HET ZOMERCLICHÉ

We gaan op vakantie in eigen land, in eigen stad, naar eigen strand.

(Of eigenlijk een kanaal, maar dat klinkt niet in het verhaal. En ook dat is water – goed genoeg voor het vakantiegevoel.)

Tas gepakt, bikini al aan onder een jurkje dat ik in dit land zelden kan dragen. Handdoek, chips en zonnebrand, boeken die tot nu toe ongelezen bleven – vandaag pakken ze hun kans. Witte billen op hete zadels en we gaan. Door een Utrecht waar ‘binnen’ niet lijkt te bestaan – te warm, te klein, dus zoekt men zijn heil op een grasveld, stoep of plein. Ook daar dicht op elkaar, maar dat lijkt niemand te deren. Toch ontsnappen wij vandaag, naar een stadsstrand bij het Amsterdams Rijnkanaal.

De wind lijkt er harder te waaien, niet gehinderd door gebouwen, geen hoeken om langs te draaien. Hij verspreidt de geur van koud water, maar die belofte wordt niet ingelost. Een duik kan je hier letterlijk de kop kosten, gezien de enorme boten die er varen. Gelukkig is de zomer pas in haar beginfase, waarin ze nog een eindeloos aantal dagen lijkt te beslaan. Zo’n duik volgt vast later.

Lezen, praten, lachen, van je buik naar je rug en terug. Meer is het niet. Wel zijn we weg van de wereld – los, vrij, klaar. Dat gevoel is goud waard.

(En dan denk ik stiekem héél even aan de mensen in de bieb.)

Rond een uur of vier fietsen we terug de stad in. De zon stelt haar tint naar ons gemoed. Fel licht kleurt geleidelijk oranje, rekt elke schaduw steeds langer totdat onze lichamen uiteindelijk languit op de straatstenen liggen.(De enige manier waarop ik ooit de 1,75 zal halen.)

Rozig lopen we door de straten, traag, met in onze handen snel smeltend ijs – om het zomercliché compleet te maken.

(‘Zullen we ijs halen?’

‘Ik wíst gewoon dat je dat ging vragen!’)

De douche thuis op z’n koelst, ik voel de hitte uit mijn huid door het putje spoelen. ’s Nachts naakt onder slechts lakens, proberen niet te klagen over hitte of muggen. Met de Nederlandse zomer weet je het immers nooit zeker – misschien komt ze morgen niet meer terug.

DRUK

Het is Hemelvaart en ik ben vrij. Misschien zou ik Jezus daarvoor moeten bedanken, maar ik heb er toch echt zelf voor gezorgd dat mijn agenda leeg is. Een dag zonder to-do-list, zonder afspraken of dat-ene-ding-dat-je-nog-éven-af-moet-maken. Er hoefde niets vandaag.

Ik heb in bed gelegen tot mijn maag me eruit rommelde, vervolgens ontbeten en een uur lang de krant gelezen. Ik heb gezwommen, door de stad geslenterd zonder specifiek doel, mijn hoofd leeg geschreven en ontdekt dat mijn gedachten er op papier evengoed warrig uitzien. Ik heb in de zon gezeten, mijn schouders licht verbrand. Gedoucht, de klitten uit mijn haar gekamd.

Vroeger had ik veel meer tijd om me te vervelen. In gedachten zijn mijn kinderjaren een aaneenschakeling van lege middagen waarop alles nog kon gebeuren. Soms gebeurde er niets, en dat was dan ook oké. Saai, maar oké.

Zo gaat het dus niet meer, en dat kan ik alleen mezelf aanrekenen. Ik neem geen rust om eens een kwartier naar het plafond te staren, ik sta nauwelijks nog op met de vraag ‘wat ik vandaag eens zal gaan doen’. Vooral de laatste weken zit mijn schema dichtgetimmerd, met een combinatie van studie, werk en het sociale leven. Loze tijd heeft daartussen geen plek gekregen. Ik ben bepaald niet de enige bij wie dit zo gaat. Vrijwel elke leeftijdsgenoot die ik spreek, lijkt zich in eenzelfde situatie te bevinden.

