STADS

De fietsenmaker had geen pinapparaat en ik had geen fiets, dus liep ik afgelopen woensdag naar de ING-bank op de Nachtegaalstraat. Ietwat onwennig trok ik mijn briefjes uit de muur – wie doet er tegenwoordig nog aan pinnen? Op de terugweg sloeg ik een straat te vroeg rechtsaf. Wanneer je leeft zonder richtingsgevoel, ontdek je vanzelf dat dit je op verrassende plekken kan brengen. Ook nu ging ik er maar gewoon in mee.

Mijn misser bracht me in een knusse wijk, met smalle straten en lage rijtjeshuizen van rood baksteen. Er middenin stond een basisschool, die in Utrecht altijd aangekondigd worden met een reeks afwisselend rode en gele paaltjes. Er was geen sprake van een plein, dus de smalle stoepen stonden vol ouders die hannesten met fietszitjes en felgekleurde rugzakken. Er tussendoor schoten oudere kinderen, haastig op weg naar hun vrije woensdagmiddag.

Het was een herkenbaar tafereel, maar toch bestond er een groot contrast met mijn eigen ervaringen. Mijn basisschool stond op een groot terrein vlakbij een bos. Er waren struiken om je in te verstoppen, wortels om over te struikelen. Bomen om in te klimmen en weer uit te flikkeren. Er was zand en gras, er waren dorre bladeren en ontelbaar veel dennenappels. Onderweg kwam ik niet één stoplicht tegen.

(Het ene stoplicht dat het dorp telde, lag niet op mijn route.)

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in een stenen stad op te groeien. Leren fietsen tussen de gele bussen, die zelfs voor jou geen genade kennen; jij en je net-iets-te-grote-mensen-gazelle worden zonder pardon van de baan af getoeterd. Elke winkel is om de hoek, het park is je achtertuin. De bewakers van de coffeeshops werpen je vriendelijke knikjes toe terwijl je langs hen huppelt, broodtrommel in de hand. Op weg naar school kom je soms een plas braaksel tegen, waar je dan gedecideerd omheen loopt. In de Albert Heijn sluit je geregeld aan achter een stel twintigers in joggingbroek, op slippers. Zonder blikken of blozen rekenen ze twintig kratten bier af, samen met een lopende band aan chips. Je kijkt niet op of om van mensen zonder shirt, met groen haar, op blote voeten. Als vanzelfsprekend begrijp je welke straten te mijden. Het lukt je zwervers af te wimpelen, zonder schuldgevoel. Je weet al hoe wiet ruikt. Wat die slagroompatronen op jouw stoep doen.

Zo ben je achttien en heb je alles al eens gezien. Ik vermoed dat het zo gaat, althans. Ik denk het gemerkt te hebben, de afgelopen twee jaar – wie er uit de stad kwam. Iets grotere mond, wat minder bang. Geen ruimte of tijd voor twijfel.

Rond de zomer vierde de processierups hoogtij in Brabant. Van de ene op de andere dag waren alle eiken op het schoolplein met een wit weefsel omsponnen. Bomen als buitenproportionele suikerspinnen, minus de roze kleurstof. ‘Absoluut niet aanraken’, zo spraken de A4-tjes, die tegen de stammen geniet waren. ‘Je krijgt dan bultjes en die jeuken gruwelijk.’

Zo is kent elke jeugd haar eigen waarschuwingen.

OVER DE GRENS (I) | MITSEN EN MAREN

Binnen mijn studie is er de verplichting om ofwel stage te lopen, ofwel studiepunten te halen in het buitenland. Het eerste jaar gunde ik het mezelf die keuze voor me uit te schuiven, niet alvast naar een voorlichting te gaan zoals genoeg studiegenoten wel deden. Ik had het al druk genoeg met wegwijs worden op BlackBoard, uitzoeken hoe je een tweet moet vermelden in je literatuurlijst en de vraag hoe ik mijn ov-kaart kon koppelen aan het kopieerapparaat. Er was geen ruimte voor grote keuzes met bijbehorende overwegingen – zo hield ik mezelf voor.

Ik heb er namelijk wel een handje van om te stellen dat ik ergens niet over kán nadenken, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Volgens dat patroon vertoonde ik ook dit studiejaar keuzevermijdend gedrag, tot ik uiteindelijk ergens in oktober in de zaal belandde waar ik twee jaar eerder mijn studiekeuze had gemaakt. De tl-verlichting zoemde boven de hoofden van een bonte verzameling studenten, van kunstmatige intelligentie tot Keltisch, terwijl buiten de herfst haar intrede deed. Ongeveer een uur luisterde ik naar hoe mega-fantastisch-gaaf het wel niet was om een half jaar te spenderen in Roskilde, Timisoara of Nanjing. Dat was geen nieuwe boodschap, aangezien iederéén die terugkomt uit Lima, Lodz of Leuven je dat vertelt. Ik geloofde het alleen nog niet zo.

