OVER DE GRENS (III) | WIL IK DIT WEL

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen. 

OVER DE GRENS (II) | HOE VER JE WILT GAAN

Met slechts een veeg van mijn wijsvinger rolde de wereld op alfabetische volgorde over mijn scherm voorbij. Australië, België – Zweden, Zwitserland. Ikzelf bevond me op een vertrouwde plek, aan de keukentafel van mijn ouders. Het was een grijze zondagmiddag, die ik normaliter was vergeten, ware het niet dat ik bezig was plannen te smeden: op zoek naar de stad waar ik een half jaar zou gaan studeren, gaan leven.

Ik zou jullie hier graag een prachtig verhaal willen vertellen over hoe deze keuze tot stand kwam. Dat ik al sinds m’n elfde gefascineerd was door dit en dat deel van zus en zulk land. Maar mijn keuzeproces was nu eenmaal niet zo romantisch. Het begon ook vrij negatief: ik besloot eerst te bepalen waar ik sowieso niet heen wilde. Hierbij was elke reden een juiste voor mij, hoe futiel die ook mocht zijn. Te ver, te koud, te onbekend, het waren allemaal geldige argumenten. Ergens knaagde dat wel: moest ik mezelf niet uitdagen door, ik noem maar wat, de universiteit van Guadalajara ook in overweging te nemen? Maar dan bedacht ik me weer hoe spannend ik het überhaupt vond om een halfjaar weg te gaan. Wat de bestemming betreft gunde ik mezelf iets comfortabels.

(Maar ik ging niet naar België – er zijn grenzen, hoor, dan kon ik net zo goed niet gaan.)

Per bestemming waren er verslagen beschikbaar van studenten die daar gezeten hadden. Ik heb er denk ik wel honderd gelezen en kwam tot een wensenlijstje. Zo ging ik het ook maar zien: als ik zou vertrekken, dan wel op mijn manier. Een ding wat ik al snel ontdekte, was dat voor een hoop studenten een uitwisseling gelijkstaat aan een halfjaar feesten. Velen hebben hun bachelor al gehaald en plakken daar nog een exchange aan vast, waarin het aantal behaalde studiepunten niet echt meer uitmaakt. Ook is het niveau van onderwijs in Nederland vrij hoog, en daarmee vergeleken, het niveau elders over het algemeen laag. Er is dus ook daadwerkelijk veel tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Ik vermoedde dat me dit na een maand wel tegen zou gaan staan – ik wilde naar een plek waar ik iets nieuws kon leren. Verder wilde ik de taal al spreken, liefst mijn Engels verbeteren in een land met veel native speakers. Ten slotte, geen gezeik om een kamer te regelen – je kunt nu eenmaal niet van tevoren even gaan kijken.

En misschien wist ik het sowieso al wel – waren deze eisen slechts een omweg, waarmee ik hoe dan ook bij mijn voorkeursbestemming zou eindigen. Met familie was ik een paar keer in de Verenigde Staten geweest. In 2017 had ik Colette bezocht, die een jaar de college life leefde in Virginia. Over de jaren was het gevoel ontstaan waar ik die zondagmiddag pas na een paar uur scrollen naar begon te luisteren: daar zou ik wel een paar maanden willen zijn.

Er was veel meer mogelijk dan ik dacht. Onder de noemer ‘Amerika’ stonden een aantal grote namen: universiteiten waarvan ik twijfelde of ik ervoor zou worden uitgekozen.   Top-20-scholen met één of twee plaatsen voor alle gegadigden uit Utrecht. Wat was dan de kans dat ik de gelukkige werd? Op dit moment moest ik mezelf weer terecht wijzen: ik wist het niet. De selectieprocedure was niet transparant, ik wist niets van mijn kans, dus moest ik me er ook niet door laten leiden.

En zo had ik uiteindelijk een shortlist vol prestigieuze universiteiten. Vervolgens deed ik wat ik altijd doe als ik voor een ingrijpende keuze sta: een excelsheet maken, met daarin alle opties en details. Van cijfereisen tot housing, van de sfeer in de stad tot het weer – om dit vervolgens allemaal te negeren en op mijn gevoel een keuze te maken. Wie hield ik voor de gek, het meisje dat altijd haar onderbuik aan het woord laat. De top drie was gemaakt.