‘Heeee!’

‘Heeee!’

‘Hoe gaat ‘ie?’

‘Ja, goed. Druk. Met jou dan?’

‘Ja prima! Ook druk, wel.’

‘Ah, ja. Ik moet ook weer door, eigenlijk.’

‘Ja, ja, ik ook. Leuk je even te zien, wel!’

‘Snel even bijpraten!’

Mogen jullie raden hoe vaak het daar daadwerkelijk van komt. Wanneer je wel echt een plan wil maken, gaat daar niet zelden een week over heen. Is de één vrij, dan is de ander druk, brak of op reis, en tentamenweken lopen nooit gelijk. In het ergste geval moet je je verlagen tot een Datumprikker – wanneer je niet eens een moment kan vinden om de afspraak zelf te maken.

Er is weinig speling, terwijl die het leven juist aangenaam maakt. Ik wil ja kunnen zeggen wanneer iemand me mee uit vraagt. Ik wil mijn werk kunnen laten liggen wanneer de zon schijnt. Ik wil in de trein kunnen stappen wanneer een vriendin er doorheen zit, om een uur later bij haar te zijn. Maar vaker dan me lief is vul ik al mijn tijd.

Het is niet vreemd, in deze periode van ultieme vrijheid. Er is zoveel wat kan –  vrijwilligerswerk, universiteitsraad, Honours-colleges, bestuursjaar. Solliciteer maar, schrijf je in – je komt heel ver met een cv, een motivatiebrief en een beetje van je tijd. Nu kan het, nu liggen de kansen er om veel te leren en meer leuke mensen te ontmoeten. Het maakt me trots, al die vrienden met grootse plannen. Die ambitie begrijp ik – ook ik voel me fijn, nu ik naast m’n studie een redelijk serieus baantje heb. Daarvoor prop ik een werkweek in drie dagen, om me vervolgens af te vragen wat me zo moe maakt. En daarin schuilt het gevaar: het is zo makkelijk je eigen grenzen over te gaan. Een volle agenda is namelijk ook een statussymbool geworden, in de competitie het leven zo efficiënt en zinnig mogelijk vorm te geven.

Als lid van de Datumprikker-generatie ben ik spontane plannen des te meer gaan waarderen. Om half twee een appje krijgen, om kwart voor twee lunchen op het terras. Er om vier uur ’s middags achter komen dat er diezelfde avond wel vijf mensen beschikbaar zijn voor een bioscoopje – en dat niemand de film al gezien heeft.

Daarnaast maakt die dagelijkse race loze momenten meer waard. Neem een donderdagnacht, ik fiets licht aangeschoten naar huis. De stad valt als een deken om me heen en mijn gemoed is even wollig. Utrecht slaapt, de grachten zijn vrij. Alleen het ritmisch klikken van stoplichten doorbreekt de stilte. Dan ben ik even zonder gedachten – ben ik niet van de tijd, maar is de tijd van mij.

SUKKEL DOOR DE LIEFDE

In de lente wordt de liefde weer openbaar. Ze trekt zich terug uit woon- en slaapkamers, uit donkere café’s, en gaat de straat op. Naar het park of gewoon een toevallige hoek waar de laaghangende zon zich laat zien. Een vlugge zoen op het terras, een kus voordat de geliefde de bus in stapt. Een jonge man die onbegrijpelijke, blije taal uitslaat op de fiets, ogenschijnlijk tegen niemand praat. Wanneer hij passeert zie ik het kind op zijn bagagedrager. Gezichten komen weer tevoorschijn vanonder mutsen en sjaals, er wordt ruimte gemaakt voor knikjes en glimlachjes. En iedereen is zwanger.

In zo’n lente verlang ik er wel eens naar verliefd te zijn. Om haast door de stad te vliegen omdat lopen zo gewoontjes lijkt, met een grijns die komt opzetten en vervolgens nog dagen aanhoudt. Dat alles je doet denken aan hem of haar, en iedereen je irritant vindt, omdat je nergens anders meer over kan praten.

