Vanderbilt

NASHVILLE | ZOMAAR

Naast een kerk, bioscoop en politiebureau heeft de campus ook een eigen sportcentrum, voor diegenen die willen squashen, basketballen of zwemmen. Ik had wel behoefte aan een middagje gewichtloosheid.

Er is nog één baan vrij in het binnenbad, bouwjaar 1970. De rest wordt bezet door een diverse groep mensen, van eerstejaars tot praktisch bejaard. Ze zien er stuk voor stuk uit alsof ze hier vaker komen. Ik ben de enige zonder badmuts of zwembril. Het gevoel van mijn haar dat door het water glijdt biedt me iets van zeemerminnennostalgie – terug naar de tijd dat ik dat nog kon zijn, in de zee of zelfs in een badkuip. Dan maar iets minder aerodynamisch. Ik doe de schoolslag, of iets wat daarvoor door moet gaan, en voel me lichtelijk bezwaard onder het oog van de badmeester(es?). Vanaf een hoge stoel speurt ze het water af op potentieel gevaar. De schoonheidsprijs zal mijn techniek niet krijgen, maar blijven drijven lukt best prima.

Naast me zwemt een uiterst gestroomlijnd meisje. Na duizend baantjes doet ze oefeningen aan de badrand: sit-ups, side planks, squats. Het is aan haar af te zien: een marmeren lijf, hard en glad. Alleen de kleur wijkt af, verraadt dat haar training geregeld buiten plaatsvindt. Ook daar moet een badpak het standaard tenue zijn – de zon heeft de bandjes op haar rug gebrand.

Aan mijn linkerkant zwemt een team, te zien aan de identieke badmutsen met schoollogo. Tijdens de pauzes tussen vlinderslag en borstcrawl nemen ze grote slokken water uit grote flessen, de wangen rood. Waar ik een uurtje kom dobberen, zijn zij hier met een doel gekomen.

Zo lijkt alles hier intentie te ademen, veel meer dan ik gewend ben. De eerste weken zijn vol toespraken, waarin nieuwe studenten verteld wordt dat niets vanzelf gaat. ‘You have made your decision on where to go to college. The next step is to decide how you want to go to college.’ Wat doet een major voor je baankansen, kan je beter vrijwilligerswerk of een stage doen? Is een fraternity tijdverspilling, of biedt het je waardevolle connecties? Weegt een half jaar in het buitenland op tegen studievertraging?

Wat zijn de kosten, wat zijn de baten? Geld zal zeker een rol spelen in de mentaliteit, gezien het collegegeld van bijna vijftigduizend dollar per jaar. ‘Its an investment, like buying a house,’ zegt mijn Australische vriend Paul, terwijl we op een grasveld naar een van de preken luisteren. Je jaren hier moeten het waard zijn, letterlijk. ‘You can skip out on two lectures this semester,’ vertelt een van mijn docenten op de eerste dag, ‘but I wouldn’t do it, because they cost $300 each.’  Vanderbilt is geen Ivy League school, maar behoort wel tot de top twintig van Amerika. Voor sommigen is het een droom om hier naartoe te mogen, voor anderen is het een safety school. Hoe dan ook is het hard werken om binnen te komen. Misschien komt het daardoor dat weinig hier ‘zomaar’ gebeurt, ‘gewoon’.

Ook vanuit de universiteit wordt druk gevoeld – alles om het de studenten naar de zin te maken. De docenten houden office hours, waarin je kan binnenlopen voor advies over je paper of tentamen. Een aantal van hen zetten hun telefoonnummer in de syllabus, zodat we met vragen ook kunnen bellen. Er is geld beschikbaar voor studenteninitiatieven, er zijn resources te over. Voor elk probleem, elke vraag lijkt een instantie te bestaan.

Het is een plicht, maar ook een recht om er het maximale uit te halen. Tijdens de eerste weken kan je nog van vakken wisselen, mocht je niet tevreden zijn met de lesstof of de docent. In volle klassen wordt geregeld nog een stoel bijgeplaatst, als het je gelukt is jezelf van de wachtlijst af te praten. Studenten mailen hun verzoeken naar de docent, of gaan gewoon langs om te kijken wat er geregeld kan worden. Het wordt niet altijd gewaardeerd, maar dat deert hen niet – het is het proberen waard.