Ik vertelde het aan iedereen. Even voor de duidelijkheid: ik wist nog steeds niet zeker of ik überhaupt op uitwisseling wilde gaan. Toch leek het me goed als zoveel mogelijk mensen van mijn plannen zouden weten – mocht ik nog terugkrabbelen, moest dat wel met een goede reden. Over mijn motivatiebrief deed ik een aantal dagen. De eerste opzet stond snel, maar wanneer ik mijn woorden teruglas, hoorde ik iemand anders praten. Het Engels was de oorzaak. Nog nooit eerder had ik ervaren hoe moeilijk het is om jezelf te zijn in een taal die niet als vanzelfsprekend komt. Maar de deadline naderde. Ik leverde mijn brief in en besloot tevreden te zijn. Nu was het aan iemand anders – uit mijn handen.

Binnenkort zal ik onthullen waar ik heen ga! Het is op dit moment nog niet honderd procent officieel, namelijk. Ik ben ‘conditionally approved’, zoals dat heet. Het is een bureaucratisch proces, zo’n uitwisseling. Daarover vertel ik nog wel een keer (officiële stempels, internationale pakketjes, vragen over eventuele strafbladen, dat soort zaken). Vast een tipje van de sluier: ik mag naar de plek waar ik het liefst heen wilde. 

GEVESTIGDE IDEEËN

Het werd wel tijd voor dit verhaal, deze kant van mij. Zeker vandaag: 8 maart, Internationale vrouwendag.

Ik las een artikel uit de Volkskrant, een opiniestuk tegen de invoering van een vrouwenquotum. ‘Vrouwen denken vaak dat als ze hun werk goed doen, ze vanzelf wel promotie maken. Maar zo zit de wereld niet in elkaar. De correlatie tussen vakdeskundigheid en het maken van carrière bestaat slechts in de eerste tien jaar van een loopbaan. Vrouwen die een topfunctie ambiëren, dienen zich te realiseren dat vaak een wat harde cultuur en ‘spel’ aan de top part of the game is. Je kunt kritiek, weerstand en conflictsituaties jezelf persoonlijk aantrekken, maar je kunt er ook zakelijk en instrumenteel mee omgaan. Humor, relativering- en incasseringsvermogen helpen hierbij.’

‘Maar zo zit de wereld niet in elkaar.’ Helaas, pas je maar aan. Deze wereld is niet voor vrouwen gemaakt.

Dagelijks wordt ons verteld wat het betekent om vrouw of man te zijn. Het zijn impliciete ideeën, die overal aanwezig zijn en het leven sturen. In te grote mate, als je het mij vraagt. ‘Waarom word je er zo kwaad van?’ wordt mij soms gevraagd. Sinds ik alert ben op deze ideeën, kan ik er niet meer omheen. Ze raken me, dagelijks, op kleine of grote schaal, en zo de helft van de wereld met mij. Daarbij denk ik, hoewel ik niet uit ervaring kan spreken, dat ook mannen beperkt kunnen worden door wat ‘mannelijkheid’ betekent.

Vrouw, denk om je uiterlijk. Wees glad, strak, glanzend. Maak er werk van, maar: niet te jeugdig, niet te zakelijk, niet te onpraktisch, niet te saai. Laat je vormen zien, behalve als je dik bent, trouwens – laat dan maar zitten. En houd het beschaafd, straks word je nog lastig gevallen. Man, besteed er niet te veel aandacht aan – niet te flamboyant. Zorg voor een sixpack en houd anders je shirt aan.

Vrouw, bind je, maak kinderen.

Vrouw,  hoezo kan je niet klaarkomen door penetratie? Dat is niet normaal. Als je geen zin hebt, dan maak je het maar – niet te veel, dat is raar. Man, presteer. Verover en win status.

Vrouw, denk om je houding. Hoe kom je over, neem niet te veel ruimte in. Beperk je volume, wees bescheiden. Man, markeer je terrein, anders ben je het kwijt.

Vrouw, stel je niet aan. Wat een hysterie, relativeer eens even. Man, ken geen angst. Verdriet, schaamte, ook liever niet. Verman je maar.

Vrouw, zeur niet. Het gaat toch goed zo. En anders, kom voor jezelf op dan, zeg er wat van. Vecht ertegen, het is jouw strijd. Speak up, maar niet te hard – het moet wel gezellig blijven.

Man, laat die wijven.

Man, toon je zeker, ga recht op je doel af. Vrouw, overweeg: is dit wel juist voor jou? Wat vindt de wereld hiervan? Weet je het zeker, kan een ander het niet beter?

Vrouw, lach eens. Het is toch maar een grapje, doe niet zo flauw. Niet kwaad worden nou, beheers je. Wees charmant, empathisch, teder. Man, sta op je strepen. Behaal de winst, betaal de rekening.

Vrouw, wees geliefd.

Man, wees gevreesd.