Met een onbestemd gevoel verliet ik de zaal. Het werd veroorzaakt door een redenatie die ik niet langer kon negeren. Als ik ik niet naar het buitenland had gewild, was ik nu al lang bezig geweest met het bekijken van stages. Dat was niet het geval en dus was er maar één mogelijke conclusie: ik wilde wel, maar ik durfde niet.

Ambitie en pessimisme gaan niet per se goed samen. Ik zou mezelf heus niet omschrijven als een negatief persoon, maar ik heb nu eenmaal geen aangeboren vertrouwen op de goede afloop. Tel daarbij op dat ik over veel dingen duizend keer nadenk, en je zal begrijpen dat ik nieuwe wegen veelal voorzichtig insla. Vroeger wilde ik liever niet eens beginnen, wanneer er een kans was dat iets fout zou gaan. Dat heb ik wel achter me gelaten. Gelukkig maar – anders had ik nu geen rijbewijs, geen leuke huisgenoten en had ik me nog steeds afgevraagd of ik niet toch naar de kunstacademie had moeten gaan. Nu kan ik die laatste vraag met een empirisch verkregen ‘nee’ beantwoorden, en daar ben ik erg blij mee.

Ook bij dit besluit moest ik mijn blik niet laten vertroebelen door mitsen en maren. Hoe ging ik een fijn huis vinden op mijn bestemming? Wat als ik niet mee zou komen op het niveau daar? Wat als het juist heel makkelijk was en ik me een half jaar suf zou vervelen? Wat als ik me alleen, overweldigd, verdrietig zou voelen?

Wat als ik terug zou willen.

Stuk voor stuk voor stuk vragen waar ik vanuit Nederland geen antwoord op ging vinden. En dus plande ik na mijn tentamens een dag waarop al die gedachten niet mochten bestaan. Met lichte zenuwen opende ik de digitale lijst met alle 560 uitwisselingsbestemmingen, om uit te zoeken waar een zorgeloze versie van mij het liefst heen zou gaan.

Een nieuwe serie! Waar mijn vrienden, collega’s en studiegenoten zich fluitend over de hele wereld lijken te verspreiden, was dat voor mij nog wel even een dingetje. Maar naar alle waarschijnlijkheid ga ook ik Nederland voor een paar maanden verlaten. Ik wilde graag schrijven over de weg ernaartoe, al was het maar omdat het voor mezelf verhelderend werkt. Volgende week meer over het keuzeproces, excel-sheets en motivatiebrieven.

LIEVE MENSEN

‘Heeee moppie/lieverd/dushi/schatje/schattie/babe/lieffie/liefje/

lieverd/muppie/scheetje/schattepatat/mopje/dotje/honey/

baby/lieve schat.’

Zomaar een paar manieren waarop ik je zou kunnen begroeten, mocht je tot mijn directe vriendenkring behoren. Noem het niet nep, want zo’n titel moet je verdienen. Dat wil zeggen, je moet mij het vertrouwen geven dat je me niet raar aan zal kijken als ik je ‘moppie’ noem en je een knuffel geef als ik je tegenkom.

In Londen verwelkomt de taxichauffeur je met ‘love’, in Amsterdam mag je al tevreden zijn als diegene je bestaan überhaupt erkent. In Frankrijk begroeten echtgenoten, vrienden, maar ook buren en verre kennissen elkaar met een zoen. Waar een Amerikaanse ‘I love you’ haast niets meer waard is, kan een Hollandse ‘ik hou van jou’ een prille relatie maken of breken. Zo’n twee jaar geleden zat ik eens een nacht vast op het vliegveld van Atlanta. Alle balies waren gesloten, via de aanwezige telefoon probeerde ik iets te regelen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg had met me te doen. ‘I’ll get you home, sweety.’ Ik kon wel janken, zo lief.

(Al kan ik niet uitsluiten dat slaapgebrek hierbij ook een rol speelde.)

In het leven van alledag is er niet altijd ruimte voor affectie. Vooral binnen een professionele sfeer vind ik het puzzelen. Het bedrijf waar ik werk is non-hiërarchisch en praktisch al mijn collega’s zijn student. Toch noem ik hen geen ‘lieverd’ en begroet ik ze niet met een knuffel. Hoe dan wel? Een hand is raar, behalve wanneer je je voorstelt. Van high fives krijg ik soms de kriebels en soms de slappe lach. Vooralsnog houd ik het bij een welgemeend ‘Goedemorgen!’, op enige afstand.