Ergens in week twee beland ik tijdens de lunch naast een paar eerstejaars. We praten over hun plannen voor het aankomende semester. Een van hen wil misschien ook wel bij het zwemteam. ‘That are going to be a lot of early mornings, then,’ zegt een ander, doelend op de trainingen van zes tot acht – a.m. Het geeft haar niets, ze is het gewend: op de middelbare heeft ze dat ook een paar jaar gedaan. ‘It was awful. But I managed.’ Ik vertrek voor mijn volgende les, maar kan het niet laten ze een advies te geven. ‘Don’t forget to have fun.’

Ik heb het hen nog niemand horen zeggen.

Zelf ben ik hier geen vier jaar, maar slechts een paar maanden. Ik ben dus zeker van plan om een aantal dingen ‘zomaar’ voor de lol te doen. Ik moest wel even bepalen of ik dan ook tevreden zou zijn met een zeven, in plaats van een negen als streven. Daarover later meer!

NASHVILLE | DE ONGESCHREVEN REGELS

Tijdens mijn eerste les op Vanderbilt was ik naast een ADHD’er gaan zitten. Tenminste, dat is wat ik dacht – gedurende het college van vijftig minuten bewoog er steeds minimaal één lichaamsdeel van hem in een onrustig ritme op en neer. Het begon met zijn knie, daarna zijn voet, duim en terug naar de knie. Soms trilde de grond lichtjes mee, alsof er ergens in de verte een trein voorbij kwam rijden.

De kunstfaculteit zag eruit als een tempel uit de Griekse oudheid, inclusief zuilen en marmeren trappen (al weet ik van die laatste niet of ze die in Athene ook hadden). De lokalen waren echter heel normaal – een beamer en een stuk of twintig stoelen, met een half bureautje aan de rechterkant geplakt. Wie links was, had het hier lastig. Drie keer per week zou ik college over Moderne en Hedendaagse kunst volgen, ijverig meeschrijvend omdat de dia’s enkel uit afbeeldingen bestonden.

Terwijl de professor Cézanne besprak, zag ik bij mijn buurman de spanning opbouwen. Bij Picasso had hij het gehad – in een vloeiende beweging trok hij zijn lange lijf uit het krappe zitje. Hij pakte zijn bijna lege beker waar ijskoffie in had gezeten en liep ermee naar de voorkant van het lokaal. Daar gooide hij het in de prullenbak, waarna hij weer ging zitten.

Ik verwachtte dat de professor raar op zou kijken, misschien zelfs een opmerking zou maken over waar hij precies heen dacht te gaan. Niets van dat alles. Dit zou de weken erna nog constant gebeuren: studenten die midden in het verhaal van de docent opstaan om naar de wc te gaan, water te halen of in het geheel de zaal te verlaten. En zo zijn er wel meer ongeschreven regels.

Neem het fenomeen ‘participatiecijfer’. In Utrecht kan je in principe ieder werkcollege apathisch voor je uit staren zonder dat daar consequenties aan verbonden zijn. Oké, iedereen vindt je irritant en raar, maar je cijfer gaat er niet door omlaag. Hier is het anders geregeld: je krijgt punten als je überhaupt aanwezig bent en daarnaast houdt de professor in de gaten of je wel actief meedenkt. Het is veelal je eigen verantwoordelijkheid om dit te laten blijken.

Die eerste week was ik verbaasd over de vurigheid waarmee handen omhoog schoten wanneer er een vraag werd gesteld. Ik vroeg me af hoe het mogelijk was om binnen een seconde je gedachten op een rijtje te krijgen ten aanzien van, zeg, analytisch versus synthetisch kubisme. Ik heb hier inmiddels een theorie over ontwikkeld. Sommige studenten bedenken niet per se van tevoren wat ze eigenlijk willen zeggen. Ze beginnen gewoon met praten en kijken wel waar ze uitkomen. Soms lukt dat heel aardig. Op andere momenten is het lastig het daadwerkelijke punt te maken. Een betoog kan dan eindigen met: ‘Yeah, so, sort of…’ ‘That’s an interesting thought,’ zegt de professor dan, en gaat verder met haar verhaal.

Een andere manier om je goede wil te laten blijken is door in te haken op het commentaar van een medestudent. Hiervoor worden verschillende phrases gebruikt. ‘Going off of that’, ‘adding on to that’, ‘bouncing off of that’, ‘building off of that’ en mijn favoriet: ‘piggybacking off of that’. Het daadwerkelijke verband blijft regelmatig uit. Maar die punten zijn weer binnen.