LICHT

Na een lange dag zocht ik mijn weg door de grootste fietsenstalling ter wereld. Een garage, mag ik wel zeggen, waar je achter digitale bewijzering aan kan rijden om een vrije plek te bereiken. Naar mijn idee bevinden ‘de grootsten der aarde’ zich in Dubai, in de VS of misschien in Amsterdam. Maar wat het parkeren van fietsen betreft gaat de eer naar Utrecht.

Na zo’n twee minuten rijden kwam ik bij de uitgang. Mijn voorlicht had ik vast aangezet, het was al donker buiten. ‘Zo, da’s fel!’ aldus de man bij wie ik uitcheckte. Hij zag vast honderden fietsen per dag, dus als hij het zei, moest het wel waar zijn. Ik dacht aan mijn vader.

De opvoeding die mijn ouders me hebben gegeven, zou ik niet als ‘streng’ bestempelen. Wel waren er duidelijke grenzen. Afval op de grond gooien was uit den boze, vond mijn moeder. ‘Geef maar aan mij,’ zei ze altijd als we onderweg waren. Ze zag je dan friemelen met een snoeppapiertje, smakeloos geworden kauwgom of ander troepje dat gemakkelijk op straat zou belanden. Ze wikkelde het in een papiertje en stak het in haar tas, tot een afvalbak zich zou aandienen. Haar grote handtassen werden toch al steevast tot ‘prullenmand’ gedoopt, gezien de hoeveelheid zooi die erin paste.

Mijn vader had een ander stokpaardje. Fietsverlichting stond bij hem hoog in het vaandel. Hij verving regelmatig ieders batterijen en drong erop aan dat mijn broer en ik ons zichtbaar maakten als we in het donker naar huis kwamen. Zelf zag ik het nut er niet zo van. ‘Ik zie die auto’s toch aankomen,’ zei ik dan. Dit veranderde toen ik zelf achter het stuur kwam te zitten. Combineer regen met schemer en een donkere jas – genoeg om je zo goed als onzichtbaar te maken.

Laatst had mijn voorlicht het volledig begeven (samen met mijn achterrem en versnelling – een stadsfiets heeft een zwaar leven). In mijn hoofd hoorde ik papa praten: ‘Dat moet je echt even laten maken.’ En dat deed ik. Een paar dagen later ging ik met m’n ouders eten in Utrecht. Ik kwam aanfietsen door een donkere straat, voor me liepen twee figuren. Hun silhouetten vertelde me dat zij het waren.

‘Hee!’ riep ik.

Mijn vader draaide zich om, LED-schijnsel viel op zijn gezicht.

‘Hee, onze kleine! Met licht!’

STADS

De fietsenmaker had geen pinapparaat en ik had geen fiets, dus liep ik afgelopen woensdag naar de ING-bank op de Nachtegaalstraat. Ietwat onwennig trok ik mijn briefjes uit de muur – wie doet er tegenwoordig nog aan pinnen? Op de terugweg sloeg ik een straat te vroeg rechtsaf. Wanneer je leeft zonder richtingsgevoel, ontdek je vanzelf dat dit je op verrassende plekken kan brengen. Ook nu ging ik er maar gewoon in mee.

Mijn misser bracht me in een knusse wijk, met smalle straten en lage rijtjeshuizen van rood baksteen. Er middenin stond een basisschool, die in Utrecht altijd aangekondigd worden met een reeks afwisselend rode en gele paaltjes. Er was geen sprake van een plein, dus de smalle stoepen stonden vol ouders die hannesten met fietszitjes en felgekleurde rugzakken. Er tussendoor schoten oudere kinderen, haastig op weg naar hun vrije woensdagmiddag.

Het was een herkenbaar tafereel, maar toch bestond er een groot contrast met mijn eigen ervaringen. Mijn basisschool stond op een groot terrein vlakbij een bos. Er waren struiken om je in te verstoppen, wortels om over te struikelen. Bomen om in te klimmen en weer uit te flikkeren. Er was zand en gras, er waren dorre bladeren en ontelbaar veel dennenappels. Onderweg kwam ik niet één stoplicht tegen.

(Het ene stoplicht dat het dorp telde, lag niet op mijn route.)

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in een stenen stad op te groeien. Leren fietsen tussen de gele bussen, die zelfs voor jou geen genade kennen; jij en je net-iets-te-grote-mensen-gazelle worden zonder pardon van de baan af getoeterd. Elke winkel is om de hoek, het park is je achtertuin. De bewakers van de coffeeshops werpen je vriendelijke knikjes toe terwijl je langs hen huppelt, broodtrommel in de hand. Op weg naar school kom je soms een plas braaksel tegen, waar je dan gedecideerd omheen loopt. In de Albert Heijn sluit je geregeld aan achter een stel twintigers in joggingbroek, op slippers. Zonder blikken of blozen rekenen ze twintig kratten bier af, samen met een lopende band aan chips. Je kijkt niet op of om van mensen zonder shirt, met groen haar, op blote voeten. Als vanzelfsprekend begrijp je welke straten te mijden. Het lukt je zwervers af te wimpelen, zonder schuldgevoel. Je weet al hoe wiet ruikt. Wat die slagroompatronen op jouw stoep doen.