(Erg praktisch is het niet. Een vriendin van me bevindt zich momenteel in deze staat, en klaagt geregeld dat ze niets meer voor elkaar krijgt. Verliefd zijn is een full-time bezigheid.)

Zelf ben ik niet zo snel verliefd. Sowieso ben ik op dat gebied niet erg benaderbaar – nogal eens heb ik ‘donder op’ op mijn voorhoofd staan. Door openingszinnen of opzichtige versierpogingen schiet ik in de lach, of ze doen me met mijn ogen rollen.

Anderzijds, wanneer het me dan grijpt, heb ik het ook echt te pakken. (Of eigenlijk, het mij.) Dan toont zich een kant die ik dacht achter me te hebben gelaten. Rood hoofd, haperend praten, diegene nauwelijks in zijn ogen durven kijken omdat ik bang ben dat hij het daar direct zal zien: dat kleine sprankje verliefdheid – hoewel het eigenlijk die titel nog niet verdient. Ik had het laatst nog bij een jongen. Hij had een vriendin en was daarmee verboden terrein.

(Alles kan kapot, ja, ja, ja. Zeg, gedraag je even.)

(Dat is sowieso een smerige truc van mijn brein: het laat me vallen voor onbereikbare types. Dan hoef ik er in de praktijk niets mee, zoiets moet het zijn. Bezet, te oud of in andere opzichten niet de bedoeling, het kwam allemaal eens voorbij.)

We waren ergens mee bezig. Ik probeerde me te focussen, maar tevergeefs – ik kon alleen maar registreren hoe warm ik het had, of ik wel goed overkwam. En maar een beetje stom lachen. Oh, wat haat ik mezelf dan achteraf. Mijn leukste ik is heus lief, maar ook intelligent en gevat, een tikje sarcastisch. Zo’n jongen reduceert me tot een ja-knikker met rode wangen – en hij weet er niet eens van. Een sukkel door de liefde.

(De praktijk leert gelukkig dat mannen vrij slecht zijn in het herkennen van dit soort situaties. Scheelt weer voor mij.)

Maar wanneer er sprake is van wederzijdse interesse, ben ik toch vaak de eerste die afhaakt. Dan merk ik dat mijn gedachten afdwalen van zijn verhalen, dat er van die kriebels weinig overblijft, omdat het me blijkbaar niet genoeg uitmaakt of hij me ziet zitten of niet. Nog een kus op zijn wang en dan terug naar de trein. Misschien ben ik te veeleisend. Is het naïef om te geloven in die soort liefde, waarbij je gewoon weet dat het klopt – instant, of mettertijd. Ben ik tegelijk te nuchter, te hard, om daar zomaar tegenaan te lopen en in mee te gaan. Maar zo’n lente helpt me hopen.

PRAGMATISCH

Dit jaar ben ik geïntroduceerd met het fenomeen ‘studentengala’. Ik droeg dezelfde jurk als op het gala van mijn middelbare school, maar verder was het anders. Misschien te wijten aan de open bar en het feit dat je moeder je niet meer om twee uur op hoeft te komen halen.

Volgens mij zijn er ruwweg drie soorten. Het ene is chique, met diner, overnachting en voor wie het aankan een ontbijt, dit alles bij voorkeur over de grens. Het andere is gewoon een borrel in een kroeg, maar dan in een lange jurk. Ten slotte is er een middenweg, het gala waarvoor een mooie locatie wordt afgehuurd, waar je met een bus naartoe wordt gebracht. Zo ook zaterdag. Wat er binnen gebeurde mogen jullie zelf verzinnen, maar over de heen- en terugreis heb ik wel het een en ander te vertellen.