Verder opmerkelijk: de docent die ons in de syllabus verzocht geen parfum naar zijn les te dragen, want daar kon hij niet tegen. De neuroscience professor die elk college begint met keiharde muziek, afwisselend van ‘Take it easy’ bij een moeilijk hoofdstuk tot ‘Serotonin’ als we het over neurotransmitters hebben. En de docente die me appte, twee weken na het begin van de lessen. ‘Just checking in to see if you are doing okay, since you’re so far away from home. If I can help you with anything, just let me know.’

Als je je afvraagt hoe het met me gaat: livin’ and learnin’, zoals ze dat hier zouden zeggen. Ik schreef eerder al over de t-shirtcultuur die hier heerst en de oriëntatieweek vol triviale vragen, mocht je dat gemist hebben. Oh en laat je niet misleiden door mijn snedige verhalen – ik begeef me hier tussen een heleboel slimme, hardwerkende (en lieve!) mensen.

NASHVILLE | MET JE PRINCIPES OP DE BORST

Voor een paar dagen woonde ik op een haast lege campus. Mijn verdieping was verlaten, op een sporadische schoonmaakster na. Ik hoefde niet te wachten op de lift, er was geen rij in de kantine, maar pas met de aankomst van andere studenten begint Vanderbilt te leven. Het blijkt een divers gezelschap, anders dan de overwegend witte universiteit die ik uit Nederland ken. In andere opzichten is het juist een uniforme groep – en dat mag je letterlijk nemen. De meesten van hen zijn in een standaard tenue uit te tekenen: sneakers, shorts en een t-shirt. Natuurlijk zijn er ook meisjes in jurken, jongens in overhemden, maar ze zijn niet in de meerderheid. Over het algemeen zien de studenten hier eruit alsof ze naar de sportschool gaan, of net zijn geweest.

(Ik heb één keer de fout gemaakt het te vragen. ‘Did you have a nice work out?’ Dat gebeurt me niet nog eens.)

Een ontdekking die ik deed: elk shirt moet iets betekenen. Waar ik doorgaans opteer voor zwart, misschien een printje als ik in een gewaagde bui ben, moet er hier tekst op staan, of op z’n minst een symbolisch teken.

Toon me je t-shirts en ik zeg je wie je bent. Move in crew, freshman mentor, Vanderbilt student. Je zou zeggen dat dat laatste wel duidelijk is als je überhaupt op de campus rondloopt, maar zo werkt het niet blijkbaar. Het helpt dat je voor elke minimale prestatie een t-shirt krijgt uitgereikt: als je komt kijken bij een voetbalwedstrijd, aan het einde van de oriëntatieweek. ‘You made it,’ je hoort erbij.

Supporter van het footballteam, lid van de literary society, class of 2020. Thuis moet je raden in welk jaar iemand zit. Hier loopt men rond met identiteit, interesses en principes op de borst. Ook de bestickerde laptops en waterflessen verkondigen een duidelijke boodschap: dit is waar ik voor sta.

(Ik moet denken aan de spijkerjasjes die ik met mijn jaarclub liet maken. Er mocht absoluut geen jaartal of verenigingsnaam op staan – we wilden ze nog wel ‘gewoon’ kunnen dragen.)

Donderdag was het voor ons newcomers tijd om een keuze te maken. In een immense sporthal hadden zich alle denkbare clubs verzameld om een goede eerste indruk te maken op een stuk of zestienhonderd transfers en eerstejaars.

(De hal zelf, bekleed met meters en meters aan plastic gras, droeg daar niet echt aan bij.

‘It smells like feet, aldus een van mijn nieuw verworven vrienden. Ze had gelijk.)

Lichtelijk overweldigd baande ik mijn weg langs de tafels, terwijl me steeds dezelfde vraag gesteld werd:

‘Do you like math/puppies/God/…?’

Vul maar in – voor alles een club. Lacrosse, roeien, frisbee. Mock trial, robotics, trivia. Women in Computing, African Student Union, Europeans in America. Allemaal hadden ze snacks en goodies die je mee kon nemen. Maar geen t-shirts – die moest je verdienen.

