POPCORN

Het komt niet vaak voor dat je om drie uur ’s nachts de woonkamer in stapt en er een wildvreemde jongen knock-out op je bank ligt.

(Althans, laat ik voor mezelf spreken. Als je dan een kerel mee naar binnen vraagt, lijkt het me wel zo aardig hem mee naar boven te nemen.)

Ik schrok dan ook even, maar was vooral verbaasd dat hij nog sliep. Mijn huisgenoten waren er niet. In de wetenschap dat er niemand thuis zou zijn, had ik de voordeur achteloos achter me dicht laten slaan. Ik had de lichten in de gang aangedaan, mijn sleutels rinkelend over het haakje gehangen. Vervolgens was ik over de houten vloer richting de keuken gestampt, op naar iets te eten.

Hij lag er vredig bij: languit op zijn zij, zijn lichtbruine krullen op een van de turkooizen kussens. Ons smoezelig grijze dekentje lag half over hem heen, maar liet één been onbedekt. Hij droeg een donkere spijkerbroek en had zijn schoenen nog aan: bordeauxrode Nikes. Naast zijn hoofd stond onze huisaap, met zijn pluchen grijns – alsof hij van niks wist.

Ik schoot in de lach, want wat moet je anders. Het was me compleet onduidelijk bij wie deze jongen hoorde, of wat hij hier deed. Ik pakte mijn telefoon en opende WhatsApp, om te kijken of één van mijn huisgenoten een bericht had achtergelaten over deze verstekeling. Nee, zo bleek. Toch maar even vragen.

Enig idee wie dit is (en zo nee: help)??

Ik opende de camera en maakte een foto.

GODVER NEE NEE NEE NEE.

Dat was wat ik in mijn hoofd zei, tenminste – de flits ging af. Snel drukte ik mijn hand voor de lens. Ik hield een paar seconden mijn adem in, maar bespeurde geen beweging.

En adem uit.

Het was juist zo’n goede avond geweest. Ik had eerst met vriendinnen gegeten en had lekker gedanst, mijn keel schor gezongen. Ik was op tijd weer gegaan, net voordat iedereen vervelend begon te worden. In nuchtere staat had ik deze jongen gelaten, was ik gaan slapen. Maar zo was het niet, dat was het hele punt: ik had gedronken en daarom had ik honger en daarom ging ik verdomme popcorn maken.

Ik trok mijn keukenla open en haalde het laatste zakje magnetronmaïs uit de verpakking. Voorzichtig opende ik het deurtje en stelde de tijd in. De anders zo subtiele piepjes blèrden door de ruimte. Ik leunde op een hoekje van de eettafel terwijl ik wachtte. Vanachter het glas scheen een warm licht de kamer in, toonde het stilleven van lege chipszakken en bierblikken op het aanrecht.

‘Was je nou een foto van me aan het maken?’

Zijn stem was laag en ietwat krakerig. Aan de kreukels in zijn gezicht te zien had hij vast geslapen: er liep een afdruk van de bank over zijn rechterwang. Onder zijn ogen hingen flinke kringen.

‘Ik wilde alleen even kijken of iemand wist wie je was,’ verdedigde ik mezelf.

‘En?’

Ik ontgrendelde mijn telefoon. Niks.

‘Vooralsnog geen reactie.’ Ik hoorde mezelf lichtjes slissen.

Hij ging rechtop zitten en tikte daarbij de aap van de bank.

‘Wat is dit?’

‘Dat is Rupert.’

Zijn wenkbrauwen vertrokken in een lichte frons, maar hij pakte de knuffel toch op.

‘Onze huisaap.’

(Lang verhaal kort: er was een junglefeestje bij ons thuis, iemand nam Rupert mee en kwam ‘m nooit meer halen.)

Hij lachte, zette de aap rechtop tegen een kussentje aan.

‘Woon je hier?’

Ik rolde met mijn ogen. ‘Nee, de voordeur stond toevallig open.’

Hij nam even de tijd me in zich op te nemen, zijn slaperige ogen tot spleetjes geknepen. Zijn blik ging van mijn ranzige kroegschoenen via de biervlek op mijn shirt naar mijn gezicht. Ik staarde vastberaden terug. Tenminste, dat dacht ik.

‘Jij bent behoorlijk dronken, of niet?’ vroeg hij, niet zonder plezier in zijn stem.

‘Moet jij nodig zeggen, vriend,’ zei ik verontwaardigd, ‘wie ligt hier nou voor pampus op een vreemde bank op donderdagnacht.’

Hij gaf zich gewonnen. ‘Touché.’

Even klonk slechts het geluid van de poffende korrels, boven het gezoem van de magnetron waarin de zak pirouettes draaide. In mijn hoofd zwol daarnaast een piep op, veroorzaakt door de muziek eerder die avond. Meestal kwam die pas opzetten wanneer ik in bed lag, maar nog niet meteen kon slapen – een straf voor hen die vroeg naar huis gaan.

Ik richtte me weer tot hem, enigszins ongeduldig.

‘Wat kom je nou doen?’

‘Ja, sorry.’ Hij onderdrukte een gaap. ‘We waren hier aan het indrinken. Ik ben in slaap gevallen en ze hebben me maar gelaten. Blijkbaar.’

‘Hoe kan dat nou, met zulk lawaai?’ Op dat soort avonden was het altijd hetzelfde verhaal. Zo’n tien man, waarvan de helft mij onbekend. Halve liters bier, Kingsen en hopen dat de buren niet aanbellen.

(Oude huizen, dunne muren.)

Ik verwachtte eigenlijk geen antwoord op mijn vraag – ik was er al vanuit gegaan dat hij het moment van vertrek vanwege beschonkenheid niet gehaald had. Hij kwam echter met een andere verklaring.

‘Ik heb een soort…’ Hij zuchtte. ‘Ziekte klinkt meteen zo naar. Maar ja, een ziekte. Soms val ik opeens in slaap.’