Ten eerste moest je bij de bus zien te komen. Op Facebookfoto’s lijkt het heel wat, maar we blijven studenten en zuunige Hollanders, dus ook in galakledij stap je gewoon op de fiets. Ik weet niet of je het had meegekregen, maar het was nogal koud die dag. Temperaturen tot min acht, dat soort ongein. Onder mijn jurk droeg ik dan ook een yogalegging en laarzen, eroverheen nog een vest, jas, sjaal, muts en handschoenen. Op mijn rug een tas waar ik alle laagjes later weer in kon stoppen. Vaak ben ik weinig pragmatisch in mijn kledingkeuze, maar nu was het te koud om modieuze eisen te gaan stellen.*

Ook de buschauffeur verkoos praktisch boven passend. ‘Ik zet jullie niet helemaal voor de locatie af, want dan kan ik straks makkelijker wegrijden. Dat scheelt me een hoop tijd.’ Moesten we alleen nog even de snelweg oversteken. Gingen we dan, met tachtig man over een viaduct, zeker de helft op wiebelige hakjes over het glad bevroren asfalt. Maar eenmaal daar was alles goed, stonden de kapsels, glitters en rokkostuums in groot contrast met de trui-spijkerbroek-mentaliteit die meestal heerst op onze boot annex bruine kroeg.

Dan hier zo’n vijf uur aan onvertelde verhalen.

En toen was er nog de terugreis. Daar had ik niet al te beste dingen over gehoord, maar gelukkig heb ik er dwars doorheen geslapen – met vriendelijke dank aan de schouder van mijn buurvrouw. Eenmaal uit de bus viel mijn oog op een vriendin die enige assistentie nodig zou hebben om thuis te komen. Van haar eigen vaardigheden om een fiets recht te houden verwachtte ik niet al te veel meer. Daarbij mompelde ze iets over sleutels en de onbestemde locatie daarvan. Ze ging bij mij achterop.

Na een enigszins wiebelende start hadden we wat snelheid. ‘Het is zó koud!’ klonk het ongeveer om de twintig seconden. Ik kon haar geen ongelijk geven, maar de enige manier waarop ik daar verandering in kon brengen was hard doorfietsen, zodat ze snel thuis zou zijn. Helaas kwamen we na zo’n vijfhonderd meter tot stilstand.

‘Wat doe je nou?’ vroeg ik enigszins geïrriteerd. ‘Ik doe niks!’ Het was inderdaad niet zij, maar haar jurk die de zaak aan het compliceren was – de donkerblauwe stof had zich ineengevlochten met mijn kettingkast. Na wat trekken en vloeken bleek er niets anders op te zitten – ik moest haar losknippen. We waren gestrand vlakbij een restaurant waar licht brandde. Het personeel was nog aan het naborrelen. (Let wel, om half vier ’s nachts – het was voor hen vast ook een heftige avond geweest.) Ik kreeg een medelijdende blik, een geamuseerde glimlach en een botte schaar te leen.

Daar stonden we dan, op de ijzige klinkers van de Westerkade. Ik op mijn knieën bij het achterwiel, mijn voeten besmeurd in mijn hooggehakte sandalen. Zij met ontblote benen, haar hoofd in ellende rustend op het stuur. Midden op de weg knipte ik haar jurk aan stukken.

*Bonusfoto speciaal voor jullie.

IMG_1423.JPG

HAPPY DAYS

In hectische periodes grijpt menig mens terug naar gekke gewoontes. De een kalmeert van puppyfilmpjes, de ander scrollt haast obsessief door nu.nl. Een derde kijkt naar plaatjes van op kleur gesorteerde voorwerpen – Skittles, fruit, boeken. Het is maar net waar je rustig van wordt.

Voor mij komt ontspanning in de vorm van 24Kitchen. Deze zender bestaat uit niets dan kookprogramma’s: mensen met prettige stemmen, die kalm maar doeltreffend rotti, stamppot of merengue maken. Daarbij gaat er nooit iets fout. Groot favoriet is Jamie Oliver, van wie je lekker alles mag doen zoals je blieft. Wat nou weegschalen en maatbekers – pinch of salt, drizzle of olive oil. Happy days. Vandaag ben ik toeschouwer van eenzelfde soort meditatief handelen, zij het in een andere context.

Voorin het lokaal spreidt de docente haar materialen uit. Plastic bekers, zakjes met pigmenten en lepels worden geduldig gerangschikt op de spierwitte tafel. Dit collegeblok volg ik Story of Art, een vak met een uiterst ongelukkige afkorting. Een soort kunstgeschiedenis voor dummies. Naast een hoop Italiaanse kunstenaars die ik allemaal door elkaar ga halen (Bellini, Martini, Botticelli, Giacometti), bespreken we ook verschillende materialen.