Bij de leerlingen in mijn klas hanteer ik een andere aanpak, vanuit didactisch-pedagogisch oogpunt. Geïnspireerd door een van mijn eigen docenten, spreek ik hen graag aan met ‘lieve mensen’. Om de aandacht te krijgen werkt dat sowieso erg goed. Daarbij zíjn het ook vaak lieve mensen. Bij voorbaat ga ik daar altijd vanuit, tot het tegendeel bewezen wordt – en dat gebeurt nooit. Ik geloof dan ook in de geheime kracht van dit soort woorden – hoe kan je je nou mogelijkerwijs misdragen tegenover iemand die je net als ‘lief’ heeft bestempeld? Dat resulteert in cognitieve dissonantie en daar is een mens nauwelijks tegen bestand.

(Bovendien stoot je met ‘lieve mensen’ niemand voor het hoofd. In een werkcollege ontstond laatst de discussie of het nog wel gepast was om een groep (voornamelijk vrouwelijke) studenten aan te spreken met ‘jongens’.)

(Zelf zit ik bij mannen dan weer vaak in dubio. Ik wéét gewoon dat sommigen ongemakkelijk worden van een ‘schat’ of ‘dushi’. Anderzijds – ik ga je niet níét zo noemen, alleen omdat je toevallig een man bent.)

Uiteindelijk gaat het allemaal om intentie. Een twijfelend schouderklopje is ongemakkelijk, een welgemeende omhelzing misschien onverwacht, maar wel ontwapenend. Soms kan je zelfs op de werkvloer niet ontkennen dat enige genegenheid op z’n plek is.  Een tijd terug voerde ik een afsluitend gesprek na een opleidingstraject dat ik gevolgd had. De trainer waar ik veel mee had gewerkt was erbij aanwezig. In een paar maanden had ik een aantal onzekerheden blootgelegd en aangepakt, mede met haar hulp. Nu zat ze trots tegenover me. De vraag die ze me op het einde stelde voelde dan ook heel logisch: ‘Mag ik je even knuffelen?’

RICHTING

Afgelopen weekend was ik in Eindhoven om een verjaardagscadeau uit te zoeken. Bij de Bijenkorf dronk ik op de tweede koffie (thee) met m’n moeder, daarna daalden we af naar de damesmode op de eerste verdieping. Ongeveer een minuut liep ik rond tussen de nepsneeuw en afgeprijsde kerstglitterjurken, toen het gevoel me bekroop dat ik verdwaald was. Niet écht – ik wist heus wel waar ik was en kon over de rekken heen de winkel overzien. Het was eerder alsof alle merken verplaatst waren en ik me er daardoor niet op een vanzelfsprekende manier tussendoor kon manoeuvreren. Na nog eens twee minuten onrustig ronddolen viel mijn blik op de roltrap en bedacht ik me: ik ben van boven gekomen. Meestal kom ik vanaf de begane grond deze verdieping op. De roltrap kwam nu uit aan de andere kant en daarom was ik in de war. Toen ik dat besefte, klopte de wereld weer en kon ik verder met mijn leven.

Dat ik geen richtingsgevoel heb, is geen nieuws voor mij. Ik gedij bij kaarten, omschrijvingen en apps – met intuïtie kom ik nergens. Waar andere mensen blijkbaar over een gave beschikken om zich als vanzelfsprekend van A naar B te verplaatsen, moet ik er altijd hard over nadenken. Ik moet een stad of gebouw actief begrijpen, dan pas kan ik er iets mee. Dat is ook de reden waarom ik in Brabant niet zo ver kom en in Utrecht wel. In Eindhoven heb ik van kinds af aan achter anderen aangehobbeld die wel de weg wisten. Mijn studentenstad heb ik zelf leren kennen en kan ik visualiseren als een kaart in mijn hoofd, waarop ik mijn routes kan uitstippelen.

(Zo ontdekte ik dat de singels een – nogal misvormd – hartje vormen, wat zeker helpt in het proces.)

In de kerstvakantie las ik de autobiografie van neuroloog Oliver Sacks, een wijze man die met veel liefde over zijn patiënten schrijft. Nieuwsgierig naar meer begon ik aan zijn boek ‘De man die zijn vrouw voor een hoed hield’. Hierin beschrijft hij patiënten met de meest bizarre aandoeningen. Een man die zijn eigen linkerbeen niet meer herkent en dit vreemde been ’s nachts steeds uit bed duwt (met alle gevolgen van dien). Een man die gezichten ziet in voorwerpen en voorwerpen in gezichten. Een vrouw die van de ene op de andere dag in elkaar zakt en haar lichaam alleen nog rechtop krijgt wanneer ze het constant met haar ogen in de gaten houdt. Sacks bespreekt hierbij het begrip ‘proprioceptie’. Hij noemt het ook wel het zesde zintuig. Het is de ervaring van het eigen lijf, dat we weten waar het materiële ‘ik’ begint en waar ‘de rest’ eindigt. Met deze proprioceptie houden we ons lichaam constant (maar onbewust) overeind.