Daar sta je dan, met je aannames.

‘Oh.’

Hij keek afwachtend naar me.

‘Da’s mooi kut,’ zei ik dus maar.

Het gebrek aan nuance deed hem grinniken. ‘Dat kan je wel zeggen, ja.’

‘Gewoon zomaar?’ vroeg ik ongelovig.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Vooral in rustige situaties. Maar een tekort aan slaap helpt niet. Dan gebeurt het ook bij lawaai. Soms zelfs op de fiets.’ Uit zijn mond klonk het als iets heel normaals, wat het extra pijnlijk maakte. Zijn blik leidde me naar een hoek van de kamer, waar naast een zwarte rugzak een fietshelm lag.

De magnetron piepte, maar de korrels poften nog. Timing was hier cruciaal. Meestal aarzelde ik, gaf ik het nog een halve minuut, waardoor een deel van de popcorn verbrandde, ik de goudgele exemplaren tussen de zwarte uit moest halen en de geur in het hele huis verraadde dat er iets mis was gegaan.

‘Ik zou het nog even laten,’ zei hij, alsof ik die overweging hardop had staan maken.

Dus ik stond op en maakte het deurtje open. Het was een routine geworden: bijna mijn vingers verbranden aan de papieren zak, ermee naar het aanrecht lopen, blote voeten op de koude tegels, de twee tegenoverliggende punten pakken en uit elkaar trekken. De stoom bewoog zich langs mijn kin, richting mijn neus en over mijn voorhoofd omhoog. Met een prettig geritsel belandde de popcorn in een kom. Tussendoor hoorde ik wat korrels tegen het porselein tikken. Toch te vroeg. Ik reikte in de zak voor het laatste beetje en moest de neiging weerstaan het zout van mijn vingers af te likken.

‘Wil je ook?’

‘Nee, ik ga,’ zei hij terwijl hij opstond.

‘Oh.’ Terwijl dat mijn mond verliet, besefte ik dat ik er onbewust vanuit was gegaan dat ik mijn popcorn met hem zou delen. Had ik hem in ieder geval niet voor niets wakker gemaakt.

‘Weet je het zeker? Je mag best blijven. Ik kan zelfs een echte deken voor je halen.’ Door de kou naar huis fietsen was nou het laatste waar ik zin in zou hebben. Het was mei, maar ’s nachts nog geen acht graden.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, bedankt. Na zo’n aanval kan ik meestal toch niet meer slapens.’ Hij pakte het grijze dekentje van de bank en vouwde het op. Zijn rugzak deed hij om, de helm hield hij in zijn linkerhand.

‘Smakelijk,’ zei hij met een knikje, waarna hij de gang in liep. Ik hoorde de voordeur opengaan, maakte me klaar voor de klap, maar hij sloot hem zacht. De jongen zonder naam verdween als een dief in de nacht.

OVER DE GRENS (V) | STRIKVRAGEN

De afgelopen weken heb ik jullie meegenomen in de voorbereidingen voor mijn uitwisseling. Deze verhalen ontstaan door bepaalde zaken uit te lichten, hier en daar een inkijkje in mijn hoofd te bieden en vooral de oninteressante gedeeltes weg te laten. Vanuit een meer realistisch perspectief had deze reeks namelijk ook anders kunnen heten – niet ‘Over de grens’, maar ‘Milou vult een shitload aan formulieren in’. Die serie zou zeker vijftig delen beslaan, maar ik betwijfel of hij goed zou worden gelezen. Printen, invullen, tekenen, scannen, mailen. Herhalen. Het betreft saaie gegevens: of ik schriftelijk wil bevestigen dat ik echt ga komen en echt de huur kan betalen. Of ik wel zeker weet dat ik ooit de waterpokken heb gehad, en of ik dan wel even bloed wil gaan prikken om dat te bewijzen.

Deze week vulde ik echter een vragenlijst in over meer fundamentele zaken. Het doel ervan was mij te koppelen aan een student waarmee ik een aantal maanden een kamer ga delen – mijn roommate. Op het eerste oog leek het triviaal van aard, maar na enig peinzen onthulden zich steeds meer lagen.

12. Is having a neat and organized space important to you?

Daar kan ik kort over zijn: ja, ik heb graag een nette omgeving. Van troep word ik onrustig, vooral als het niet van mij is. Je zou denken dat er niet meer achter zo’n vraag schuilt, maar schijn bedriegt. Wat ze waarschijnlijk bedoelen is: ‘Ben je een chaoot? Zo ja, dan zetten we je met een andere sloddervos samen, zodat niemand last van jullie heeft.’ Maar dat is niet wat er staat. Er staat: heb je graag een nette kamer? Op die vraag kan in principe iedereen ‘ja’ antwoorden. Dat zegt alleen niets over of je ook daadwerkelijk in staat bent je leven op orde te houden.

Daarbij twijfelde ik over de consequenties van mijn antwoorden. Misschien zetten ze chaoten en neat freaks juist samen, zodat ze elkaar tot een beter mens kunnen maken. Was dit een strikvraag? Het zou me niets verbazen, gezien het statement op de site: ‘We believe strongly in the value of a diverse community. Therefore we select roommates who will enhance eachother’s worldview by embracing new experiences and exposing themselves to a myriad of cultures and viewpoints.’

Lees: accepteer maar dat sommige mensen er nou eenmaal een teringzooi van maken.

Zo waren er wel meer vragen die behoorlijk diplomatiek in de verwoording waren.

23. What’s your preference regarding overnight guests?

Lees: vind je het erg als je roommate seks heeft terwijl jij op een meter afstand in dezelfde kamer probeert te slapen, of zit je daar niet zo mee?

47. Can you sleep with reasonable background noise/light?

Lees: ben je degene die steeds passief-agressief gaat liggen zuchten, of degene die zelf lawaai maakt?

Andere vragen waren dan weer behoorlijk sturend van aard, omdat er maar een paar keuzeopties waren.