Verf dus, vandaag. Voorin verworden ei en olie tot kleurrijke mengsels, zoals dat eeuwen geleden al gebeurde. Wij hoeven alleen maar te kijken, terwijl de docente rustig roert in bekers, vertelt over de vroegere ateliers van grote meesters. Dertig studenten kijken zwijgend toe. Dat valt goed te verklaren: het is de laatste verplichting van vandaag, dus de mogelijkheid niet actief te participeren is zeer welkom. Daarbij is iedereen een beetje verliefd op haar. Begrijpelijk is het zeker. Ze kan nooit enorm veel ouder zijn dan wij, maar lijkt alles te weten, om dit vervolgens in te pakken met een grapje en een lach. Als gehypnotiseerd kijken we naar haar handen.

Het voelt haast ongepast, zo’n vlekgevoelige toestand tussen de witte wanden van de universiteit. Soms mis ik het wel, zo’n kleurrijke omgeving, tafels vol materialen en tekeningen. Een omgeving waarin ideeën zichtbaar groeien, in contrast met de terughoudende boeken waartussen ik me dagelijks begeef. Maar de huidige gang van zaken kent ook haar voordelen. Ik zet met een paar verfsoorten wat strepen neer, alleen om het verschil te ervaren – het hoeft verder nog even niets te betekenen.

MVG, HET UNIVERSUM

IMG_1304 2

Tijdens de eerste dagen in een nieuw huis is vormt elk geluid een potentieel probleem. Wat is die kraak? Hoorde ik nou een deur? Is dat de vaatwasser die zo vreemd borrelt? Met de tijd raak je gewend aan het klikken, tikken en ratelen tussen de muren. Vandaag hoorde ik echter een geluid dat ik nooit eerder had gehoord.

Soms heb je zo’n dag waarop het maximale bereikt lijkt. Ik trok de voordeur achter me dicht, plofte neer op de bank en wilde even helemaal niets meer. Zoals dat vaak gaat wanneer je het universum om wat rust vraagt, krijg je het tegenovergestelde op je afgestuurd. Ditmaal kwam het in de vorm van een hevig gebonk vanonder mijn voeten. Ik overwoog nog even het te negeren, in de hoop dat het dan daadwerkelijk weg zou gaan.

Die strategie blijkt in de praktijk nooit te werken.

Zo gold ook voor deze aardbeving in onze kelder. ‘Dit is echt niet goed, hoor,’ sprak huisgenoot Amber gealarmeerd. Ze moest haar stem verheffen om boven het lawaai uit te komen. Ik zuchtte en volgde haar naar beneden. Daar troffen we een op tilt geslagen wasmachine, van de betonnen verhoging gedonderd, nu op z’n kant, trillend en bonkend. Uit meerdere gaten spoot water, in hoog tempo vormden zich plassen op de vloer.

‘Kut, kut, kut,’ panikeerde ik terwijl ik zocht naar de voornaamste bron van het kwaad. Die vond ik in de vorm van een slang aan de achterkant, die door de val was losgeraakt. In een impuls sloot ik mijn hand eromheen. Dat maakte de situatie niet per se beter, maar zo deed ik in ieder geval iets. Het ding moest terug omhoog. Al snel bleek dat een vrij kansloze missie – Amber zat tot voor kort op ijshockey, maar voldoet bepaald niet aan het profiel. (Groot, breed, die dingen.)

‘Nu komen! Nu!’ schreeuwde ik naar boven. Ik klampte me nog altijd als een hedendaagse Hans Brinkerman vast aan die slang, die daardoor de transformatie tot hogedrukspuit maakte. ‘Nu!’ Op hun sokken haastten mijn andere huisgenootjes zich de trap af, door het water, waarna we met z’n vijven de machine weer op het betonblok tilden.

(Hierbij gingen – enigszins tegen mijn verwachting in – geen vingers verloren.)