Na het voorval in de Bijenkorf bedacht ik me: zou ‘richting’ eigenlijk ook zo’n verborgen zintuig zijn? Een onbewust kompas dat in ieders lijf aanwezig is, maar dat bij mij kuren vertoont? Het kan toch niet zo zijn dat enkel onze hersenen ons richting geven. Ook gedachteloos komen we vaak op de juiste plekken terecht. Denk aan het moment dat je een winkel uitloopt en direct de goede kant uitslaat om je weg te vervolgen.

(Ook bij vrienden en familie is mijn gebrek aan richting bekend. Mensen die met mij gaan winkelen hebben dan ook de neiging op me te letten wanneer ik een pand verlaat, om me vervolgens liefkozend uit te lachen, wanneer ik vol vertrouwen de verkeerde kant op loop.)

Ik stel me voor dat het zo rond je navel zit, die richting, als een magneet die je de goede kant op gidst. Het zou goed nieuws voor mij zijn, aangezien de polen van een magneet gewisseld kunnen worden. Misschien staat die van mij al jaren verkeerd ingesteld. Tot dat opgelost is, moet ik het van mijn hersenen hebben. Pas als ik actief en bewust visualiseer, kan ik de ruimtelijke oriëntatie van plaatsen ten opzichte van elkaar snappen en zo de wereld tot een logisch geheel denken – voor zover dat vandaag de dag nog mogelijk is.

MENINGEN OVER BESLUITEN OVER IDEEËEN

In de categorie ‘onvoorziene bijkomstigheden van het studentenleven’: vergaderingen. Je gaat in clubjes en subjes en commissies en die organiseren dingen, en daar moet over gepraat worden – blijkbaar. Nooit geweten, maar inmiddels heb ik er ongeveer twee per week. Ze gaan gepaard met een eigen lingo: er is een wezenlijk verschil tussen een mededeling, actiepunt en agendapunt, om van alle afkortingen nog maar niet te spreken. DOO, FOO, FB, WH, WVTTK, aapje, OER, OC. Je wil niet de hele tijd die Truus met vragen zijn, dus werp je soms slechts een vragende blik over tafel in de hoop dat iemand het signaal begrijpt. Soms laat je het en raak je de draad kwijt. Na een maand ontdek je dat je al het jargon hebt overgenomen, wanneer je een huisgenoot eens vertelt over zo’n bijeenkomst en die je verward aankijkt.

Globaal ben ik drie soorten vergaderingen tegengekomen.

De vergadering met wijn. Na het avondeten – rond een uur of halfnegen verzamelen we in iemands woonkamer of keuken, maximaal knus op een ingezakte bank of als je laat bent, een bierkrat of een kruk. De vergadering is binnen deze groep een noodzakelijk kwaad – we zien elkaar liever in de kroeg, maar we willen nu eenmaal met elkaar naar een festival, glow-in-the-dark-midgetgolfbaan, of op reis en dus moeten er besluiten worden gemaakt. Wel stellen we dit zo lang mogelijk uit door eerst een uur in het luchtledige te praten. Dan hakt er iemand de knoop door: die moet over drie kwartier naar huis, de scriptie wacht morgenvroeg, dus misschien toch maar beginnen.

Een rondje ‘hoe gaat het’, want daarvan waren we nog niet op de hoogte. Eén iemand probeert middels een wiebelige laptop-op-schoot-constructie te notuleren, terwijl die zich continu afvraagt: moet ik dit wel allemaal opschrijven? Dan zijn er twee scenario’s. Een: het besluit wordt in vijf minuten genomen en iedereen bevraagt het bestaansrecht van de vergadering, maar soit, gezellig was het in ieder geval. Twee: het duurt lang. Iedereen vindt hetzelfde, maar toch weer net iets anders. De wijn raakt op, de notulist valt in slaap. We benoemen meermaals hoeveel we van elkaar houden, maar een meer praktische conclusie blijft uit, zo blijkt een week later uit de notulen. Er is geen sprake van een gedefinieerd einde, aangezien de bijeenkomst ofwel organisch overloopt in een feest, ofwel ophoudt wanneer een bepaalde mate van beschonkenheid is bereikt.

Dan de officiële vergadering, in mijn geval vanuit de universiteit. Officiëler dan de rest is het niet per se, maar zo voelt het wel aan, vanwege de statige zaal die is afgehuurd en de thee en koekjes die er bij binnenkomst al staan. Het voelt voor mij steevast als kantoortje spelen. Er is teveel ruimte voor het aantal mensen, te weinig tijd voor de hoeveelheid gepraat. De stoelen zijn groot en ik voel me klein.

Deze vergadering gaat over ideeën en over meningen over ideeën en meningen over besluiten over ideeën. De input wordt meegenomen of doorgegeven of overwogen, maar het is niet altijd even duidelijk wat dat betekent. Dat het lang duurt voordat er echt iets verandert, zoveel is zeker. Ik vind het nog moeilijk aan deze vergadering iets bij te dragen. Wie heeft er nou een boodschap aan wat ik vind, tussen al deze Serieuze Mensen, als radartje in dit grote geheel? Deze gedachte is niet behulpzaam wanneer ik wél iets aan wil kaarten. Naar mijn standaarden klink ik onzeker. Ik eindig mijn pleidooi met: ‘Het is maar een idee.’