NASHVILLE | HET NIEUWE NORMAAL

De afgelopen weken ben ik denk ik wel vijftig keer welkom geheten. In het voorbijgaan door inwoners van Nashville, die me feliciteerden met mijn toelating. Wanneer ik me voorstelde aan ouderejaars. En in de eerste week, tijdens International Orientation. Zo’n vijf ochtenden op een rij luisterden we naar presentaties, die allemaal bleken te beginnen dan wel eindigen met dezelfde zinnen: ‘Welcome to Nashville. Welcome to Vanderbilt.’

(Ik dacht even terug aan mijn introductie aan de universiteit in Utrecht, maar ik denk dat niemand me daar ook maar één keer zo plechtig welkom heeft geheten.)

Ik voelde me niet helemaal thuis tussen de internationals – een stuk of honderd achttienjarigen, recht uit het vliegtuig, de jetlag nog voelbaar. De meesten waren vrij verlegen, beantwoordden vragen met enkel ‘ja’ of ‘nee’. Sporadisch deelde iemand een verhaal waaruit bleek dat ze niet alleen fysieke bagage met zich meebrachten. Zo was er een jongen uit Nepal die uren vast had gezeten op het vliegveld van Hong Kong. Hij liet me een filmpje zien van de vertrekhal, die veranderd was in een zee van protestanten. De Chinese studenten hadden de e-mails van de universiteit niet gekregen, omdat ze via een Google-account waren verstuurd. Een meisje uit Zuid-Korea vertelde dat ze filmstudies wilde doen, maar dat dit bemoeilijkt werd door de regering, die nog wel eens de neiging had cruciale scenes weg te laten. Terwijl Europeanen de VS steeds meer argwanen, was het voor deze eerstejaars het symbool van vrijheid in doen en laten. 

Deze week markeerde een nieuwe fase in hun leven. Voor mij daarentegen, was een groot deel ervan al normaal. Student zijn, niet bij je ouders wonen, een studierichting kiezen – die paden had ik al bewandeld. Daarnaast was er echter genoeg om aan te wennen. Niet eens op grote schaal. Ik spreek de taal, ken het eten en heb genoeg college vlogs gekeken om te weten hoe mijn kamer er ongeveer uit zou zien – die zijn namelijk overal hetzelfde.

(Een ding waar ik niet aan hoefde te wennen: een roommate. Ik kreeg een eenpersoons kamer toegewezen; een bescheiden schoenendoos met betonnen muren, maar ik hoef hem niet te delen.)

Maar er waren wel een paar praktische zaken die in de powerpoints onbesproken bleven.

Kan ik hier ’s nachts alleen naar huis lopen of niet? Kan ik mijn laptop laten liggen als ik even naar de wc ga? Wat doen mensen hier ’s avonds? Hoe werken de printers? Hoe werkt het meal plan? Je mag drie sides en een entree nemen, maar hoe weet ik wat telt als welke van de twee? Kan de airco op mijn kamer ook uit? (Nee.) Hoe in hemelsnaam moet ik een bed opmaken met een sheet set in plaats van een dekbedovertrek? Waar moet ik heen voor lekker eten? En voor feestjes? Wat betekent ‘cold’ of ‘warm’ of ‘very warm’ als dat op de wasmachine staat? Waarom stopt iedereen hier alles in de droger? Wat zijn dryer sheets en heb ik ze nodig? Voor hoeveel vakken moet ik me eigenlijk inschrijven? Als ik wil wisselen, hoe moet ik dat dan regelen? 

Je zult begrijpen: deze weken waren vol triviale vragen. Maar ik leerde een hoop, nog voordat ik maar een lokaal was binnengegaan.

NASHVILLE | DE STAD EN DE STAD

Het was deze dag die ik als stip op de horizon geplaatst had. Aangekomen met spullen, benodigde stempels en mezelf, een goede nacht slaap gehad. Een nieuwe stad en een lege dag.

We werden tegelijk wakker, op deze maandag die we samen hadden. De laaghangende zon deed denken aan een herfstochtend, maar dat was schijn – het was heet. Al snel rees de zon naar een hoek van negentig graden, om me vanaf daar de rest van de dag te volgen.

Het was een gekke gewaarwording om de straat op te gaan en de eerste indruk te laten ontstaan. Van tevoren had ik geprobeerd me een voorstelling te maken van deze plaats. Maar dat betekent niets tot je weet hoe het er ruikt, hoe de lucht tegen je huid voelt.

Al snel kwam ik erachter dat ik met twee steden te maken zou hebben – micro en macro.