In alle hectiek, chaos of blinde paniek was ik even vergeten mijn gezonde verstand in te schakelen. ‘Waarom draaien we die kraan niet gewoon dicht?’ zei Eline droogjes.

Dus dat deden we.

Ik weet niet precies wat het universum ons uiteindelijk wilde vertellen. Dat de dag nog wat actie nodig had. Dat de wasmachine aan vervanging toe is. Of dat we echt een keer onze keldervloer moesten dweilen.

FANTASIE

Ik schrijf wat ik weet. Over mijn eigen gedachten, gebeurtenissen uit mijn leven. Ik krijg daar regelmatig vragen over – is dat niet eng, zo privé? Voor mij steekt het anders in elkaar. Want wat je ook van mijn stukjes vindt – ze zijn waar. Dat vind ik een fijn idee.

(Oké, laten we zeggen, voor tachtig procent waar. Ik gun mezelf enige artistieke vrijheid.)

Vorige week schreef ik een verhaal waar ik veel reacties op kreeg. (Je kan het hier lezen.) Was dat echt zo gegaan? Het leek wel fictie! Ik heb veel nagedacht over waar ‘m dat in zat. Uiteindelijk wist ik het: de personages. De ene was ik, de ander was Bas: een mij compleet onbekend gast die ik midden in de nacht tegenkwam. Hem durfde ik wel mijn verhaal in te slepen. Ik kwam hem vast niet meer tegen en hij zou het al helemaal nooit lezen.

(Er werd een kleine zoektocht gestart, maar vooralsnog geen enkel spoor.)

Dat is anders vaak een probleem. Ik ken genoeg grappige, gekke of interessante mensen over wie ik kan schrijven – maar dat is niet altijd aan mij. Het is niet aan mij hen te citeren, hen als personage neer te zetten om in mijn verhalen te figureren. Dus laat ik het, en blijven ze vaak naamloos op de achtergrond. De verhalen over andere mensen, over hun gevoelens, levens, gedachten, blijven zo onverteld.

In dat opzicht is het handiger gewoon alles te verzinnen.

Slechts de helft van wat ik schrijf, komt hier terecht. De rest verdwijnt in een map diep in mijn laptop, genaamd ‘hier mag je echt niet in kijken nee nee nee serieus maar echt niet doen’. Het bevat documenten vol onsamenhangende scenes,  fictieve stukken die ik waarschijnlijk nooit zal delen. Verhalen die spelen in een wereld zoals ik die voor me zie, met geen enkele verplichting naar de realiteit. Want dat vind ik dan privé: mijn fantasie. Mijn fantasie en de mensen, plaatsen, zinnen die eraan ontspringen.

Ergens is het raar, dat juist de verhalen die niet over mij gaan, zo persoonlijk voelen dat ik ze niemand ooit laat lezen. Verbeelding is een vreemd fenomeen, een mengeling van onbewuste gedachten, herinneringen, ideeën. Dat mensen daar iets van zullen gaan vinden, houdt me tegen. Met fictie valt het enige argument weg dat mij helpt wanneer ik twijfel over een verhaal: wat je er ook van vindt, zo is het nu eenmaal gegaan.

BAS

fullsizeoutput_eb6

Het was zo diep in de nacht dat het al bijna ochtend was, toen ik de weg overstak. ‘Mag ik je wat vragen?’ Twee jongens stonden aan het begin van mijn straat. Ze leken op elkaar: blond, blauwe ogen, niet bang om te doen alsof de wereld van hen was. ‘Heb je misschien een sigaret voor mij?’

Ik stapte af. ‘Nee,’ zei ik, maar mijn hese stem sprak dat tegen. Ik lachte. ‘Ik rook niet, al klinkt dat nu niet zo.’ Of ik misschien wist waar hij een pakje kon halen. Ik raadde hem de snackbar aan waar ik net vandaan kwam.

‘Wil je samen gaan?’ Zijn uitdrukking verraadde geen spoortje sarcasme. Ik dacht te weten wie hij was: haren naar achteren, brutaal genoeg om onophoudelijk mijn ogen in te staren, om zonder woorden de verwachting uit te spreken dat ik met hem mee zou gaan.