Zo ben je achttien en heb je alles al eens gezien. Ik vermoed dat het zo gaat, althans. Ik denk het gemerkt te hebben, de afgelopen twee jaar – wie er uit de stad kwam. Iets grotere mond, wat minder bang. Geen ruimte of tijd voor twijfel.

Rond de zomer vierde de processierups hoogtij in Brabant. Van de ene op de andere dag waren alle eiken op het schoolplein met een wit weefsel omsponnen. Bomen als buitenproportionele suikerspinnen, minus de roze kleurstof. ‘Absoluut niet aanraken’, zo spraken de A4-tjes, die tegen de stammen geniet waren. ‘Je krijgt dan bultjes en die jeuken gruwelijk.’

Zo is kent elke jeugd haar eigen waarschuwingen.

OVER DE GRENS (I) | MITSEN EN MAREN

Binnen mijn studie is er de verplichting om ofwel stage te lopen, ofwel studiepunten te halen in het buitenland. Het eerste jaar gunde ik het mezelf die keuze voor me uit te schuiven, niet alvast naar een voorlichting te gaan zoals genoeg studiegenoten wel deden. Ik had het al druk genoeg met wegwijs worden op BlackBoard, uitzoeken hoe je een tweet moet vermelden in je literatuurlijst en de vraag hoe ik mijn ov-kaart kon koppelen aan het kopieerapparaat. Er was geen ruimte voor grote keuzes met bijbehorende overwegingen – zo hield ik mezelf voor.

Ik heb er namelijk wel een handje van om te stellen dat ik ergens niet over kán nadenken, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Volgens dat patroon vertoonde ik ook dit studiejaar keuzevermijdend gedrag, tot ik uiteindelijk ergens in oktober in de zaal belandde waar ik twee jaar eerder mijn studiekeuze had gemaakt. De tl-verlichting zoemde boven de hoofden van een bonte verzameling studenten, van kunstmatige intelligentie tot Keltisch, terwijl buiten de herfst haar intrede deed. Ongeveer een uur luisterde ik naar hoe mega-fantastisch-gaaf het wel niet was om een half jaar te spenderen in Roskilde, Timisoara of Nanjing. Dat was geen nieuwe boodschap, aangezien iederéén die terugkomt uit Lima, Lodz of Leuven je dat vertelt. Ik geloofde het alleen nog niet zo.

Met een onbestemd gevoel verliet ik de zaal. Het werd veroorzaakt door een redenatie die ik niet langer kon negeren. Als ik ik niet naar het buitenland had gewild, was ik nu al lang bezig geweest met het bekijken van stages. Dat was niet het geval en dus was er maar één mogelijke conclusie: ik wilde wel, maar ik durfde niet.

Ambitie en pessimisme gaan niet per se goed samen. Ik zou mezelf heus niet omschrijven als een negatief persoon, maar ik heb nu eenmaal geen aangeboren vertrouwen op de goede afloop. Tel daarbij op dat ik over veel dingen duizend keer nadenk, en je zal begrijpen dat ik nieuwe wegen veelal voorzichtig insla. Vroeger wilde ik liever niet eens beginnen, wanneer er een kans was dat iets fout zou gaan. Dat heb ik wel achter me gelaten. Gelukkig maar – anders had ik nu geen rijbewijs, geen leuke huisgenoten en had ik me nog steeds afgevraagd of ik niet toch naar de kunstacademie had moeten gaan. Nu kan ik die laatste vraag met een empirisch verkregen ‘nee’ beantwoorden, en daar ben ik erg blij mee.

Ook bij dit besluit moest ik mijn blik niet laten vertroebelen door mitsen en maren. Hoe ging ik een fijn huis vinden op mijn bestemming? Wat als ik niet mee zou komen op het niveau daar? Wat als het juist heel makkelijk was en ik me een half jaar suf zou vervelen? Wat als ik me alleen, overweldigd, verdrietig zou voelen?

Wat als ik terug zou willen.

Stuk voor stuk voor stuk vragen waar ik vanuit Nederland geen antwoord op ging vinden. En dus plande ik na mijn tentamens een dag waarop al die gedachten niet mochten bestaan. Met lichte zenuwen opende ik de digitale lijst met alle 560 uitwisselingsbestemmingen, om uit te zoeken waar een zorgeloze versie van mij het liefst heen zou gaan.