Ten slotte de hyper-efficiënte bijeenkomst. Elke week komen we op een vast tijdstip samen. We kennen elkaar van de studie, maar ook niet uitermate goed. De ervaring leert dat deze vergadering in de ochtend moet, want dan is er de minste kans op colleges. Meestal lig ik tot een half uur voor tijd nog onder de dekens, om met mijn ontbijt in de hand richting de faculteit te lopen.

(Fietsen duurt langer, want ik kan ‘m daar nergens kwijt.)

De agenda wordt strikt nageleefd. Bij elk punt doet er één haar zegje, de rest geeft antwoorden van het type ja/nee/oké. Soms een beknopte ‘mits’ of ‘maar’. Het betreft concrete zaken: wat gaan we die-en-die terugmailen, wat is er met die klacht gedaan, wat voor post zetten we op de Facebookpagina. Aan het einde van elke agenda prijkt een foto van een egel, steeds met ander thema. (Egel in een ijshoorntje, egel in een theemok, egel omringd door herfstblaadjes.) Voorzitter Jolijn is fan van egels. Zo simpel kan het zijn.

Als ik vroeger aan mijn vader vroeg wat hij op zijn werk gedaan had, was zijn antwoord dat hij de hele dag in de kring had gezeten. Ik vond dat een grappig idee: een stel mannen in pak op kleine stoelen, bedoeld voor kinderen tussen de vier en zes jaar, zoals mijn dag in de kleuterklas steevast begon. Toen kon ik me niet voorstellen waar je zo lang over zou praten. Inmiddels lukt dat me aardig, maar mijn voorkeur heeft het niet. Laat mij maar dingen doen.

STEL JE VOOR

Het is de eerste maandag van het collegejaar en ik heb een goede plek in de bieb bemachtigd. (Klinkt misschien fanatiek, maar thuis ben ik gewoon echt niet productief.) Een Remi-tafeltje: links van me rijen boeken, rechts een raam. Op het plein waarover ik uitkijk, wemelt het van de eerstejaars en hun begeleiders. Ik bekijk de onvermijdelijke spelletjes, de ongemakkelijke gesprekken die met zo’n start gepaard gaan. Voor mij wordt dit het derde jaar, maar het eerste waarin ik niet aan het begin van iets sta – ik zit er eindelijk middenin.

Het is te merken aan het aantal gezichten dat ik herken. Waarvan moet ik soms raden. In een andere context dan waar je hen van kent, zijn mensen sowieso lastiger te plaatsen. Studie, UIT-week, vorige opleiding, thuis-thuis, zusjes en broertjes van, het loopt allemaal door elkaar. Laatst kwam ik op mijn vereniging een jongen tegen die ik examentraining had gegeven. Dat besef duurde even, maar zijn naam wist ik meteen.

(En hij had het dus gehaald.)

Diezelfde trainingen zijn ook de reden dat ik het beter onthoud. Elk weekend zo’n twintig nieuwe namen, die je binnen een uur of twee dient te kennen – wel zo aardig. Daarbij is het een heel effectief instrument: je moest eens weten hoe speciaal mensen het vinden als je hun naam weet. Gek eigenlijk – het is niet bepaald een geheim, maar toch heeft het iets intiems wanneer jouw vijf, zes letters over de lippen van een ander rollen.

Mijn ‘ik’ bestaat ook in verschillende contexten. Op mijn studie ben ik een enthousiaste streber met een druk leven, en daarom bij de studiestichting de grote afwezige. Bij Histos vaak als eerste naar huis, thuis luisterend oor en schoonmaakdraak, bij mijn vriendinnen sentimenteel bommetje en maker van vileine grappen. Op mijn werk perfectionist, niet-bèta, bloemetjesjurkjesdrager. Je gaat je er vanzelf naar gedragen – de verwachtingen die er zijn, of waarvan jij verwacht dat ze bestaan.

In al die contexten is er een tweedeling te maken. Ten eerste, daar waar ik er vanuit ga dat men mij ook wel kent. Waar ik tegen iedereen hoi durf te roepen, omdat ze hoe dan ook zullen teruggroeten. Ten tweede, daar waar ik vrijwel zeker weet dat de ander mij vergeten is. Dit terwijl zijn of haar naam wel op mijn tong klaarligt om uit te spreken. Waar mijn ‘hoi’ een pijnlijke dood sterft terwijl de ander me wazig aanstaart. Je hoort ze denken: ken ik haar?

En je dan voor de vijfde keer voor moeten stellen.

‘Hoi, ik ben ‘Jongensnaam’.’

