zinnigs te fabriceren dat jij kan verstaan.’

Het lijkt eenvoudiger om een script te hebben dat de tekst voor je bepaalt. Dat bleek toch niet waar.

Bepaalde woorden voelen raar in mijn mond. Dik, papperig. Het Engels bevindt zich vooraan, bij mijn lippen, op het puntje van mijn tong. Het is alsof de spieren daar nog niet ver genoeg ontwikkeld zijn om bepaalde geluiden te produceren. Het zit hem in de schakelingen: van de ‘d’ naar de ‘th, van ‘sci’ naar ‘ti’.

En soms weet ik het gewoon niet. Abrasive, regal, conscientious – moest ik even opzoeken. Of ik vraag het.

‘In this scene I use the word ‘splendiferous’. What does that mean?’

‘Oh, nothing, actually. We made that up.’

Zoals elk woord ooit is bedacht, natuurlijk. Deze week werd het me duidelijk dat iedere taal in feite slechts een verzameling geluiden is. De eerste voorstelling stond op het punt te beginnen. In de kleedkamer stuurde ik nog een berichtje naar een vriend van thuis. Vervolgens wilde ik iets vragen aan mijn medespelers.

‘Hoe laat moeten we eigenlijk beneden zijn?’

Ik sloeg mijn hand voor mijn mond in een poging het gordijn van de paskamer te sluiten, maar het was al te laat. Katie, Katie en Grace keken me verbaasd aan en barstten in lachen uit.

Humor in een tweede taal kan lastig zijn. Maar als het niet werkt om een grap te vertalen, kan je hem dus ook gewoon in het Nederlands maken.

NASHVILLE | KWIJT

Vandaag liet ik mijn zonnebril in de liftschacht vallen. Op de achtste verdieping van de bieb wilde ik uitstappen. Terwijl ik me richting de deuren bewoog, viel de bril uit mijn hand. Hij balanceerde heel even op de rand en viel toen de verkeerde kant uit, de schacht in.

Het was zo’n moment dat zich onnatuurlijk ver uitstrekte in de tijd. Ik keek naar de spleet, waar een echo bevestigde wat ik niet helemaal kon geloven: het geluid van bril op metaal, acht verdiepingen naar beneden.

Waar die bril dan precies beland was, vond ik lastig voor te stellen. Ik zag de liftschacht als een portaal naar de verzamelplaats voor dingen die nooit meer terug zouden komen.

Ik raak een hoop kwijt sinds ik hier ben. Vooralsnog bestaat de lijst uit een oorbel, een oplader, een etui, een Dopper (meerdere malen) en een zonnebril (niet die van vandaag). Soms hervonden, deels vervangen, een keer onvervangbaar.

Ik zuchtte en startte mijn mantra: ongelofelijk stom en jammer en zonde maar het is ook maar een bril en joh er zijn belangrijkere dingen in het leven, het zijn maar spullen, daar zou je je niet zo druk om moeten maken. De conciërge in de lift had schijnbaar ervaring met dit soort situaties. Als ik nou even naar die en deze balie ging, dan konden ze bellen naar weer andere mensen en wie weet konden zij het wel regelen. Dus dat deed ik.

Een paar uur later had ik mijn bril weer in mijn handen. Een beetje stoffig, enigszins scheef, maar completer dan ik me had kunnen wensen, aangezien hij uit een ander universum was teruggehaald. Ik liet hem meteen maar even rechtzetten.

‘I do have to let you know that, since you did not buy these with us, we can not be held responsible if they break when I try to readjust them.’

‘Is that something you are supposed to say, or is there an actual possibility that will happen?’

‘I am just supposed to tell you.’

‘Okay!’

Dat was toch weer een ding minder om me druk over te maken.

NASHVILLE | ROAD TRIP

1CA823E0-5D63-4D2F-8E4B-DC47D703F020

Een advies dat ik vaak gehoord heb voor mijn vertrek, is dat je op alles ja moet zeggen. Tot nu toe heb ik auditie gedaan voor een theaterstuk, op nationale televisie over een football field gerend en ben ik om half zes ’s ochtends opgestaan om naar een feest te gaan. Ook zei ik ja tegen een regatta, een race met het zeilteam van Vanderbilt. Ik was even vergeten dat dit land zo groot is als heel Europa. We gingen op een road trip: het was zo’n zeven uur rijden richting South-Carolina.