68. How do you plan to utilize your room?

Ik dacht aan een kleine wietplantage, met daarnaast ruimte voor een popcornmachine en een massagestoel, maar helaas. ‘Studying, relaxing or socializing’, een van de drie moest het zijn. Wie weet zou het er alledrie wel van komen, maar er moest gekozen worden.

Er ontstond nog wat twijfel van existentiële aard.

81. How would you describe yourself?

Gelukkig was ook dit een meerkeuzevraag.

HUID

Schermafbeelding 2019-05-08 om 18.29.54.jpg

Een kort verhaal genaamd ‘Ik draag ook een keer een crop top’ :

Ik: ‘Wat sta je te kijken?’

Broer: ‘Nergens naar?’

Ik: ‘Je kijkt naar m’n buik.’

Broer: ‘Ik dacht opeens: wat is dat daar?’

Ik: ‘Mijn buik?’

Vader: ‘Gewoon een extra stukje Milou!’

(Voor de duidelijkheid, ik heb altijd al een buik gehad.)

Ik toon steeds meer huid. Dat is geen uitnodiging – behalve voor de wind langs mijn rug, voor de zon op mijn schouders. Ik toon meer gezicht, puist, haar. Het zit eraan, het hoort erbij. Ik laat het vaker maar – zoals het is. Soms ook niet, als ik zin heb om er werk van te maken.

(Dat is alsnog best vaak.)

Ik toon steeds meer huid. Afwisselend zacht, droog, roze, verbrand. Rood, vanwege het bloed dat minimaal eenmaal daags naar mijn wangen kruipt. Altijd wel ergens blauw, (op) een onverwachtse plek.

Laatst was het opeens mooi weer. Gedachteloos gooide ik mijn wijde truien in een doos onder het bed. We hadden het fijn gehad samen, maar het was tijd voor iets anders. Fluitend trok ik een jurkje uit de kast. Niets in mij betwijfelde of dat kon. ‘Is het warm genoeg?’, dat was de enige vraag. Dat was wel eens anders.

Op de middelbare school ging de komst van de zon gepaard met een hoop overleg. ‘Doe jij al een rokje aan?’ Je wilde niet de enige zijn met blote benen, zeker niet als ze nog bleek zagen. Het was steeds wennen, om na een winter onder laagjes mijn huid weer te tonen. Liever hield ik mijn vesten en panty’s aan.

Mijn ouders hebben een paar maanden geleden hun fotoarchief gedigitaliseerd, uitgezocht en al mijn foto’s op een USB-stick gezet. Eenentwintig jaar op een klein schijfje. Naast de verplichte kiekjes (in een hoop herfstbladeren, slapend tussen dertig knuffels, met een gezicht vol tomatensaus) vond ik ook foto’s uit een mindere fase. Een jaar of vijftien, schouders gebogen. Een glimlach voor de vorm, maar twijfel in mijn ogen.

Schermafbeelding 2019-05-08 om 18.28.39.jpg

Ik weet niet precies wie of wat mij verteld heeft dat er iets mis was met mijn lijf. Er zijn heus concrete momenten aan te wijzen. De GGD-arts die me vertelde dat ik zwaar was in vergelijking met meisjes van mijn leeftijd (maar daarbij mijn lengte niet meenam). Een kennis die me begroette door te zeggen dat ik ‘wel dikke billen had gekregen’. Hij zei het terloops, maar ik weet het nog steeds. Spijkerbroeken die na een halfjaar niet meer pasten – ik radeloos, bang dat mijn heupen nooit zouden stoppen met uitdijen. Met jaloezie keek ik naar mijn vriendinnen en hun bonenstaken, niet wetend dat zij net zo goed jaloers waren op mijn goedgevulde beha, of zelfs het bloed in mijn onderbroek. Er is altijd wel iets. Deze voorvallen waren niet de oorzaak – die zit diep in de maatschappij.  De economie draait op onzekerheid.

Gelukkig weet ik inmiddels dat het niet waar is – dat mijn lijf er mag zijn, hoe dan ook. Het heeft jaren geduurd, dat wel. Rond mijn zestiende was ik klaar met groeien en kon ik gaan wennen aan de buik, borsten en benen waarmee ik door het leven zou gaan. Er was nog een fase van diëten, kijken of ik het niet allemaal wat minder, strakker, ‘beter’ kon maken. Dat bleek moeizaam en – uiteindelijk – de honger niet waard.

Naar het nu: zeker wekelijks krijg ik een compliment over mijn uiterlijk. ‘Wat zie je er goed uit.’ Aan mijn lijf is niets veranderd, behalve haar bewoonster. Na jaren van strijd is er vrede – ben ik tevreden, en dat is zichtbaar.

Wat een logica hielden we erop na. Wanneer je je benen niet laat zien, worden ze nooit bruin. En wat zou het eigenlijk. Al geef je licht, zo wit. Dan straal je ook.

EVOLUTIE

Het was zondagavond en ik zat in de trein naar huis – van Brabant naar Utrecht, voor alle duidelijkheid. Ik noem allebei thuis, wat ik een goed teken vind, maar soms wil het nog wel eens verwarring veroorzaken. Broer Mart zat tegenover me, hij zou doorreizen naar Amsterdam.

Ik las een artikel voor de uni. Het was een paper over humor dat absoluut niet grappig was, vol zinnen die enerzijds voor de hand lagen en anderzijds niets leken te betekenen. ‘The third and perhaps most important indication that a statement should not be taken literally is the statement’s consistency with general normative expectations for the content and implications of information that is typically transmitted in social situations of the sort in which the statement is made.’ En dat dan dertig pagina’s – ik kon er niet om lachen. Er was dan ook niet veel nodig om afgeleid te raken. Een doeltreffende openingszin van de jongen rechts voor mij was voldoende.

‘Wat schrijf je?’ vroeg hij.