(Ja, vriend, dat weet ik. Dat heb je me de vorige keer ook al verteld. En de keer daarvoor. Ik heb verdomme laatst twee uur tegenover je in de bieb gezeten. En als je ook maar even de moeite had genomen me langer dan drie seconden aan te kijken, zou jij dat ook weten.)

‘Oh hoi, ik ben Milou.’

En dan in zijn ogen zien dat hij het meteen weer is vergeten. Vroeger had ik dat heel vervelend gevonden, tegenwoordig kan het me minder schelen. Het zit ‘m niet in mijn naam – ik ben niet de duizendste Anne of Daan, maar ingewikkeld is ‘ie ook niet. En dat is ook maar het label. Het gaat om die drie seconden die je neemt, om een ander even recht in de ogen te kijken. Om te laten doordringen dat diegene een bestaand persoon is met een eigen leven en een eigen verhaal. Of niet, dus. Jammer voor diegene, die nooit zal weten hoe drakerig, vilein of aardig ik kan zijn.

OM NIET TE VERGETEN

img_2700Het is zaterdagavond 21 juli, de laatste avond van onze vakantie. We varen op een catamaran voor de kust van Valencia. Meteen toen we aan boord kwamen, hebben we de fijnste plekken geclaimd, helemaal vooraan op de trampolines. Een stuk of tien bruine benen bungelen overboord, de rest bewaakt de tassen. De golven zijn flink. Sommigen worden een beetje misselijk, ik word lichtelijk sentimenteel zoals we daar zitten: haren in de wind, de zon die ondergaat achter de zeilen die ons samenbrachten.

26cd4973-4be0-4fc4-8946-a15711404954de7b20a7-376c-4664-b415-13266ba03848

Het was heet, in Valencia – dat moest minstens één iemand zeggen als we ons appartement verlieten. Verder waren er geen regels. Je kon vroeg opstaan, naar de markthal voor zoete broodjes en vers sap, lachen om de enorme hammen en lelijke vissen die je niet zomaar bij Albert Heijn zou treffen. Je kon mee kerken bekijken, of in je bed blijven tot de zon je er uiteindelijk uit zou branden. Stad of strand, inkakken of bijpakken, het was allemaal oké.

img_2635img_2637

Met eten waren we samen: twee keer per dag zaten we rond een volgezette tafel. Stapels stokbroden, tapas, paella, soms een eigen creatie. Diner in ieder geval niet voor half tien ’s avonds. Noem het Spaans, maar met negen vrouwen en één douche duurt het nou eenmaal lang voordat iedereen het strandzand van zich af heeft gespoeld.

b95f6ee0-d411-47cb-a8eb-ba4491bce9b2

We hadden fietsen gehuurd en hadden veel bekijks. Negen veelal blonde meisjes in een rijtje achter elkaar – de fietspaden waren smal daar. Ook de fietsen zelf leken niet gemaakt naar onze Hollandse standaarden, dwongen je voorover richting het stuur te buigen – even iets anders dan je omafiets. Maar ze brachten ons vrijheid, dus we namen het voor lief. Ze brachten ons naar het strand, naar de clubs in de haven, door de kleine straatjes vol street art. Een gids had ons erlangs geleid, verteld over de verschillende kunstenaars, hun eigen stijlen. Daarna leek haast geen muur meer onbeschreven. Achter elke hoek schuilde weer een nieuwe eenhoorn, ruimtevaarder of ninja (die geen ninja bleek te moeten voorstellen, maar ja, oordeel zelf maar).

img_25491e391ddf-99d0-4fab-91fd-3ed317897df7img_2546

Terwijl we door het Turiapark fietsten, door de supermercado renden, de nacht verkenden, bedachten welk dier we zouden zijn als we een dier zouden zijn*, in rare musea belandden, om zes uur ’s ochtends in bh tosti’s bakten, een dansje leerden, de weg kwijtraakten, Calippo’s aten, Calippovlekken maakten, enge Spanjaarden afwimpelden, samen in zee waren, over de golven heen springend – ik moest steeds denken, een jaar geleden kende ik je nog niet. En nu doen we al deze dingen samen.

Kijk ons gaan, zonder gezeik of gezever. Negen vrouwen, ieder haar eigen persoon met haar eigen leven, verschillende doelen, wensen, zonder problemen op die beperkte vierkante meters. Ik schrijf het toe aan eenzelfde gevoel voor humor en een gezamenlijke liefde voor eten.

We deelden veel die week. Tandpasta, zonnebrand, douchegel – we moesten wel, de vloek van de handbagage. Smaak: we kwamen terug met dezelfde bloesjes, haarbandjes, sokken. Bedden, eten. (‘Wie wil de laatste garnaal?) Verhalen die na een jaar nog niet naar boven gekomen waren, verhalen goed genoeg om nog eens te delen. Er waren duizend grapjes en opmerkingen en momenten, maar het gevoel zal ik niet vergeten. Het gevoel dat ik op de vlucht terug probeer te beschrijven: wat zal het morgen stil zijn.

bwEoLtVg

* Voor mij kwamen we uit op een vlinder, óf een baby-olifantje.

