FANTASIE

Ik schrijf wat ik weet. Over mijn eigen gedachten, gebeurtenissen uit mijn leven. Ik krijg daar regelmatig vragen over – is dat niet eng, zo privé? Voor mij steekt het anders in elkaar. Want wat je ook van mijn stukjes vindt – ze zijn waar. Dat vind ik een fijn idee.

(Oké, laten we zeggen, voor tachtig procent waar. Ik gun mezelf enige artistieke vrijheid.)

Vorige week schreef ik een verhaal waar ik veel reacties op kreeg. (Je kan het hier lezen.) Was dat echt zo gegaan? Het leek wel fictie! Ik heb veel nagedacht over waar ‘m dat in zat. Uiteindelijk wist ik het: de personages. De ene was ik, de ander was Bas: een mij compleet onbekend gast die ik midden in de nacht tegenkwam. Hem durfde ik wel mijn verhaal in te slepen. Ik kwam hem vast niet meer tegen en hij zou het al helemaal nooit lezen.

(Er werd een kleine zoektocht gestart, maar vooralsnog geen enkel spoor.)

Dat is anders vaak een probleem. Ik ken genoeg grappige, gekke of interessante mensen over wie ik kan schrijven – maar dat is niet altijd aan mij. Het is niet aan mij hen te citeren, hen als personage neer te zetten om in mijn verhalen te figureren. Dus laat ik het, en blijven ze vaak naamloos op de achtergrond. De verhalen over andere mensen, over hun gevoelens, levens, gedachten, blijven zo onverteld.

In dat opzicht is het handiger gewoon alles te verzinnen.

Slechts de helft van wat ik schrijf, komt hier terecht. De rest verdwijnt in een map diep in mijn laptop, genaamd ‘hier mag je echt niet in kijken nee nee nee serieus maar echt niet doen’. Het bevat documenten vol onsamenhangende scenes,  fictieve stukken die ik waarschijnlijk nooit zal delen. Verhalen die spelen in een wereld zoals ik die voor me zie, met geen enkele verplichting naar de realiteit. Want dat vind ik dan privé: mijn fantasie. Mijn fantasie en de mensen, plaatsen, zinnen die eraan ontspringen.

Ergens is het raar, dat juist de verhalen die niet over mij gaan, zo persoonlijk voelen dat ik ze niemand ooit laat lezen. Verbeelding is een vreemd fenomeen, een mengeling van onbewuste gedachten, herinneringen, ideeën. Dat mensen daar iets van zullen gaan vinden, houdt me tegen. Met fictie valt het enige argument weg dat mij helpt wanneer ik twijfel over een verhaal: wat je er ook van vindt, zo is het nu eenmaal gegaan.

BAS

fullsizeoutput_eb6

Het was zo diep in de nacht dat het al bijna ochtend was, toen ik de weg overstak. ‘Mag ik je wat vragen?’ Twee jongens stonden aan het begin van mijn straat. Ze leken op elkaar: blond, blauwe ogen, niet bang om te doen alsof de wereld van hen was. ‘Heb je misschien een sigaret voor mij?’

Ik stapte af. ‘Nee,’ zei ik, maar mijn hese stem sprak dat tegen. Ik lachte. ‘Ik rook niet, al klinkt dat nu niet zo.’ Of ik misschien wist waar hij een pakje kon halen. Ik raadde hem de snackbar aan waar ik net vandaan kwam.

‘Wil je samen gaan?’ Zijn uitdrukking verraadde geen spoortje sarcasme. Ik dacht te weten wie hij was: haren naar achteren, brutaal genoeg om onophoudelijk mijn ogen in te staren, om zonder woorden de verwachting uit te spreken dat ik met hem mee zou gaan.

(Natuurlijk ga je niet met hem mee, Milou. Ben jij gek, je hebt toch wel wat beters te doen. Slapen, bijvoorbeeld. Laat die jongen lekker zelf zijn peuken halen, dat kan hij best alleen.)

Dus ik zei ja.

Voor ik het wist sprong hij bij me achterop. Zijn vriend bleef waar hij was. En zo fietste ik met een jongen op mijn bagagedrager het centrum weer in. Zijn naam was Bas.

(Noem het raar, een verkeerde beslissing – geëmancipeerd was het wel.)

‘Ik ga je vijf vragen stellen. Is dat goed?’

Ik knikte.

‘Heb je een vriend?’