‘Brieven,’ antwoordde het meisje in zijn vierzitter.

Ze trok hiermee de aandacht van ons beiden.

Op haar schoot lag een collegeblok dat er net iets te slap uit zag om nog fijn op te kunnen schrijven. Al helemaal in de trein – ik gaf het haar te doen. De pagina die bovenop lag, was voor de helft met blauwe woorden gevuld.

‘Brieven naar wie?’ vroeg de jongen nieuwsgierig. ‘Als ik dat mag vragen.’ Enkel het topje van zijn hoofd kwam boven zijn stoel uit; donkerbruine, naar achter gekamde haren. Hij had een duidelijk hoorbaar accent, licht zangerig. Ik gokte op Boxtel.

Het meisje knikte. Zij zat wel binnen mijn zicht: een jaar of tweeëntwintig, haar bruine krullen deinden mee met de wissels. Ze gaven haar iets enthousiasts, bovenop de lach die ze gul tentoon stelde. Ze keek hem steeds recht aan.

‘Ik schrijf graag naar mensen die ik niet vaak zie. Vrienden van thuis. Je kan ook appen, natuurlijk, maar daar heb ik nooit zo’n zin in. Dan ga ik er liever even echt voor zitten.’

Aan het achterhoofd van de jongen kon ik zien dat hij onder de indruk was – dat hij met haar wilde blijven praten, dit meisje met deze romantische gewoonte. Hij had alleen geen echte vragen meer, dus spraken ze zo’n vijf minuten over niets.

Hij had getwijfeld of hij haar wel aan kon spreken, was dat niet raar. Nee joh, haha, dat mag toch gewoon. Hoe lang deed ze daarover, kreeg ze ook post terug. Ja hoor, al duurde het soms twee weken. Hoe lang werden die brieven dan. Nou, maximaal twee kantjes, anders moest ze een extra postzegel plakken. Oh ja, want hoe duur was zo’n postzegel nou tegenwoordig. Een euro, jeetje! Ja haha, dat was wel veel.

(Hier moest ik zelf ook over nadenken: je zal maar moeten betalen om met elkaar te kunnen praten. Direct daarna besefte ik dat dit nog steeds zo is: een telefoon- en internetabonnement kosten evengoed geld. De waarde van een appje is alleen minder direct zichtbaar. Niet best, misschien –  gaan we er daardoor steeds minder over nadenken, sturen we alleen nog maar onzin rond.

Ik dwaal af.)

Het leek helder dat hier een genadeloze flirt gaande was. Mart keek me hoofdschuddend aan. Hij zat met zijn rug naar hen toe, maar enkel hun woorden vertelden hem genoeg. Ik moest lachen omdat het er zo dik bovenop lag. De collectieve gedachte hing als een wolk in onze coupé: vraag haar nummer nou maar!

Het gesprek viel echter stil. Een prima moment om verder te gaan met je eigen zaken. Als ik haar was, had ik dat zeker gedaan (wat misschien de reden is dat mannen mij niet altijd aardig lijken te vinden. Maar dat is een ander verhaal.)

Zij vroeg verder. Wat hij dan deed op zijn telefoon.

‘Een beetje Netflixen. How I Met Your Mother.’

Hij leek niet gretig dit toe te geven  – je lijkt natuurlijk al snel een cultuurbarbaar naast iemand die nog pen en papier gebruikt. Hij poogde zich te herstellen.

‘Normaal lees ik in de trein,’ zei hij vlug.

‘Wat zoal?’

‘Momenteel Sapiens, van Harari. Ken je het?’

Ze kende het niet.

‘Het gaat over de geschiedenis van de mens. Het klinkt misschien saai, maar het is echt leuk geschreven. Het is een goed boek, een wereldwijde bestseller.’

Ik begreep dat hij haar wilde overtuigen van zijn goede smaak, maar hij begaf zich op glad ijs als je het mij vroeg. Het klonk haast alsof hij haar verweet dat ze Sapiens niet kende. Zij zat er niet mee, bleef lachen.

(Later zou blijken waarom dit boek niets voor haar was.)

‘Wat studeer je eigenlijk?’ vroeg de jongen, die blijkbaar genoeg moed had verzameld om een nieuw gespreksonderwerp aan te snijden.

‘Geneeskunde,’ zei het meisje.

‘Ah, dat doet mijn vriendin ook.’

Wat?!

Mart en ik keken elkaar gealarmeerd aan. Dit was niet hoe dit hoorde te gaan! Wij hadden het al uitgestippeld: ze zouden nog twintig minuten doorkletsen, dan zou één van hen de trein moeten verlaten. Hij zou ofwel te laf zijn, haar laten gaan en daar de rest van zijn leven spijt van hebben. Of hij zou blozend haar nummer vragen. Binnen een week zou er een date plaatsvinden, waarna ze een maand of twee later een relatie zouden starten, zich over vier jaar verloven, trouwen, een labrador nemen en 2,1 kinderen krijgen. Ze zouden in Brabant gaan wonen, want daar kwamen ze allebei vandaan. Wij waren de getuigen geweest van een pril begin.

Maar het liep dus anders. Hoewel wij geschokt waren door de wending van het verhaal, gaf het meisje geen kick. Ze praatte verder over triviale zaken. Ik schakelde uit. Ander kanaal –  ik ging bij mezelf te rade. Wat zei deze foutieve interpretatie over mij? Zocht ik te veel achter gewone vriendelijkheid?

Het duurde wel even voor ik mezelf herpakt had. Het humorloze artikel lag me nog steeds vanaf mijn schoot aan te staren, maar een opmerking van het meisje lokte me weer terug het gesprek in.

‘Het geloof betekent nog steeds wel veel voor me, ja.’

De jongen knikte. ‘Oké. Ja, ik ben ook wel gelovig opgevoed. Tenminste, ik heb mijn communie gedaan.’ Het klonk niet als iets wat van groot belang voor hem was geweest, maar nu in ieder geval mooi was meegenomen. Maar waarom? Hij hoefde toch geen indruk meer op haar te maken? Wilde hij dat elke treinreiziger hem aardig vond?