Een nieuwe serie! Waar mijn vrienden, collega’s en studiegenoten zich fluitend over de hele wereld lijken te verspreiden, was dat voor mij nog wel even een dingetje. Maar naar alle waarschijnlijkheid ga ook ik Nederland voor een paar maanden verlaten. Ik wilde graag schrijven over de weg ernaartoe, al was het maar omdat het voor mezelf verhelderend werkt. Volgende week meer over het keuzeproces, excel-sheets en motivatiebrieven.

LIEVE MENSEN

‘Heeee moppie/lieverd/dushi/schatje/schattie/babe/lieffie/liefje/

lieverd/muppie/scheetje/schattepatat/mopje/dotje/honey/

baby/lieve schat.’

Zomaar een paar manieren waarop ik je zou kunnen begroeten, mocht je tot mijn directe vriendenkring behoren. Noem het niet nep, want zo’n titel moet je verdienen. Dat wil zeggen, je moet mij het vertrouwen geven dat je me niet raar aan zal kijken als ik je ‘moppie’ noem en je een knuffel geef als ik je tegenkom.

In Londen verwelkomt de taxichauffeur je met ‘love’, in Amsterdam mag je al tevreden zijn als diegene je bestaan überhaupt erkent. In Frankrijk begroeten echtgenoten, vrienden, maar ook buren en verre kennissen elkaar met een zoen. Waar een Amerikaanse ‘I love you’ haast niets meer waard is, kan een Hollandse ‘ik hou van jou’ een prille relatie maken of breken. Zo’n twee jaar geleden zat ik eens een nacht vast op het vliegveld van Atlanta. Alle balies waren gesloten, via de aanwezige telefoon probeerde ik iets te regelen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg had met me te doen. ‘I’ll get you home, sweety.’ Ik kon wel janken, zo lief.

(Al kan ik niet uitsluiten dat slaapgebrek hierbij ook een rol speelde.)

In het leven van alledag is er niet altijd ruimte voor affectie. Vooral binnen een professionele sfeer vind ik het puzzelen. Het bedrijf waar ik werk is non-hiërarchisch en praktisch al mijn collega’s zijn student. Toch noem ik hen geen ‘lieverd’ en begroet ik ze niet met een knuffel. Hoe dan wel? Een hand is raar, behalve wanneer je je voorstelt. Van high fives krijg ik soms de kriebels en soms de slappe lach. Vooralsnog houd ik het bij een welgemeend ‘Goedemorgen!’, op enige afstand.

Bij de leerlingen in mijn klas hanteer ik een andere aanpak, vanuit didactisch-pedagogisch oogpunt. Geïnspireerd door een van mijn eigen docenten, spreek ik hen graag aan met ‘lieve mensen’. Om de aandacht te krijgen werkt dat sowieso erg goed. Daarbij zíjn het ook vaak lieve mensen. Bij voorbaat ga ik daar altijd vanuit, tot het tegendeel bewezen wordt – en dat gebeurt nooit. Ik geloof dan ook in de geheime kracht van dit soort woorden – hoe kan je je nou mogelijkerwijs misdragen tegenover iemand die je net als ‘lief’ heeft bestempeld? Dat resulteert in cognitieve dissonantie en daar is een mens nauwelijks tegen bestand.

(Bovendien stoot je met ‘lieve mensen’ niemand voor het hoofd. In een werkcollege ontstond laatst de discussie of het nog wel gepast was om een groep (voornamelijk vrouwelijke) studenten aan te spreken met ‘jongens’.)

(Zelf zit ik bij mannen dan weer vaak in dubio. Ik wéét gewoon dat sommigen ongemakkelijk worden van een ‘schat’ of ‘dushi’. Anderzijds – ik ga je niet níét zo noemen, alleen omdat je toevallig een man bent.)

Uiteindelijk gaat het allemaal om intentie. Een twijfelend schouderklopje is ongemakkelijk, een welgemeende omhelzing misschien onverwacht, maar wel ontwapenend. Soms kan je zelfs op de werkvloer niet ontkennen dat enige genegenheid op z’n plek is.  Een tijd terug voerde ik een afsluitend gesprek na een opleidingstraject dat ik gevolgd had. De trainer waar ik veel mee had gewerkt was erbij aanwezig. In een paar maanden had ik een aantal onzekerheden blootgelegd en aangepakt, mede met haar hulp. Nu zat ze trots tegenover me. De vraag die ze me op het einde stelde voelde dan ook heel logisch: ‘Mag ik je even knuffelen?’