(Natuurlijk ga je niet met hem mee, Milou. Ben jij gek, je hebt toch wel wat beters te doen. Slapen, bijvoorbeeld. Laat die jongen lekker zelf zijn peuken halen, dat kan hij best alleen.)

Dus ik zei ja.

Voor ik het wist sprong hij bij me achterop. Zijn vriend bleef waar hij was. En zo fietste ik met een jongen op mijn bagagedrager het centrum weer in. Zijn naam was Bas.

(Noem het raar, een verkeerde beslissing – geëmancipeerd was het wel.)

‘Ik ga je vijf vragen stellen. Is dat goed?’

Ik knikte.

‘Heb je een vriend?’

Na vraag één bleek dat hij meer wilde vertellen dan hij wilde weten. Hij moest wat kwijt over de meisjes in zijn leven. ‘Ik slaap met ze, en daarna willen ze allemaal dat we blijven appen. Daar ben ik gewoon slecht in. Als ik je echt wil spreken, bel ik je wel op.’

Ik begreep het, maar moest het toch voor mijn stadsgenotes opnemen. ‘Jij wil seks en verder niks, toch? Dat kan, maar zeg dat dan. Daar kunnen ze heus wel tegen. Liever een nee dan stilte.’

‘Het is bot, dat weet ik.’

Hij leek wel blij met wat onafhankelijk vrouwelijk advies. Voor mij hoefde hij geen schijn hoog te houden – ik wilde niets van hem, hij niets van mij.

(Dacht ik. Lekker naïef, maar daarover zo meer.)

Hij zat bij het corps. Of ik dat erg vond.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Al die verhalen en zo.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Jij liever dan ik. Maar ik ken genoeg leuke mensen die erbij zitten.’

‘Had je het van mij gedacht?’

‘Ja.’

‘Oh.’ Het klonk bijna teleurgesteld.

‘Jij ziet eruit als een hippie,’ kaatste hij terug. Ik schoot in de lach. ‘Wat?’ Snel analyseerde ik wat ik aanhad. Spijkerbroek, zwart shirtje – en mijn kroegjas. Laatst nog gewassen, maar toch niet het toppunt van charmant.

We staken Janskerkhof over, liepen twee snackbars langs tot ze bij de derde nog voor ons open deden. Hij haalde zijn sigaretten uit de automaat, ik stond er wat verloren naast. ‘Mag ik ook nog een lolly van je?’ vroeg hij aan de man achter de toonbank. Die antwoordde met een instemmende zucht – hij had het gehad voor vannacht. Bas deed een graai in de pot.

Terug gingen we te voet, mijn fiets aan de hand. Met de aansteker van een tegenligger stak hij een peuk op. Hij inhaleerde tevreden en gaf een tweede aan mij. Wat dacht ik, dit kan er ook nog wel bij. Ik nam een hijs.

‘Wat rook je grappig.’

Ik hoestte en liet de sigaret vallen. Hij lachte en gaf me de lolly uit zijn broekzak.

We waren weer bij de stoep waar ik hem ontmoet had. Er fietste een vrouw langs, ik vermoed op weg naar de eerste trein. Hij haalde de sigaretten tevoorschijn. ‘Heeft u misschien een aansteker?’ vroeg hij terwijl ze op ons af kwam. Ze schonk hem geen aandacht en reed door.

‘Voelt een vrouw zich dan aangevallen?’

‘Op dit tijdstip kan je dat beter laten, ja.’

Hij knikte. We stonden tegenover elkaar, ik leunend op mijn fiets, hij weer met die blauwe ik-weet-van-niets-blik. ‘Kom je mee naar binnen?’ Hij wees naar drie huizen verderop.

‘Wie is er binnen?’

‘Mijn vrienden en ik.’ Ik keek omhoog. Op de bovenste verdiepingen brandde nog licht, maar niet voor mij, zo besloot ik. ‘Ik wil je graag zoenen.’ Het klonk aandoenlijk, alsof hij eigenlijk wel wist dat ik ook dat aanbod af zou slaan.

‘Ik ga.’