‘Kan je je dan wel vinden in de evolutietheorie?’ vroeg de jongen aan haar, ongetwijfeld terugdenkend aan Harari.

Deze vraag kreeg ze vaker. ‘Ik ben het er deels mee eens,’ zei ze zelfverzekerd. Hij leek daar tevreden mee.

Gelukkig waren we in Utrecht. Ik zei Mart gedag en haastte me de trein uit. Binnen vijfentwintig minuten hadden deze twee vreemdelingen elkaar leren kennen en samen de oorsprong van het leven bevraagd. Ik had weer genoeg om over na te denken.

ER ZIJN

scan0023.jpg

In het kader van ‘het is ook goed om dingen te doen enkel omdat ze leuk zijn’, ben ik op zangles gegaan. Een soulkoor, wel te verstaan – een groep van zo’n vijftien dames, van alle leeftijden, maar voornamelijk studenten. Iedere donderdagavond komen we samen in het cultuurhuis bij mij om de hoek. We zingen Stevie Wonder, Aretha Franklin – dat soort namen.

Ik volgde er al eerder een zangcursus, ‘voor beginners’ – wat ik was, dus dat leek me een prima plan. In de praktijk bleek het echter een soort therapieklasje, met mensen die wel wilden, maar niet durfden te zingen. Daar had ik dan weer geen last van; ik durfde prima, zeker in vergelijking met de rest. (Het klonk alleen niet altijd best.) Iedere les moest er wel iemand huilen van de stress, wanneer ze een of twee regels solo moesten doen. Soms zat er meer achter – een overleden konijn, beëindigde driehoeksverhouding, voorwaardelijk verlof, het kwam allemaal voorbij. De groep knikte dan, bood schouderklopjes en slokjes water. Ik voelde me ondertussen bezwaard omdat ik het allemaal niet zo serieus nam en vooral de neiging moest onderdrukken om te lachen, vanuit de gedachte: waar ben ik in hemelsnaam beland?

Dat ging ik nu anders aanpakken. Een koor leek me een goede zet – ik heb niet de illusie dat men twee uur naar mijn zangstem zou willen luisteren, maar in een groep komt ‘ie prima tot z’n recht. Enthousiasme en zin om te zingen, dat waren de vereisten. Daar kon ik aan voldoen – close harmony-partijen zijn groot favoriet bij mij. Het leek me heerlijk om op die manier deel te zijn van iets groters.

En dat is waar, zo blijkt. Elke donderdagavond betekent anderhalf uur genieten. De docente draagt daar enorm aan bij: zelden heb ik iemand gezien die zo onwijs zichzelf is, en ons dat ook laat zijn. Het is een combinatie van zeggen waar het op staat en ieder in z’n waarde laten. Zo moedigt ze je aan je hele bereik te gebruiken. Als er dan ineens een raar geluid je mond uit komt, noemt ze dat niet vals, maar ‘wat laag geïntoneerd’. Even om lachen en verdergaan. Niets is fout, probeer maar uit. Ze complimenteert mij om m’n dansjes terwijl ik zing – stel je daar niet te veel van voor, ik kan gewoon niet stilstaan – maar zal dat nooit van iedereen vragen. Ze geeft tips, over het ontspannen van je lippen, het kantelen van je strottenhoofd, ze weet het allemaal. Regelmatig gooit ze er een oneliner in die ik graag zou opschrijven. ‘Die lage stukken,’ begint ze dan, waarna ze zachter gaat praten, ‘moeten vanuit je kut komen’.

Het allerbeste deel van de les heeft echter niets met zingen te maken.

Stel je voor, het is weer zo’n dag. Er moet een verslag gemaakt worden. Gelukt, alleen de printer spuit maar halve pagina’s uit. Ondertussen donderen je boekenplanken naar beneden – te zwaar beladen voor ons peperkoekhuis. Gelukkig zat je niet op het bed eronder, maar toch vervelend. Je ontdekt dat je een belangrijke verjaardag bent vergeten. Je hebt je kamer opgeruimd, maar té grondig – je ov-kaart is kwijt en nu kan je alles weer overhoop halen. Je ontbijt is een appel, je avondeten een tosti – zo’n dag waarop je van voren niet weet dat je van achteren bestaat.

Een minuut te laat kom je het lokaal binnenrennen, de anderen zijn er al. Je gaat in de kring staan. ‘Draai halve rondjes met je hoofd.’ Het is stil, op af en toe wat gekraak na. ‘Rondjes met je schouders. Steeds groter. Nu achteruit.’ Diep inademen, je lang maken, uitademen en alles laten ontspannen. Zo dertig seconden ondersteboven hangen. Dit is je lijf, het werkt naar behoren. Je hoeft niets, behalve er zijn.

Wanneer neem je daar nou eens de tijd voor?

OVER DE GRENS (IV) | KOMT EEN MILLENIAL BIJ HET POSTKANTOOR

Een uitwisseling betekent een hoop geregel. Dat zal elke ervaringsdeskundige vast weten, maar bij mij is toch het vermoeden ontstaan dat Amerika een eervolle vermelding verdient op het gebied van bureaucratie. Met mijn felicitatiemail kwam een deadline mee, die ‘toch al wel snel naderde, dus of ik een beetje haast kon maken,’ aldus mevrouw X van Universiteit Utrecht. Binnen een paar dagen moesten er formulieren verzameld, ingevuld en ondertekend worden, en dan als de wiedeweerga op de post naar Nashville. Vanderbilt ging vervolgens bepalen of het hele feest inderdaad door zou gaan. Omdat ik het verder helemaal niet druk had – deadlines, tentamens, werk, ben je mal – liet ik alles uit mijn handen vallen en ging ik op pad. Ik schreef nog een motivatie en beantwoordde vragen over mijn ras en strafblad.