Nashville met haar talloze hijskranen – alles hier leek in aanbouw, of klaar om te worden afgebroken. De straten waren langer dan ze leken. Men nam de auto, de bus, een elektrische step op z’n hoogst. Niemand liep – mijn enige tegenliggers waren bouwvakkers, helm in de hand, sjaal voor de mond geknoopt. Even had ik spijt van mijn benenwagen, maar vanuit een taxi had ik nooit de muurschilderingen tussen de steigers door zien schijnen, als een contrast voor het grijs.

Nashville met haar getinte ramen, de terrassen leeg – te heet. De restaurants leken verlaten tot je er zou binnenlopen. Daar bleek dan heus het een en ander gaande. Knoppen voor elk stoplicht, die je ook echt moest indrukken, anders gebeurde er niks. Maar ook als je dat begrepen had, duurde het lang voor je mocht oversteken. Deze stad, dit land, met haar enorme cornflakesaanbod en permanente slag om de arm. ‘Please be advised that this exhibition includes works of art with mature themes’, zo las ik voordat ik een expositie over Frida Kahlo betrad.

(Het was een houtskooltekening van een vrouwenlichaam. Dat kon ik nog net aan.)

En dan de campus, stad in de stad. Hoewel ik er nog niets te zoeken had, wilde ik ook vast voelen hoe het daar was.

Anders.

Het rook er naar warm gras. Gazons als miljoenen groene tandenborstels; stug maar zacht. De zon was tot goud verbogen. Krekels verscholen zich in de enorme bomen, het gekrekel vermengde zich met de ruis van de straat. Een prachtig doolhof was het. Ik durfde er nog niet te ver in te gaan, aangezien het voelde alsof ik er nog niet hoorde te zijn. De wegwijzers moesten nog worden geplaatst, de ballonnen nog worden opgehangen. Ik passeerde gebouwen van rood steen, die allemaal op elkaar leken. Binnen twee weken zouden ze Willson Hall en Warren College heten. Ook hier geen voetgangers op de paden – pas over een paar dagen zouden de Commodores hun entree maken, met vakantieverhalen en auto’s vol dozen.

Aan de rand van de campus word ik aangesproken door een vrouw en een man. Of ik wist waar de boekhandel was.

‘I’m new here, so I wouldn’t know to be honest,’

‘Are you starting at Vanderbilt?’

‘Yes. Tomorrow.’

Maar we hadden vast kennisgemaakt.

OVER DE GRENS (V) | STRIKVRAGEN

De afgelopen weken heb ik jullie meegenomen in de voorbereidingen voor mijn uitwisseling. Deze verhalen ontstaan door bepaalde zaken uit te lichten, hier en daar een inkijkje in mijn hoofd te bieden en vooral de oninteressante gedeeltes weg te laten. Vanuit een meer realistisch perspectief had deze reeks namelijk ook anders kunnen heten – niet ‘Over de grens’, maar ‘Milou vult een shitload aan formulieren in’. Die serie zou zeker vijftig delen beslaan, maar ik betwijfel of hij goed zou worden gelezen. Printen, invullen, tekenen, scannen, mailen. Herhalen. Het betreft saaie gegevens: of ik schriftelijk wil bevestigen dat ik echt ga komen en echt de huur kan betalen. Of ik wel zeker weet dat ik ooit de waterpokken heb gehad, en of ik dan wel even bloed wil gaan prikken om dat te bewijzen.

Deze week vulde ik echter een vragenlijst in over meer fundamentele zaken. Het doel ervan was mij te koppelen aan een student waarmee ik een aantal maanden een kamer ga delen – mijn roommate. Op het eerste oog leek het triviaal van aard, maar na enig peinzen onthulden zich steeds meer lagen.

12. Is having a neat and organized space important to you?

Daar kan ik kort over zijn: ja, ik heb graag een nette omgeving. Van troep word ik onrustig, vooral als het niet van mij is. Je zou denken dat er niet meer achter zo’n vraag schuilt, maar schijn bedriegt. Wat ze waarschijnlijk bedoelen is: ‘Ben je een chaoot? Zo ja, dan zetten we je met een andere sloddervos samen, zodat niemand last van jullie heeft.’ Maar dat is niet wat er staat. Er staat: heb je graag een nette kamer? Op die vraag kan in principe iedereen ‘ja’ antwoorden. Dat zegt alleen niets over of je ook daadwerkelijk in staat bent je leven op orde te houden.