Na vraag één bleek dat hij meer wilde vertellen dan hij wilde weten. Hij moest wat kwijt over de meisjes in zijn leven. ‘Ik slaap met ze, en daarna willen ze allemaal dat we blijven appen. Daar ben ik gewoon slecht in. Als ik je echt wil spreken, bel ik je wel op.’

Ik begreep het, maar moest het toch voor mijn stadsgenotes opnemen. ‘Jij wil seks en verder niks, toch? Dat kan, maar zeg dat dan. Daar kunnen ze heus wel tegen. Liever een nee dan stilte.’

‘Het is bot, dat weet ik.’

Hij leek wel blij met wat onafhankelijk vrouwelijk advies. Voor mij hoefde hij geen schijn hoog te houden – ik wilde niets van hem, hij niets van mij.

(Dacht ik. Lekker naïef, maar daarover zo meer.)

Hij zat bij het corps. Of ik dat erg vond.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Al die verhalen en zo.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Jij liever dan ik. Maar ik ken genoeg leuke mensen die erbij zitten.’

‘Had je het van mij gedacht?’

‘Ja.’

‘Oh.’ Het klonk bijna teleurgesteld.

‘Jij ziet eruit als een hippie,’ kaatste hij terug. Ik schoot in de lach. ‘Wat?’ Snel analyseerde ik wat ik aanhad. Spijkerbroek, zwart shirtje – en mijn kroegjas. Laatst nog gewassen, maar toch niet het toppunt van charmant.

We staken Janskerkhof over, liepen twee snackbars langs tot ze bij de derde nog voor ons open deden. Hij haalde zijn sigaretten uit de automaat, ik stond er wat verloren naast. ‘Mag ik ook nog een lolly van je?’ vroeg hij aan de man achter de toonbank. Die antwoordde met een instemmende zucht – hij had het gehad voor vannacht. Bas deed een graai in de pot.

Terug gingen we te voet, mijn fiets aan de hand. Met de aansteker van een tegenligger stak hij een peuk op. Hij inhaleerde tevreden en gaf een tweede aan mij. Wat dacht ik, dit kan er ook nog wel bij. Ik nam een hijs.

‘Wat rook je grappig.’

Ik hoestte en liet de sigaret vallen. Hij lachte en gaf me de lolly uit zijn broekzak.

We waren weer bij de stoep waar ik hem ontmoet had. Er fietste een vrouw langs, ik vermoed op weg naar de eerste trein. Hij haalde de sigaretten tevoorschijn. ‘Heeft u misschien een aansteker?’ vroeg hij terwijl ze op ons af kwam. Ze schonk hem geen aandacht en reed door.

‘Voelt een vrouw zich dan aangevallen?’

‘Op dit tijdstip kan je dat beter laten, ja.’

Hij knikte. We stonden tegenover elkaar, ik leunend op mijn fiets, hij weer met die blauwe ik-weet-van-niets-blik. ‘Kom je mee naar binnen?’ Hij wees naar drie huizen verderop.

‘Wie is er binnen?’

‘Mijn vrienden en ik.’ Ik keek omhoog. Op de bovenste verdiepingen brandde nog licht, maar niet voor mij, zo besloot ik. ‘Ik wil je graag zoenen.’ Het klonk aandoenlijk, alsof hij eigenlijk wel wist dat ik ook dat aanbod af zou slaan.

‘Ik ga.’

‘Wel bedankt dat je me hebt gebracht. Echt lief.’

‘Weet ik,’ zei ik met een glimlach.

Toen ik thuiskwam lag de krant al op de mat.

fullsizeoutput_eb5

OPEENS WAS ALLES ROZE

fullsizeoutput_e8a

De lucht lokte me naar buiten vanavond. Vanachter mijn laptop zag ik de dag starten, de lantaarns uitgaan, de zon draaien en weer verdwijnen achter de huizen aan de overkant. De lantaarns weer aan. En opeens was alles roze.

Een blauwe lucht verraadt zich middels een frisse morgen, een storm kondigt zich vaak onheilspellend aan. Maar wanneer de schemer roze zal zijn, daar valt geen pijl op te trekken. Juist dat maakt het zo fijn. Dat je niet weet hoe het komt, of hoe lang het zal blijven. Er zullen heus wel theorieën over zijn. Zelf heb ik liever dat de wereld af en toe een beetje magisch is. Alsof daarboven een potje pastelverf is omgegooid. Alsof iemand me wil zeggen: kom nou éven naar buiten.