‘Are you Hispanic/Latino? Yes or no. What is your race? Check one: American Indian/Alaska Native, Asian, Black/African American, Native Hawaiian/Oth Pacific Island, White, Two or more races.’

‘Have you ever been suspended or expelled from a school?’

‘Have you ever been adjudicated guilty or convicted of a misdemeanor, felony or other crime?’

En zo ja, of ik dan een kort essay wilde schrijven over wat er precies gebeurd was en wat ik ervan geleerd had. Dus dat deed ik maar.

Dan nog een cijferlijst en mijn voorkeursvakken. In een avond haastte ik me door de honderden keuzes. ‘Master, Murder and Mayhem in Black Detective Fiction’. ‘Crafting Pottery in the Ancient World’. ‘Classroom Ecology’. ‘Introduction to Facial Plastic and Reconstructive Surgery’. ‘Tuba’. ‘Sport Economics.’ ‘Roman Law’. ‘The Art of Blogging’. ‘Introduction to Visualization’.

(Ik heb een hiervan daadwerkelijk gekozen, mogen jullie raden.)

Alle paperassen moesten worden voorzien van een stempel en een kus van mevrouw X, waarna ze er een gebed over uit zou spreken. Dit kon elke donderdagmiddag van kwart voor tot kwart over een (behalve toen ik voor de deur stond, want toen was ze net een weekje met vakantie).

Desondanks lukte het om alles op tijd te posten. ‘Ik moet hier eigenlijk kopietjes van maken,’ bedacht ik me, net nadat ik de envelop had dichtgeplakt. Ik had er maar één, door mijn ouders meegebracht toen ze in Utrecht kwamen eten, en die wilde ik niet openscheuren. A4-enveloppen liggen in ons studentenhuis nu eenmaal niet voor het oprapen en de deadline naderde. ‘Laat maar,’ dacht ik, ‘het zal wel loslopen.’

Hah.

Drie tot zes werkdagen zou het duren, verzekerde het meisje in het PostNL-hoekje van de supermarkt mij. Met spoed versturen leek haar zeker niet nodig, de zestig euro niet waard. Ik had ten slotte drie extra dagen speling, dan zou het nog steeds op tijd komen. Ik betaalde een tientje voor een aangetekende brief, stak de Track & Trace-code in mijn rugzak en liet het erbij. Terwijl ik wegliep sprak ik mezelf streng toe. ‘Kom op, Milou, dat jij nou een doemdenkende millennial bent die nooit echte post verstuurt is één ding, maar dat betekent niet dat het hele systeem disfunctioneel is. Dit werkt al honderden jaren.’

Hah.

Twee weken later. De deadline is verstreken en mijn brief is nog niet waar hij moet zijn. Wel ken ik de vijftiencijferige Track & Trace-code uit mijn hoofd en heb ik een vriendschappelijke band opgebouwd met de contactpersoon van Vanderbilt – ik mag Suzy zeggen. Ze heeft met engelengeduld al mijn paniekmailtjes beantwoord, meestal direct aan het begin van de Amerikaanse werkdag. Van haar heb ik een week extra tijd gekregen. Opnieuw op handtekeningenjacht (toch kopietjes moeten maken!), om de hele handel vervolgens in te scannen. Maar, vertelt Suzy, de fysieke papieren zijn nog steeds nodig. De brief moet terecht.

De rest van het leven gaat ook door, dus dit geregel moet tussendoor – in de bus, tijdens het eten of nu, in de pauze van mijn werkcollege. Ik volg een vak over coaching, het onderwerp van vandaag is ‘weerstand’. Ik plof op een harde, paarse bank in de gang en neem mijn telefoon ter hand. 

PostNL kan niets voor me doen. De brief is al in de Verenigde Staten, het zijn niet hun zaken meer. Ik moet mijn code bij de United States Postal Service invoeren, misschien kunnen zij me meer vertellen. En jawel: de brief is in Nashville, bij een postkantoor. Er is al een afleverpoging gedaan, maar toen was er niemand om ‘m aan te nemen. Redelivery is niet mogelijk. Of ik de brief dus zelf even wil komen ophalen.

Dit lijkt mij in strijd met het idee achter een postbedrijf. Ik stuur iets op, zij gaan het brengen. Toch?

Ik bel USPS en krijg een computer aan de lijn. ‘Could you please spell your first name? For instance, Jack: J – A – C – K.’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘Did you say: Emily?’

‘No.’

‘Could you please spell your first name again?’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘I’m sorry, I can’t help you with that. Is there anything else I can assist you with?’

‘Ik wil godverdomme gewoon een echt persoon aan de lijn! Please.’

‘I’m sorry, It seems like I’m not able to assist you today. Thank you for your call.’

Ik bel met het postkantoor. ‘Welcome to the Nasvhille Post Office. Please hold untill assistance is available.

Beeeeeeeep. Beeeeeeep. Beeeeeep. Beep – beep – beep.’

Geen gehoor.

Ik mail Suzy nog maar eens met een update. ‘I am very sorry. It feels like I have done everything that I could, but it’s just not working out.’

(Suzy vindt me vast een drama queen, maar het zij zo.)

Het is zes uur en ik weet het niet meer. Het college is klaar, ik fiets meteen door naar de bioscoop. Popcorn als avondeten, wat zou het ook. De film biedt enige afleiding, maar op het einde is mijn lip kapotgebeten. Pas wanneer de aftiteling begint, sta ik mezelf toe mijn telefoon te bekijken. Suzy. ‘Your package just arrived at my office this afternoon! It’s all good.’

Ik loop naar buiten. Het is al donker, maar de zon schijnt.

Suzy, bedankt. Er komt vast weer een volgend verhaal in deze reeks, maar ik weet nog niet waarover of wanneer. I’ll keep you posted! Letterlijk, mocht je dat willen – je kan je met de knop rechts inschrijven voor een mailtje bij een nieuwe post, of je kan mijn Facebookpagina liken om op de hoogte te blijven. 