TOROS

54C96E7B-FF4C-41E9-A207-CA1895D32B6B.jpg

Wanneer je per metro een nieuwe stad binnentreedt, is het maar de vraag waar precies je weer bovenkomt. Aan de namen van de stations ontleen je nog niets: Xativa; Mislata, Faitanar. Er is geen transitie van platteland, industrie, buitenwijk, centrum – je tast letterlijk in het duister. Sowieso had ik weinig te maken met het hoe, wat en waar van deze vakantie. Een paar uur van tevoren mikte ik wat jurkjes in een koffertje. Tot zover mijn voorbereiding. Vertrektijden, uitstaphaltes, logistiek, alles was al uitgeplozen. Ik ging mee met de flow deze week, met negen meiden in Valencia. En ik genoot.

Na een reis van bus, trein, bus, vliegtuig en dus de metro, bleken we rond negen uur ’s avonds midden in het centrum terecht te zijn gekomen. De zon stuurde een warme gloed door de nog warme straten, onze handbagagekoffertjes ratelden enthousiast. Ik wist nog steeds niet waar ik precies was, tot een paar minuten later. We waren in het centrum-centrum, het mooie oude gebouwen-centrum, recht achter de stierenvechtarena-centrum. Plaza de Toros – vanuit het keukenraam keek je uit op het buitenverblijf en haar logge bewoners.

Het werden vanzelf een beetje ‘onze’ stieren. Elke dag ging er wel iemand kijken hoe ze erbij lagen, en belangrijker: of ze er überhaupt nog waren. Posters vertelden ons dat er die week gevechten plaats zouden vinden. We gingen er zeker niet heen, daar waren we het gelukkig over eens. Toch kregen we er genoeg van mee. Onze blikken naar beneden werden soms beantwoord door norse mannetjes met scherpe stokken. Vanaf de straat was er niets te zien, maar wij wisten beter – en konden dus ook de schijtlucht plaatsen die bij vlagen aanwezig was. (Ach, ik zou het ook in mijn broek doen.) Op het plein was er protest. ‘Per jaar gaan er 70.000 stieren op deze manier dood,’ wist Hanne van de borden. ‘Worden die dan eigenlijk begraven?’ werd er gevraagd. Eerst moest ik lachen, maar ik bedacht me later: was het maar waar. Bij het aanzicht van zulke massagraven zouden ze het misschien laten. Voor nu verlenen ze slechts enkele toros gratie.

De rest van de vakantie was heel vrolijk! Ik ga het allemaal opschrijven, om het zelf niet te vergeten. En ik neem jullie graag mee!

HET ZOMERCLICHÉ

We gaan op vakantie in eigen land, in eigen stad, naar eigen strand.

(Of eigenlijk een kanaal, maar dat klinkt niet in het verhaal. En ook dat is water – goed genoeg voor het vakantiegevoel.)

Tas gepakt, bikini al aan onder een jurkje dat ik in dit land zelden kan dragen. Handdoek, chips en zonnebrand, boeken die tot nu toe ongelezen bleven – vandaag pakken ze hun kans. Witte billen op hete zadels en we gaan. Door een Utrecht waar ‘binnen’ niet lijkt te bestaan – te warm, te klein, dus zoekt men zijn heil op een grasveld, stoep of plein. Ook daar dicht op elkaar, maar dat lijkt niemand te deren. Toch ontsnappen wij vandaag, naar een stadsstrand bij het Amsterdams Rijnkanaal.

De wind lijkt er harder te waaien, niet gehinderd door gebouwen, geen hoeken om langs te draaien. Hij verspreidt de geur van koud water, maar die belofte wordt niet ingelost. Een duik kan je hier letterlijk de kop kosten, gezien de enorme boten die er varen. Gelukkig is de zomer pas in haar beginfase, waarin ze nog een eindeloos aantal dagen lijkt te beslaan. Zo’n duik volgt vast later.

Lezen, praten, lachen, van je buik naar je rug en terug. Meer is het niet. Wel zijn we weg van de wereld – los, vrij, klaar. Dat gevoel is goud waard.

(En dan denk ik stiekem héél even aan de mensen in de bieb.)

Rond een uur of vier fietsen we terug de stad in. De zon stelt haar tint naar ons gemoed. Fel licht kleurt geleidelijk oranje, rekt elke schaduw steeds langer totdat onze lichamen uiteindelijk languit op de straatstenen liggen.(De enige manier waarop ik ooit de 1,75 zal halen.)

Rozig lopen we door de straten, traag, met in onze handen snel smeltend ijs – om het zomercliché compleet te maken.

(‘Zullen we ijs halen?’

‘Ik wíst gewoon dat je dat ging vragen!’)