Het maakt een doorsnee dag het herinneren waard. Het lukte nauwelijks de pracht ervan waarheidsgetrouw vast te leggen, dus moest ik zelf zien te onthouden hoe mooi het precies was.

Desondanks deed ik een poging – ik stond er toch, daar in de deuropening. Ik wilde het roze boven me voelen stralen, haar kou door mijn neus naar binnen laten kruipen terwijl ik ademde. Een paar foto’s, de boodschappen en toen was de wereld weer blauw.

Eenmaal thuis had ik bericht van m’n nichtje. ‘Heb je een roze lucht voor ons?’ Met een glimlach stuur ik het plaatje door. ‘Ja.’ Alsof ze me had zien staan, daar op de drempel. We zien elkaar niet vaak. Maar wanneer de lucht weer roze kleurt, denk ik vanaf nu ook aan haar.

STORM

IMG_5107 2

Vorige week donderdag viel er een boom op mijn ouderlijk huis. Dat dacht ik, tenminste. In realiteit bleken het er vijf. Er was niemand thuis. Ikzelf bevond me in een bunker van een tentamenzaal en ook mijn familieleden waren elders in het land.

In het bos is de wind niet te ontwijken. Haar krakend en zwiepend karakter, de onvermijdelijke klappen. Ze raast, verbuigt en echoot. Hout op staal, hout op cement, hout op hout. Takken door het dak. Wanorde in het woud.

In Utrecht zoek ik naar een bus, onder een staartje van de storm door. Hagel striemt scherp langs mijn gezicht, ijzige regen verlamt mijn voorhoofd. Na een kwartier is daar bus 74. Als sardientjes in blik: dampende lijven, de ramen beslagen, geen zicht.

(Lichte paniek mijnerzijds.)

Dan eindelijk de halte, volgens de vriendelijke maar mechanische omroepstem. ‘Witte. Vróúwen.’ Ik wring me naar voren, maar de deuren blijven dicht. ‘Hallo, mag ik eruit?!’ Mijn stem slaat over. ‘We zijn er nog niet.’ aldus de jongen naast me. ‘We staan voor een stoplicht.’

Eenmaal thuis komt de wind ons huis nog steeds binnen, in de vorm van een eindeloze stroom filmpjes. Wegwaaiende fietsen, wegvliegende daken, wegrollende mensen. Soms eigenlijk schandalig dat ik het grappig vind. Maar misschien is het ook eerder verbazing.

(Die man met de bladblazer uitgesloten. Je kan toch niet anders dan daarom lachen.)

Zondag ben ik bij m’n ouders en bekijk ik met eigen ogen de schade. Wortels die meters de hemel in steken, de lucht vol gaten. Een intense dennengeur hangt in de straten, alsof alles zojuist is schoongemaakt. Het past wel bij de mentaliteit. Tuinen worden geveegd, stronken omgehakt en weggesleept. Het land ontregeld, maar men regelt net zo hard terug.

IMG_5075 2

Foto’s met dank aan mijn lieve vader!

RUIS

img_1119.jpg

Op de achtergrond waartegen ik besta is altijd iets gaande. Ik lig in bed met de tv aan, laptop op schoot, telefoon in mijn hand. Netflix sust me in slaap. Op de fiets is er muziek. Tijdens het studeren speelt er een YouTube-filmpje van veertig minuten, of een serie die ik al vier keer heb gezien – ik houd mezelf voor dat het zo beter gaat, maar dat is natuurlijk niet waar. Om nog maar niet te spreken van de zaken die voorbijkomen wanneer dit een uur of twee zo doorgaat. De wegen van YouTube zijn ondoorgrondelijk, en die automatische playlists voeren je verder het internet in dan je ooit zou willen. Zit ik opeens naar een Britse oudejaarsquiz te kijken – uit 2012, welteverstaan.

Er staat dus altijd iets aan – alsof ik mijn eigen gedachten niet wil horen. En dat is ook wel eens waar. (Ik moet die en die nog mailen, nog drie cadeaus regelen, wanneer ga ik sporten, hoeveel geld staat er op mijn rekening, had ik dat niet moeten zeggen, ga ik die deadline redden, gaat hij mij appen of ik hem, waar ben ik eigenlijk allemaal mee bezig – enzovoort.) Soms prefereer ik de sores van Phil Dunphy om me druk over te maken.