OVER DE GRENS (III) | WAARHEEN

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen. 

OVER DE GRENS (II) | HOE VER JE WILT GAAN

Met slechts een veeg van mijn wijsvinger rolde de wereld op alfabetische volgorde over mijn scherm voorbij. Australië, België – Zweden, Zwitserland. Ikzelf bevond me op een vertrouwde plek, aan de keukentafel van mijn ouders. Het was een grijze zondagmiddag, die ik normaliter was vergeten, ware het niet dat ik bezig was plannen te smeden: op zoek naar de stad waar ik een half jaar zou gaan studeren, gaan leven.

Ik zou jullie hier graag een prachtig verhaal willen vertellen over hoe deze keuze tot stand kwam. Dat ik al sinds m’n elfde gefascineerd was door dit en dat deel van zus en zulk land. Maar mijn keuzeproces was nu eenmaal niet zo romantisch. Het begon ook vrij negatief: ik besloot eerst te bepalen waar ik sowieso niet heen wilde. Hierbij was elke reden een juiste voor mij, hoe futiel die ook mocht zijn. Te ver, te koud, te onbekend, het waren allemaal geldige argumenten. Ergens knaagde dat wel: moest ik mezelf niet uitdagen door, ik noem maar wat, de universiteit van Guadalajara ook in overweging te nemen? Maar dan bedacht ik me weer hoe spannend ik het überhaupt vond om een halfjaar weg te gaan. Wat de bestemming betreft gunde ik mezelf iets comfortabels.

(Maar ik ging niet naar België – er zijn grenzen, hoor, dan kon ik net zo goed niet gaan.)

Per bestemming waren er verslagen beschikbaar van studenten die daar gezeten hadden. Ik heb er denk ik wel honderd gelezen en kwam tot een wensenlijstje. Zo ging ik het ook maar zien: als ik zou vertrekken, dan wel op mijn manier. Een ding wat ik al snel ontdekte, was dat voor een hoop studenten een uitwisseling gelijkstaat aan een halfjaar feesten. Velen hebben hun bachelor al gehaald en plakken daar nog een exchange aan vast, waarin het aantal behaalde studiepunten niet echt meer uitmaakt. Ook is het niveau van onderwijs in Nederland vrij hoog, en daarmee vergeleken, het niveau elders over het algemeen laag. Er is dus ook daadwerkelijk veel tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Ik vermoedde dat me dit na een maand wel tegen zou gaan staan – ik wilde naar een plek waar ik iets nieuws kon leren. Verder wilde ik de taal al spreken, liefst mijn Engels verbeteren in een land met veel native speakers. Ten slotte, geen gezeik om een kamer te regelen – je kunt nu eenmaal niet van tevoren even gaan kijken.

En misschien wist ik het sowieso al wel – waren deze eisen slechts een omweg, waarmee ik hoe dan ook bij mijn voorkeursbestemming zou eindigen. Met familie was ik een paar keer in de Verenigde Staten geweest. In 2017 had ik Colette bezocht, die een jaar de college life leefde in Virginia. Over de jaren was het gevoel ontstaan waar ik die zondagmiddag pas na een paar uur scrollen naar begon te luisteren: daar zou ik wel een paar maanden willen zijn.

Er was veel meer mogelijk dan ik dacht. Onder de noemer ‘Amerika’ stonden een aantal grote namen: universiteiten waarvan ik twijfelde of ik ervoor zou worden uitgekozen.   Top-20-scholen met één of twee plaatsen voor alle gegadigden uit Utrecht. Wat was dan de kans dat ik de gelukkige werd? Op dit moment moest ik mezelf weer terecht wijzen: ik wist het niet. De selectieprocedure was niet transparant, ik wist niets van mijn kans, dus moest ik me er ook niet door laten leiden.

En zo had ik uiteindelijk een shortlist vol prestigieuze universiteiten. Vervolgens deed ik wat ik altijd doe als ik voor een ingrijpende keuze sta: een excelsheet maken, met daarin alle opties en details. Van cijfereisen tot housing, van de sfeer in de stad tot het weer – om dit vervolgens allemaal te negeren en op mijn gevoel een keuze te maken. Wie hield ik voor de gek, het meisje dat altijd haar onderbuik aan het woord laat. De top drie was gemaakt.

Ik vertelde het aan iedereen. Even voor de duidelijkheid: ik wist nog steeds niet zeker of ik überhaupt op uitwisseling wilde gaan. Toch leek het me goed als zoveel mogelijk mensen van mijn plannen zouden weten – mocht ik nog terugkrabbelen, moest dat wel met een goede reden. Over mijn motivatiebrief deed ik een aantal dagen. De eerste opzet stond snel, maar wanneer ik mijn woorden teruglas, hoorde ik iemand anders praten. Het Engels was de oorzaak. Nog nooit eerder had ik ervaren hoe moeilijk het is om jezelf te zijn in een taal die niet als vanzelfsprekend komt. Maar de deadline naderde. Ik leverde mijn brief in en besloot tevreden te zijn. Nu was het aan iemand anders – uit mijn handen.

Binnenkort zal ik onthullen waar ik heen ga! Het is op dit moment nog niet honderd procent officieel, namelijk. Ik ben ‘conditionally approved’, zoals dat heet. Het is een bureaucratisch proces, zo’n uitwisseling. Daarover vertel ik nog wel een keer (officiële stempels, internationale pakketjes, vragen over eventuele strafbladen, dat soort zaken). Vast een tipje van de sluier: ik mag naar de plek waar ik het liefst heen wilde. 

GEVESTIGDE IDEEËN

Het werd wel tijd voor dit verhaal, deze kant van mij. Zeker vandaag: 8 maart, Internationale vrouwendag.