‘Wel bedankt dat je me hebt gebracht. Echt lief.’

‘Weet ik,’ zei ik met een glimlach.

Toen ik thuiskwam lag de krant al op de mat.

fullsizeoutput_eb5

OPEENS WAS ALLES ROZE

fullsizeoutput_e8a

De lucht lokte me naar buiten vanavond. Vanachter mijn laptop zag ik de dag starten, de lantaarns uitgaan, de zon draaien en weer verdwijnen achter de huizen aan de overkant. De lantaarns weer aan. En opeens was alles roze.

Een blauwe lucht verraadt zich middels een frisse morgen, een storm kondigt zich vaak onheilspellend aan. Maar wanneer de schemer roze zal zijn, daar valt geen pijl op te trekken. Juist dat maakt het zo fijn. Dat je niet weet hoe het komt, of hoe lang het zal blijven. Er zullen heus wel theorieën over zijn. Zelf heb ik liever dat de wereld af en toe een beetje magisch is. Alsof daarboven een potje pastelverf is omgegooid. Alsof iemand me wil zeggen: kom nou éven naar buiten.

Het maakt een doorsnee dag het herinneren waard. Het lukte nauwelijks de pracht ervan waarheidsgetrouw vast te leggen, dus moest ik zelf zien te onthouden hoe mooi het precies was.

Desondanks deed ik een poging – ik stond er toch, daar in de deuropening. Ik wilde het roze boven me voelen stralen, haar kou door mijn neus naar binnen laten kruipen terwijl ik ademde. Een paar foto’s, de boodschappen en toen was de wereld weer blauw.

Eenmaal thuis had ik bericht van m’n nichtje. ‘Heb je een roze lucht voor ons?’ Met een glimlach stuur ik het plaatje door. ‘Ja.’ Alsof ze me had zien staan, daar op de drempel. We zien elkaar niet vaak. Maar wanneer de lucht weer roze kleurt, denk ik vanaf nu ook aan haar.

STORM

IMG_5107 2

Vorige week donderdag viel er een boom op mijn ouderlijk huis. Dat dacht ik, tenminste. In realiteit bleken het er vijf. Er was niemand thuis. Ikzelf bevond me in een bunker van een tentamenzaal en ook mijn familieleden waren elders in het land.

In het bos is de wind niet te ontwijken. Haar krakend en zwiepend karakter, de onvermijdelijke klappen. Ze raast, verbuigt en echoot. Hout op staal, hout op cement, hout op hout. Takken door het dak. Wanorde in het woud.

In Utrecht zoek ik naar een bus, onder een staartje van de storm door. Hagel striemt scherp langs mijn gezicht, ijzige regen verlamt mijn voorhoofd. Na een kwartier is daar bus 74. Als sardientjes in blik: dampende lijven, de ramen beslagen, geen zicht.

(Lichte paniek mijnerzijds.)

Dan eindelijk de halte, volgens de vriendelijke maar mechanische omroepstem. ‘Witte. Vróúwen.’ Ik wring me naar voren, maar de deuren blijven dicht. ‘Hallo, mag ik eruit?!’ Mijn stem slaat over. ‘We zijn er nog niet.’ aldus de jongen naast me. ‘We staan voor een stoplicht.’

Eenmaal thuis komt de wind ons huis nog steeds binnen, in de vorm van een eindeloze stroom filmpjes. Wegwaaiende fietsen, wegvliegende daken, wegrollende mensen. Soms eigenlijk schandalig dat ik het grappig vind. Maar misschien is het ook eerder verbazing.

(Die man met de bladblazer uitgesloten. Je kan toch niet anders dan daarom lachen.)

Zondag ben ik bij m’n ouders en bekijk ik met eigen ogen de schade. Wortels die meters de hemel in steken, de lucht vol gaten. Een intense dennengeur hangt in de straten, alsof alles zojuist is schoongemaakt. Het past wel bij de mentaliteit. Tuinen worden geveegd, stronken omgehakt en weggesleept. Het land ontregeld, maar men regelt net zo hard terug.

IMG_5075 2

Foto’s met dank aan mijn lieve vader!