RICHTING

Afgelopen weekend was ik in Eindhoven om een verjaardagscadeau uit te zoeken. Bij de Bijenkorf dronk ik op de tweede koffie (thee) met m’n moeder, daarna daalden we af naar de damesmode op de eerste verdieping. Ongeveer een minuut liep ik rond tussen de nepsneeuw en afgeprijsde kerstglitterjurken, toen het gevoel me bekroop dat ik verdwaald was. Niet écht – ik wist heus wel waar ik was en kon over de rekken heen de winkel overzien. Het was eerder alsof alle merken verplaatst waren en ik me er daardoor niet op een vanzelfsprekende manier tussendoor kon manoeuvreren. Na nog eens twee minuten onrustig ronddolen viel mijn blik op de roltrap en bedacht ik me: ik ben van boven gekomen. Meestal kom ik vanaf de begane grond deze verdieping op. De roltrap kwam nu uit aan de andere kant en daarom was ik in de war. Toen ik dat besefte, klopte de wereld weer en kon ik verder met mijn leven.

Dat ik geen richtingsgevoel heb, is geen nieuws voor mij. Ik gedij bij kaarten, omschrijvingen en apps – met intuïtie kom ik nergens. Waar andere mensen blijkbaar over een gave beschikken om zich als vanzelfsprekend van A naar B te verplaatsen, moet ik er altijd hard over nadenken. Ik moet een stad of gebouw actief begrijpen, dan pas kan ik er iets mee. Dat is ook de reden waarom ik in Brabant niet zo ver kom en in Utrecht wel. In Eindhoven heb ik van kinds af aan achter anderen aangehobbeld die wel de weg wisten. Mijn studentenstad heb ik zelf leren kennen en kan ik visualiseren als een kaart in mijn hoofd, waarop ik mijn routes kan uitstippelen.

(Zo ontdekte ik dat de singels een – nogal misvormd – hartje vormen, wat zeker helpt in het proces.)

In de kerstvakantie las ik de autobiografie van neuroloog Oliver Sacks, een wijze man die met veel liefde over zijn patiënten schrijft. Nieuwsgierig naar meer begon ik aan zijn boek ‘De man die zijn vrouw voor een hoed hield’. Hierin beschrijft hij patiënten met de meest bizarre aandoeningen. Een man die zijn eigen linkerbeen niet meer herkent en dit vreemde been ’s nachts steeds uit bed duwt (met alle gevolgen van dien). Een man die gezichten ziet in voorwerpen en voorwerpen in gezichten. Een vrouw die van de ene op de andere dag in elkaar zakt en haar lichaam alleen nog rechtop krijgt wanneer ze het constant met haar ogen in de gaten houdt. Sacks bespreekt hierbij het begrip ‘proprioceptie’. Hij noemt het ook wel het zesde zintuig. Het is de ervaring van het eigen lijf, dat we weten waar het materiële ‘ik’ begint en waar ‘de rest’ eindigt. Met deze proprioceptie houden we ons lichaam constant (maar onbewust) overeind.

Na het voorval in de Bijenkorf bedacht ik me: zou ‘richting’ eigenlijk ook zo’n verborgen zintuig zijn? Een onbewust kompas dat in ieders lijf aanwezig is, maar dat bij mij kuren vertoont? Het kan toch niet zo zijn dat enkel onze hersenen ons richting geven. Ook gedachteloos komen we vaak op de juiste plekken terecht. Denk aan het moment dat je een winkel uitloopt en direct de goede kant uitslaat om je weg te vervolgen.

(Ook bij vrienden en familie is mijn gebrek aan richting bekend. Mensen die met mij gaan winkelen hebben dan ook de neiging op me te letten wanneer ik een pand verlaat, om me vervolgens liefkozend uit te lachen, wanneer ik vol vertrouwen de verkeerde kant op loop.)

Ik stel me voor dat het zo rond je navel zit, die richting, als een magneet die je de goede kant op gidst. Het zou goed nieuws voor mij zijn, aangezien de polen van een magneet gewisseld kunnen worden. Misschien staat die van mij al jaren verkeerd ingesteld. Tot dat opgelost is, moet ik het van mijn hersenen hebben. Pas als ik actief en bewust visualiseer, kan ik de ruimtelijke oriëntatie van plaatsen ten opzichte van elkaar snappen en zo de wereld tot een logisch geheel denken – voor zover dat vandaag de dag nog mogelijk is.