De douche thuis op z’n koelst, ik voel de hitte uit mijn huid door het putje spoelen. ’s Nachts naakt onder slechts lakens, proberen niet te klagen over hitte of muggen. Met de Nederlandse zomer weet je het immers nooit zeker – misschien komt ze morgen niet meer terug.

DRUK

Het is Hemelvaart en ik ben vrij. Misschien zou ik Jezus daarvoor moeten bedanken, maar ik heb er toch echt zelf voor gezorgd dat mijn agenda leeg is. Een dag zonder to-do-list, zonder afspraken of dat-ene-ding-dat-je-nog-éven-af-moet-maken. Er hoefde niets vandaag.

Ik heb in bed gelegen tot mijn maag me eruit rommelde, vervolgens ontbeten en een uur lang de krant gelezen. Ik heb gezwommen, door de stad geslenterd zonder specifiek doel, mijn hoofd leeg geschreven en ontdekt dat mijn gedachten er op papier evengoed warrig uitzien. Ik heb in de zon gezeten, mijn schouders licht verbrand. Gedoucht, de klitten uit mijn haar gekamd.

Vroeger had ik veel meer tijd om me te vervelen. In gedachten zijn mijn kinderjaren een aaneenschakeling van lege middagen waarop alles nog kon gebeuren. Soms gebeurde er niets, en dat was dan ook oké. Saai, maar oké.

Zo gaat het dus niet meer, en dat kan ik alleen mezelf aanrekenen. Ik neem geen rust om eens een kwartier naar het plafond te staren, ik sta nauwelijks nog op met de vraag ‘wat ik vandaag eens zal gaan doen’. Vooral de laatste weken zit mijn schema dichtgetimmerd, met een combinatie van studie, werk en het sociale leven. Loze tijd heeft daartussen geen plek gekregen. Ik ben bepaald niet de enige bij wie dit zo gaat. Vrijwel elke leeftijdsgenoot die ik spreek, lijkt zich in eenzelfde situatie te bevinden.

‘Heeee!’

‘Heeee!’

‘Hoe gaat ‘ie?’

‘Ja, goed. Druk. Met jou dan?’

‘Ja prima! Ook druk, wel.’

‘Ah, ja. Ik moet ook weer door, eigenlijk.’

‘Ja, ja, ik ook. Leuk je even te zien, wel!’

‘Snel even bijpraten!’

Mogen jullie raden hoe vaak het daar daadwerkelijk van komt. Wanneer je wel echt een plan wil maken, gaat daar niet zelden een week over heen. Is de één vrij, dan is de ander druk, brak of op reis, en tentamenweken lopen nooit gelijk. In het ergste geval moet je je verlagen tot een Datumprikker – wanneer je niet eens een moment kan vinden om de afspraak zelf te maken.

Er is weinig speling, terwijl die het leven juist aangenaam maakt. Ik wil ja kunnen zeggen wanneer iemand me mee uit vraagt. Ik wil mijn werk kunnen laten liggen wanneer de zon schijnt. Ik wil in de trein kunnen stappen wanneer een vriendin er doorheen zit, om een uur later bij haar te zijn. Maar vaker dan me lief is vul ik al mijn tijd.

Het is niet vreemd, in deze periode van ultieme vrijheid. Er is zoveel wat kan –  vrijwilligerswerk, universiteitsraad, Honours-colleges, bestuursjaar. Solliciteer maar, schrijf je in – je komt heel ver met een cv, een motivatiebrief en een beetje van je tijd. Nu kan het, nu liggen de kansen er om veel te leren en meer leuke mensen te ontmoeten. Het maakt me trots, al die vrienden met grootse plannen. Die ambitie begrijp ik – ook ik voel me fijn, nu ik naast m’n studie een redelijk serieus baantje heb. Daarvoor prop ik een werkweek in drie dagen, om me vervolgens af te vragen wat me zo moe maakt. En daarin schuilt het gevaar: het is zo makkelijk je eigen grenzen over te gaan. Een volle agenda is namelijk ook een statussymbool geworden, in de competitie het leven zo efficiënt en zinnig mogelijk vorm te geven.

Als lid van de Datumprikker-generatie ben ik spontane plannen des te meer gaan waarderen. Om half twee een appje krijgen, om kwart voor twee lunchen op het terras. Er om vier uur ’s middags achter komen dat er diezelfde avond wel vijf mensen beschikbaar zijn voor een bioscoopje – en dat niemand de film al gezien heeft.

Daarnaast maakt die dagelijkse race loze momenten meer waard. Neem een donderdagnacht, ik fiets licht aangeschoten naar huis. De stad valt als een deken om me heen en mijn gemoed is even wollig. Utrecht slaapt, de grachten zijn vrij. Alleen het ritmisch klikken van stoplichten doorbreekt de stilte. Dan ben ik even zonder gedachten – ben ik niet van de tijd, maar is de tijd van mij.