Na twee maanden hier heb ik de indruk dat de studentenpopulatie in tweeën is te verdelen. Er is de groep vaderlandlievenden, van wie het land niet great hoeft te worden gemaakt – dat is het al. En dan is er de groep die zich haast schaamt, die zich verontschuldigt voor het imperiaal systeem, voor de politieke schandalen en het egocentrische wereldbeeld dat heerst in Amerika – een term die ze liever ook niet gebruiken, aangezien dat meer omhelst dan de Verenigde Staten alleen.

Ik was op pad met groep twee. In een gehuurd busje verlieten we op vrijdagmiddag de campus. Onder de uitwisselingsstudenten was er discussie geweest over wat je zou aantreffen vanaf een half uur buiten Nashville. Niet heel veel, zo bleek. Asfalt, winkelcentra en advertenties uit de naam van God of Jezus. ‘Hell is real,’ ‘Keep Christ in Christmas’. Eronder stond vaak een telefoonnummer. Ik vroeg me af wie van de twee je aan de lijn zou krijgen.

Er was wat discussie over waar we zouden eten. Ben opteerde voor Waffle House, een keten die in het zuiden prominent aanwezig is. Tijdens onze reis kwamen we er zeker vijftien tegen. ‘It’s so good that it’s bad,’ aldus Ben. De rest vond het enkel bad en dus reden we er voorbij. Wel kwam mij een interessant feit ter oren. Chris vertelde me over de Waffle House Index. Aangezien de restaurants van deze keten altijd open zijn, dag en nacht, met kerst en pasen, geven ze een redelijke indicatie van de ernst van orkanen en tornado’s. Een gesloten Waffle House betekent dat het mis is.

(Ik vroeg me af of we hier een Nederlandse equivalent voor zou bestaan. Wat moet er gebeuren, wil de Albert Heijn zomaar dichtgaan? De enige keer dat ik winkels gesloten heb gezien midden op een normale dag, was na het schietincident in Utrecht. Die hebben ze hier dan weer dagelijks.)

En zo was dit weekend ruim voorzien van verhalen over dit land, die soms niet waar bleken, maar niet minder amusant waren. Zo zouden er in de staat Tennessee maximaal zes vrouwen onder een dak mogen wonen, omdat het anders volgens de wet als bordeel werd gezien. Fake news, zo bleek, maar wel dermate hardnekkig dat er in de verenigingshuizen op de campus inderdaad maar plaats is voor zes.

De aux-kabel werd om de paar uur doorgegeven. Roadtrips nodigen uit tot nostalgie en  uit onze muziekkeuze bleek een gedeelde geschiedenis. Pop uit onze tienerjaren klonk over de speakers: Katy Perry, Bruno Mars, B.o.B.

Na een zachtroze zonsondergang werden we opgeslokt door een schijnbaar eindeloze duisternis. We reden door de bergen, dacht ik, maar het konden ook bruggen zijn. Afgezien van het schijnsel van de koplampen was het donker. Met nog zo’n twee uur te gaan werd de koelbox uit de kofferbak getild en veranderde de achterbank in een pregame. Degene aan het stuur was solidair met shotjes cola. We kwamen aan rond enen, in een verlaten Columbia. We gingen slapen toen we er zeker van waren dat er nergens meer feestjes gaande waren.

Wat het zeilen betreft, daar kan ik heel kort over zijn: er was bijna geen wind. We wachtten en wachtten op het startsein. Het kwam uiteindelijk, maar voordat alle races gevaren waren, werd het geheel toch nog afgelast. Ik bereidde me voor op chagrijn, maar daarvan was geen sprake. Het was hoe dan ook een fijne dag aan het water. We zwommen in het meer terwijl onze telefoons oververhit raakten in onze zwarte rugzakken.

Op de terugweg besloten we niet voor het gemiddelde fastfoodrestaurant te gaan, want daar konden we altijd nog heen. Het alternatief was niet per se gezonder, maar wel meer authentiek.

(‘No one say anything controversial.’)

Ik nam mee naar huis: verbrandde schouders, rust in mijn hoofd. Nieuw perspectief, nieuwe telefoonnummers.

IMG_5800.jpeg