MENINGEN OVER BESLUITEN OVER IDEEËEN

In de categorie ‘onvoorziene bijkomstigheden van het studentenleven’: vergaderingen. Je gaat in clubjes en subjes en commissies en die organiseren dingen, en daar moet over gepraat worden – blijkbaar. Nooit geweten, maar inmiddels heb ik er ongeveer twee per week. Ze gaan gepaard met een eigen lingo: er is een wezenlijk verschil tussen een mededeling, actiepunt en agendapunt, om van alle afkortingen nog maar niet te spreken. DOO, FOO, FB, WH, WVTTK, aapje, OER, OC. Je wil niet de hele tijd die Truus met vragen zijn, dus werp je soms slechts een vragende blik over tafel in de hoop dat iemand het signaal begrijpt. Soms laat je het en raak je de draad kwijt. Na een maand ontdek je dat je al het jargon hebt overgenomen, wanneer je een huisgenoot eens vertelt over zo’n bijeenkomst en die je verward aankijkt.

Globaal ben ik drie soorten vergaderingen tegengekomen.

De vergadering met wijn. Na het avondeten – rond een uur of halfnegen verzamelen we in iemands woonkamer of keuken, maximaal knus op een ingezakte bank of als je laat bent, een bierkrat of een kruk. De vergadering is binnen deze groep een noodzakelijk kwaad – we zien elkaar liever in de kroeg, maar we willen nu eenmaal met elkaar naar een festival, glow-in-the-dark-midgetgolfbaan, of op reis en dus moeten er besluiten worden gemaakt. Wel stellen we dit zo lang mogelijk uit door eerst een uur in het luchtledige te praten. Dan hakt er iemand de knoop door: die moet over drie kwartier naar huis, de scriptie wacht morgenvroeg, dus misschien toch maar beginnen.

Een rondje ‘hoe gaat het’, want daarvan waren we nog niet op de hoogte. Eén iemand probeert middels een wiebelige laptop-op-schoot-constructie te notuleren, terwijl die zich continu afvraagt: moet ik dit wel allemaal opschrijven? Dan zijn er twee scenario’s. Een: het besluit wordt in vijf minuten genomen en iedereen bevraagt het bestaansrecht van de vergadering, maar soit, gezellig was het in ieder geval. Twee: het duurt lang. Iedereen vindt hetzelfde, maar toch weer net iets anders. De wijn raakt op, de notulist valt in slaap. We benoemen meermaals hoeveel we van elkaar houden, maar een meer praktische conclusie blijft uit, zo blijkt een week later uit de notulen. Er is geen sprake van een gedefinieerd einde, aangezien de bijeenkomst ofwel organisch overloopt in een feest, ofwel ophoudt wanneer een bepaalde mate van beschonkenheid is bereikt.

Dan de officiële vergadering, in mijn geval vanuit de universiteit. Officiëler dan de rest is het niet per se, maar zo voelt het wel aan, vanwege de statige zaal die is afgehuurd en de thee en koekjes die er bij binnenkomst al staan. Het voelt voor mij steevast als kantoortje spelen. Er is teveel ruimte voor het aantal mensen, te weinig tijd voor de hoeveelheid gepraat. De stoelen zijn groot en ik voel me klein.

Deze vergadering gaat over ideeën en over meningen over ideeën en meningen over besluiten over ideeën. De input wordt meegenomen of doorgegeven of overwogen, maar het is niet altijd even duidelijk wat dat betekent. Dat het lang duurt voordat er echt iets verandert, zoveel is zeker. Ik vind het nog moeilijk aan deze vergadering iets bij te dragen. Wie heeft er nou een boodschap aan wat ik vind, tussen al deze Serieuze Mensen, als radartje in dit grote geheel? Deze gedachte is niet behulpzaam wanneer ik wél iets aan wil kaarten. Naar mijn standaarden klink ik onzeker. Ik eindig mijn pleidooi met: ‘Het is maar een idee.’

Ten slotte de hyper-efficiënte bijeenkomst. Elke week komen we op een vast tijdstip samen. We kennen elkaar van de studie, maar ook niet uitermate goed. De ervaring leert dat deze vergadering in de ochtend moet, want dan is er de minste kans op colleges. Meestal lig ik tot een half uur voor tijd nog onder de dekens, om met mijn ontbijt in de hand richting de faculteit te lopen.

(Fietsen duurt langer, want ik kan ‘m daar nergens kwijt.)

De agenda wordt strikt nageleefd. Bij elk punt doet er één haar zegje, de rest geeft antwoorden van het type ja/nee/oké. Soms een beknopte ‘mits’ of ‘maar’. Het betreft concrete zaken: wat gaan we die-en-die terugmailen, wat is er met die klacht gedaan, wat voor post zetten we op de Facebookpagina. Aan het einde van elke agenda prijkt een foto van een egel, steeds met ander thema. (Egel in een ijshoorntje, egel in een theemok, egel omringd door herfstblaadjes.) Voorzitter Jolijn is fan van egels. Zo simpel kan het zijn.