Daarbij twijfelde ik over de consequenties van mijn antwoorden. Misschien zetten ze chaoten en neat freaks juist samen, zodat ze elkaar tot een beter mens kunnen maken. Was dit een strikvraag? Het zou me niets verbazen, gezien het statement op de site: ‘We believe strongly in the value of a diverse community. Therefore we select roommates who will enhance eachother’s worldview by embracing new experiences and exposing themselves to a myriad of cultures and viewpoints.’

Lees: accepteer maar dat sommige mensen er nou eenmaal een teringzooi van maken.

Zo waren er wel meer vragen die behoorlijk diplomatiek in de verwoording waren.

23. What’s your preference regarding overnight guests?

Lees: vind je het erg als je roommate seks heeft terwijl jij op een meter afstand in dezelfde kamer probeert te slapen, of zit je daar niet zo mee?

47. Can you sleep with reasonable background noise/light?

Lees: ben je degene die steeds passief-agressief gaat liggen zuchten, of degene die zelf lawaai maakt?

Andere vragen waren dan weer behoorlijk sturend van aard, omdat er maar een paar keuzeopties waren.

68. How do you plan to utilize your room?

Ik dacht aan een kleine wietplantage, met daarnaast ruimte voor een popcornmachine en een massagestoel, maar helaas. ‘Studying, relaxing or socializing’, een van de drie moest het zijn. Wie weet zou het er alledrie wel van komen, maar er moest gekozen worden.

Er ontstond nog wat twijfel van existentiële aard.

81. How would you describe yourself?

Gelukkig was ook dit een meerkeuzevraag.

OVER DE GRENS (IV) | KOMT EEN MILLENIAL BIJ HET POSTKANTOOR

Een uitwisseling betekent een hoop geregel. Dat zal elke ervaringsdeskundige vast weten, maar bij mij is toch het vermoeden ontstaan dat Amerika een eervolle vermelding verdient op het gebied van bureaucratie. Met mijn felicitatiemail kwam een deadline mee, die ‘toch al wel snel naderde, dus of ik een beetje haast kon maken,’ aldus mevrouw X van Universiteit Utrecht. Binnen een paar dagen moesten er formulieren verzameld, ingevuld en ondertekend worden, en dan als de wiedeweerga op de post naar Nashville. Vanderbilt ging vervolgens bepalen of het hele feest inderdaad door zou gaan. Omdat ik het verder helemaal niet druk had – deadlines, tentamens, werk, ben je mal – liet ik alles uit mijn handen vallen en ging ik op pad. Ik schreef nog een motivatie en beantwoordde vragen over mijn ras en strafblad.

‘Are you Hispanic/Latino? Yes or no. What is your race? Check one: American Indian/Alaska Native, Asian, Black/African American, Native Hawaiian/Oth Pacific Island, White, Two or more races.’

‘Have you ever been suspended or expelled from a school?’

‘Have you ever been adjudicated guilty or convicted of a misdemeanor, felony or other crime?’

En zo ja, of ik dan een kort essay wilde schrijven over wat er precies gebeurd was en wat ik ervan geleerd had. Dus dat deed ik maar.

Dan nog een cijferlijst en mijn voorkeursvakken. In een avond haastte ik me door de honderden keuzes. ‘Master, Murder and Mayhem in Black Detective Fiction’. ‘Crafting Pottery in the Ancient World’. ‘Classroom Ecology’. ‘Introduction to Facial Plastic and Reconstructive Surgery’. ‘Tuba’. ‘Sport Economics.’ ‘Roman Law’. ‘The Art of Blogging’. ‘Introduction to Visualization’.

(Ik heb een hiervan daadwerkelijk gekozen, mogen jullie raden.)

Alle paperassen moesten worden voorzien van een stempel en een kus van mevrouw X, waarna ze er een gebed over uit zou spreken. Dit kon elke donderdagmiddag van kwart voor tot kwart over een (behalve toen ik voor de deur stond, want toen was ze net een weekje met vakantie).

Desondanks lukte het om alles op tijd te posten. ‘Ik moet hier eigenlijk kopietjes van maken,’ bedacht ik me, net nadat ik de envelop had dichtgeplakt. Ik had er maar één, door mijn ouders meegebracht toen ze in Utrecht kwamen eten, en die wilde ik niet openscheuren. A4-enveloppen liggen in ons studentenhuis nu eenmaal niet voor het oprapen en de deadline naderde. ‘Laat maar,’ dacht ik, ‘het zal wel loslopen.’