Het brengt me niet altijd verder, die ruis in mijn oren. Voor het meest ware is stilte nodig. Zonder tussenkomst van songteksten of bedenkingen, niets wat kan verstoren mijn gedachten de wereld in te gooien, om daar de lucht te laten trillen.

Maar ik kan het wel verklaren. Vroeger kon ik het allerbeste slapen wanneer beneden de stofzuiger tekeerging. Wanneer het feest was, maar ik op enig moment toch naar bed moest gaan. Schrapende stoelen, rinkelende glazen, stemmen die gedempt de eerste verdieping bereikten. En ook terwijl ik dit stukje schrijf in een hoekje van de kamer, ruist er van alles om mij heen – getik, geklets, stappen op de trap. Zo vertelt het geluid me dat, wanneer ik terugkom uit mijn hoofd, er daarbuiten altijd nog iemand is.

SLAAPSTAND

Na twee weken in tropisch klimaat ga ik er bij terugkomst stug vanuit dat de lente wel ingezet zal zijn. Dat blijkt een prima recept om dag na dag enigszins teleurgesteld wakker te worden, bij het zien van… Niks. Buiten slechts duisternis, het eerste licht van de dag is noodzakelijk kunstmatig. Ze zeggen dat je ’s avonds niet meer op je telefoon moet kijken vanwege het blauwe schijnsel, maar zo’n artificiële bak lumen op de vroege morgen doet volgens mij ook geen mens goed.

Ze zijn te plots, deze winterse ochtenden. Het contrast tussen donker en licht, warm en koud, het is simpelweg te groot. Het idee mijn benen onder de dekens uit te moeten steken, mijn ijsklompjestenen op het parket, vervult me met weerzin. Het liefst zou ik mezelf tot een bolletje oprollen, het leven voor nader te bepalen tijd begrenzen met die dekens, waarbinnen alles zacht en eenvoudig is.

Soms is dat hoe het gaat. Mijn lichaam stapt uit bed, maar in mijn hoofd brandt slechts een waakvlam. Ik sta op slaapstand, weinig ontvankelijk voor de wereld om me heen. Het uit zich in koude handen, klappertanden en een sjaal annex deken die ik overal met me meesleep. Een morgen gevuld met rillingen en knikjes, terwijl ik cirkel door mijn gedachten.

Er is maar één remedie, namelijk doen wat ik dan het allerminste wil: bewegen. Rennen, trekken, duwen en trappen tot het vuur haar weg tot mijn wangen weer gevonden heeft. Daarna douchen. Heet. Het water die gedachten laten meenemen tot ik weer mijn lijf ben, de duisternis in het putje laten verdwijnen. Terug in de realiteit, waar ik weet dat het gauw weer de zon zal zijn die ’s ochtends door mijn gordijnen komt kijken.

Beetje duister stukje, maar met mij alles prima! Na tien uur ’s ochtends al helemaal.

INGEHAALD DOOR TIJD

Het jaar begon doorweekt op een parkeerplaats. Een tropische regenbui overviel ons op weg naar 2018. Het was zwemmen-met-kleren-aan-regen, we-doen-hier-niets-tegen-regen en zo liepen we om half twaalf haastig door de uiteen geweken menigte naar huis.

De weg was rustig, enkele mensen verplaatsten zich nog vluchtig naar hun bestemming.  Als het ene jaar het andere wordt, wil je tenminste zelf nog op één plek zijn. (Het is tenslotte al verwarrend genoeg, dat concept van tijd en ruimte en dat de aarde draait en dat het bij de één al een ander jaar is.) Je wil dat het klopt wanneer de klok slaat, al je geliefden bij elkaar en dat de champagne bruist, dat het feest gaat en de muziek het liefst een beetje leuk meedoet richting de climax van het jaar. Je wil dat alles even goed is, tijdens een einde en begin tegelijk. Zo wordt die ene slag van de klok vanzelf belangrijk.

(Terwijl ze er elke dag zo veel slaat.)

Wij werden ingehaald door tijd. 2018 begon – kippenvel, natte haren, uitgelopen mascara – doorweekt op een parkeerplaats. Maar memorabel was het zeker.

Lieve lezer, een heel gelukkig 2018 gewenst. Bedankt dat je – sinds 2012 of vorig jaar of vorige week – de tijd hebt genomen om mijn verhalen te lezen, mijn beelden te bekijken en te laten weten wat je ervan vond. Op naar een jaar vol nieuws om over te schrijven. Veel liefs, Milou.