Als ik vroeger aan mijn vader vroeg wat hij op zijn werk gedaan had, was zijn antwoord dat hij de hele dag in de kring had gezeten. Ik vond dat een grappig idee: een stel mannen in pak op kleine stoelen, bedoeld voor kinderen tussen de vier en zes jaar, zoals mijn dag in de kleuterklas steevast begon. Toen kon ik me niet voorstellen waar je zo lang over zou praten. Inmiddels lukt dat me aardig, maar mijn voorkeur heeft het niet. Laat mij maar dingen doen.

STEL JE VOOR

Het is de eerste maandag van het collegejaar en ik heb een goede plek in de bieb bemachtigd. (Klinkt misschien fanatiek, maar thuis ben ik gewoon echt niet productief.) Een Remi-tafeltje: links van me rijen boeken, rechts een raam. Op het plein waarover ik uitkijk, wemelt het van de eerstejaars en hun begeleiders. Ik bekijk de onvermijdelijke spelletjes, de ongemakkelijke gesprekken die met zo’n start gepaard gaan. Voor mij wordt dit het derde jaar, maar het eerste waarin ik niet aan het begin van iets sta – ik zit er eindelijk middenin.

Het is te merken aan het aantal gezichten dat ik herken. Waarvan moet ik soms raden. In een andere context dan waar je hen van kent, zijn mensen sowieso lastiger te plaatsen. Studie, UIT-week, vorige opleiding, thuis-thuis, zusjes en broertjes van, het loopt allemaal door elkaar. Laatst kwam ik op mijn vereniging een jongen tegen die ik examentraining had gegeven. Dat besef duurde even, maar zijn naam wist ik meteen.

(En hij had het dus gehaald.)

Diezelfde trainingen zijn ook de reden dat ik het beter onthoud. Elk weekend zo’n twintig nieuwe namen, die je binnen een uur of twee dient te kennen – wel zo aardig. Daarbij is het een heel effectief instrument: je moest eens weten hoe speciaal mensen het vinden als je hun naam weet. Gek eigenlijk – het is niet bepaald een geheim, maar toch heeft het iets intiems wanneer jouw vijf, zes letters over de lippen van een ander rollen.

Mijn ‘ik’ bestaat ook in verschillende contexten. Op mijn studie ben ik een enthousiaste streber met een druk leven, en daarom bij de studiestichting de grote afwezige. Bij Histos vaak als eerste naar huis, thuis luisterend oor en schoonmaakdraak, bij mijn vriendinnen sentimenteel bommetje en maker van vileine grappen. Op mijn werk perfectionist, niet-bèta, bloemetjesjurkjesdrager. Je gaat je er vanzelf naar gedragen – de verwachtingen die er zijn, of waarvan jij verwacht dat ze bestaan.

In al die contexten is er een tweedeling te maken. Ten eerste, daar waar ik er vanuit ga dat men mij ook wel kent. Waar ik tegen iedereen hoi durf te roepen, omdat ze hoe dan ook zullen teruggroeten. Ten tweede, daar waar ik vrijwel zeker weet dat de ander mij vergeten is. Dit terwijl zijn of haar naam wel op mijn tong klaarligt om uit te spreken. Waar mijn ‘hoi’ een pijnlijke dood sterft terwijl de ander me wazig aanstaart. Je hoort ze denken: ken ik haar?

En je dan voor de vijfde keer voor moeten stellen.

‘Hoi, ik ben ‘Jongensnaam’.’

(Ja, vriend, dat weet ik. Dat heb je me de vorige keer ook al verteld. En de keer daarvoor. Ik heb verdomme laatst twee uur tegenover je in de bieb gezeten. En als je ook maar even de moeite had genomen me langer dan drie seconden aan te kijken, zou jij dat ook weten.)

‘Oh hoi, ik ben Milou.’

En dan in zijn ogen zien dat hij het meteen weer is vergeten. Vroeger had ik dat heel vervelend gevonden, tegenwoordig kan het me minder schelen. Het zit ‘m niet in mijn naam – ik ben niet de duizendste Anne of Daan, maar ingewikkeld is ‘ie ook niet. En dat is ook maar het label. Het gaat om die drie seconden die je neemt, om een ander even recht in de ogen te kijken. Om te laten doordringen dat diegene een bestaand persoon is met een eigen leven en een eigen verhaal. Of niet, dus. Jammer voor diegene, die nooit zal weten hoe drakerig, vilein of aardig ik kan zijn.