Ik las een artikel uit de Volkskrant, een opiniestuk tegen de invoering van een vrouwenquotum. ‘Vrouwen denken vaak dat als ze hun werk goed doen, ze vanzelf wel promotie maken. Maar zo zit de wereld niet in elkaar. De correlatie tussen vakdeskundigheid en het maken van carrière bestaat slechts in de eerste tien jaar van een loopbaan. Vrouwen die een topfunctie ambiëren, dienen zich te realiseren dat vaak een wat harde cultuur en ‘spel’ aan de top part of the game is. Je kunt kritiek, weerstand en conflictsituaties jezelf persoonlijk aantrekken, maar je kunt er ook zakelijk en instrumenteel mee omgaan. Humor, relativering- en incasseringsvermogen helpen hierbij.’

‘Maar zo zit de wereld niet in elkaar.’ Helaas, pas je maar aan. Deze wereld is niet voor vrouwen gemaakt.

Dagelijks wordt ons verteld wat het betekent om vrouw of man te zijn. Het zijn impliciete ideeën, die overal aanwezig zijn en het leven sturen. In te grote mate, als je het mij vraagt. ‘Waarom word je er zo kwaad van?’ wordt mij soms gevraagd. Sinds ik alert ben op deze ideeën, kan ik er niet meer omheen. Ze raken me, dagelijks, op kleine of grote schaal, en zo de helft van de wereld met mij. Daarbij denk ik, hoewel ik niet uit ervaring kan spreken, dat ook mannen beperkt kunnen worden door wat ‘mannelijkheid’ betekent.

Vrouw, denk om je uiterlijk. Wees glad, strak, glanzend. Maak er werk van, maar: niet te jeugdig, niet te zakelijk, niet te onpraktisch, niet te saai. Laat je vormen zien, behalve als je dik bent, trouwens – laat dan maar zitten. En houd het beschaafd, straks word je nog lastig gevallen. Man, besteed er niet te veel aandacht aan – niet te flamboyant. Zorg voor een sixpack en houd anders je shirt aan.

Vrouw, bind je, maak kinderen.

Vrouw,  hoezo kan je niet klaarkomen door penetratie? Dat is niet normaal. Als je geen zin hebt, dan maak je het maar – niet te veel, dat is raar. Man, presteer. Verover en win status.

Vrouw, denk om je houding. Hoe kom je over, neem niet te veel ruimte in. Beperk je volume, wees bescheiden. Man, markeer je terrein, anders ben je het kwijt.

Vrouw, stel je niet aan. Wat een hysterie, relativeer eens even. Man, ken geen angst. Verdriet, schaamte, ook liever niet. Verman je maar.

Vrouw, zeur niet. Het gaat toch goed zo. En anders, kom voor jezelf op dan, zeg er wat van. Vecht ertegen, het is jouw strijd. Speak up, maar niet te hard – het moet wel gezellig blijven.

Man, laat die wijven.

Man, toon je zeker, ga recht op je doel af. Vrouw, overweeg: is dit wel juist voor jou? Wat vindt de wereld hiervan? Weet je het zeker, kan een ander het niet beter?

Vrouw, lach eens. Het is toch maar een grapje, doe niet zo flauw. Niet kwaad worden nou, beheers je. Wees charmant, empathisch, teder. Man, sta op je strepen. Behaal de winst, betaal de rekening.

Vrouw, wees geliefd.

Man, wees gevreesd.

LICHT

Na een lange dag zocht ik mijn weg door de grootste fietsenstalling ter wereld. Een garage, mag ik wel zeggen, waar je achter digitale bewijzering aan kan rijden om een vrije plek te bereiken. Naar mijn idee bevinden ‘de grootsten der aarde’ zich in Dubai, in de VS of misschien in Amsterdam. Maar wat het parkeren van fietsen betreft gaat de eer naar Utrecht.

Na zo’n twee minuten rijden kwam ik bij de uitgang. Mijn voorlicht had ik vast aangezet, het was al donker buiten. ‘Zo, da’s fel!’ aldus de man bij wie ik uitcheckte. Hij zag vast honderden fietsen per dag, dus als hij het zei, moest het wel waar zijn. Ik dacht aan mijn vader.

De opvoeding die mijn ouders me hebben gegeven, zou ik niet als ‘streng’ bestempelen. Wel waren er duidelijke grenzen. Afval op de grond gooien was uit den boze, vond mijn moeder. ‘Geef maar aan mij,’ zei ze altijd als we onderweg waren. Ze zag je dan friemelen met een snoeppapiertje, smakeloos geworden kauwgom of ander troepje dat gemakkelijk op straat zou belanden. Ze wikkelde het in een papiertje en stak het in haar tas, tot een afvalbak zich zou aandienen. Haar grote handtassen werden toch al steevast tot ‘prullenmand’ gedoopt, gezien de hoeveelheid zooi die erin paste.

Mijn vader had een ander stokpaardje. Fietsverlichting stond bij hem hoog in het vaandel. Hij verving regelmatig ieders batterijen en drong erop aan dat mijn broer en ik ons zichtbaar maakten als we in het donker naar huis kwamen. Zelf zag ik het nut er niet zo van. ‘Ik zie die auto’s toch aankomen,’ zei ik dan. Dit veranderde toen ik zelf achter het stuur kwam te zitten. Combineer regen met schemer en een donkere jas – genoeg om je zo goed als onzichtbaar te maken.

Laatst had mijn voorlicht het volledig begeven (samen met mijn achterrem en versnelling – een stadsfiets heeft een zwaar leven). In mijn hoofd hoorde ik papa praten: ‘Dat moet je echt even laten maken.’ En dat deed ik. Een paar dagen later ging ik met m’n ouders eten in Utrecht. Ik kwam aanfietsen door een donkere straat, voor me liepen twee figuren. Hun silhouetten vertelde me dat zij het waren.

‘Hee!’ riep ik.

Mijn vader draaide zich om, LED-schijnsel viel op zijn gezicht.

‘Hee, onze kleine! Met licht!’