Hah.

Drie tot zes werkdagen zou het duren, verzekerde het meisje in het PostNL-hoekje van de supermarkt mij. Met spoed versturen leek haar zeker niet nodig, de zestig euro niet waard. Ik had ten slotte drie extra dagen speling, dan zou het nog steeds op tijd komen. Ik betaalde een tientje voor een aangetekende brief, stak de Track & Trace-code in mijn rugzak en liet het erbij. Terwijl ik wegliep sprak ik mezelf streng toe. ‘Kom op, Milou, dat jij nou een doemdenkende millennial bent die nooit echte post verstuurt is één ding, maar dat betekent niet dat het hele systeem disfunctioneel is. Dit werkt al honderden jaren.’

Hah.

Twee weken later. De deadline is verstreken en mijn brief is nog niet waar hij moet zijn. Wel ken ik de vijftiencijferige Track & Trace-code uit mijn hoofd en heb ik een vriendschappelijke band opgebouwd met de contactpersoon van Vanderbilt – ik mag Suzy zeggen. Ze heeft met engelengeduld al mijn paniekmailtjes beantwoord, meestal direct aan het begin van de Amerikaanse werkdag. Van haar heb ik een week extra tijd gekregen. Opnieuw op handtekeningenjacht (toch kopietjes moeten maken!), om de hele handel vervolgens in te scannen. Maar, vertelt Suzy, de fysieke papieren zijn nog steeds nodig. De brief moet terecht.

De rest van het leven gaat ook door, dus dit geregel moet tussendoor – in de bus, tijdens het eten of nu, in de pauze van mijn werkcollege. Ik volg een vak over coaching, het onderwerp van vandaag is ‘weerstand’. Ik plof op een harde, paarse bank in de gang en neem mijn telefoon ter hand. 

PostNL kan niets voor me doen. De brief is al in de Verenigde Staten, het zijn niet hun zaken meer. Ik moet mijn code bij de United States Postal Service invoeren, misschien kunnen zij me meer vertellen. En jawel: de brief is in Nashville, bij een postkantoor. Er is al een afleverpoging gedaan, maar toen was er niemand om ‘m aan te nemen. Redelivery is niet mogelijk. Of ik de brief dus zelf even wil komen ophalen.

Dit lijkt mij in strijd met het idee achter een postbedrijf. Ik stuur iets op, zij gaan het brengen. Toch?

Ik bel USPS en krijg een computer aan de lijn. ‘Could you please spell your first name? For instance, Jack: J – A – C – K.’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘Did you say: Emily?’

‘No.’

‘Could you please spell your first name again?’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘I’m sorry, I can’t help you with that. Is there anything else I can assist you with?’

‘Ik wil godverdomme gewoon een echt persoon aan de lijn! Please.’

‘I’m sorry, It seems like I’m not able to assist you today. Thank you for your call.’

Ik bel met het postkantoor. ‘Welcome to the Nasvhille Post Office. Please hold untill assistance is available.

Beeeeeeeep. Beeeeeeep. Beeeeeep. Beep – beep – beep.’

Geen gehoor.

Ik mail Suzy nog maar eens met een update. ‘I am very sorry. It feels like I have done everything that I could, but it’s just not working out.’

(Suzy vindt me vast een drama queen, maar het zij zo.)

Het is zes uur en ik weet het niet meer. Het college is klaar, ik fiets meteen door naar de bioscoop. Popcorn als avondeten, wat zou het ook. De film biedt enige afleiding, maar op het einde is mijn lip kapotgebeten. Pas wanneer de aftiteling begint, sta ik mezelf toe mijn telefoon te bekijken. Suzy. ‘Your package just arrived at my office this afternoon! It’s all good.’

Ik loop naar buiten. Het is al donker, maar de zon schijnt.

Suzy, bedankt. Er komt vast weer een volgend verhaal in deze reeks, maar ik weet nog niet waarover of wanneer. I’ll keep you posted! Letterlijk, mocht je dat willen – je kan je met de knop rechts inschrijven voor een mailtje bij een nieuwe post, of je kan mijn Facebookpagina liken om op de hoogte te blijven.