Utrecht

LIEFS UIT UTRECHT

IMG_9488.JPG

Het bleek lastig te schrijven over de laatste stad, terwijl ik er zelf niet was. Nu dan echt: over het leven in Utrecht.

Het leek allemaal opnieuw te beginnen, na de zomer. Ergens half augustus bracht de bus me door het centrum naar huis. De stad barstte uit elkaar, stromen studenten domineerden de straten, vormden de oorzaak van veel gezucht en getoeter – op wielen was er geen doorkomen aan. Beter lopen dus, manoeuvrerend tussen UIT-rugzakken vol folders die in een hoek zouden belanden tot ze nodig bleken – om dan verdwenen te zijn.

(Zo ging het tenminste bij mij.)

Al deze introductie-opwinding voelde deels nostalgisch, anderzijds maakte ik er opnieuw  deel van uit: eerstejaars op de uni, sjaars bij een vereniging. Alsof het studentenbestaan nu écht gestart is, na een gestaakte eerdere poging.

Een nieuw begin, maar een vertrouwd recept voor de eerste weken: vele ongemakkelijke voorstelrondjes, veel bier en het gevoel dat de stad van mij is – er voor mij is, als inmiddels vertrouwd decor waarin mijn voordeur zich bevindt.

Daarachter is veel hetzelfde gebleven: de gang ruikt nog steeds naar een mengeling van stofzuiger en het eten van gisteravond, dat eten is nog steeds een mengeling van geslaagd en niet-geslaagd. Er zijn filmavondjes, baalochtendjes en middagen waarop de keuken verandert in een bibliotheek, de tafel bedolven onder boeken, laptops gevaarlijk gepositioneerd tussen mini-sloten thee.

(Wel nieuw: twee huisgenoten en een citroengeranium. De vetplant op mijn kamer heeft de zomer niet overleefd.)

IMG_0415.JPG

Ik verliet de stad voor twee intro’s in het hoge noorden. Die van m’n studie was roze gekleurd, vol wespen, op een zolder vol krakende stapelbedden. De avonden waren voor themafeestjes. De ander was in een weiland en op het water – ontbijt aan lange tafels na een bootcamp in de sloot: zo’n honderd aspiranten met een slaperige blik en een opblaasdier om negen uur in de morgen. Daarna zeilend het water op, al moesten we ook daar soms blazen – maar de komende jaren zal de wind nog vaak genoeg voor ons waaien. ’s Avonds zingen en dan feest – altijd feest. Ten slotte wat verloren uurtjes bevroren in een hoekje van een legertent.

Met een hardnekkige kuch verscheen ik dus in college, niet geheel voorbereid op het feit dat ik, na een jaar mijn eigen gang gaan, opeens weer informatie in en uit mijn hoofd moest navigeren.

(Maar geef toe: een zin als ‘Bij de hexameters van Homerus zijn de metrische condities veel stringenter dan bij het Middelnederlandse heffingenvers!’ moet jij ook twee keer lezen.)

Ik beklom een zeephelling met een ei in mijn hand, maakte een presentatie over ‘De twaalf apostelen op de pijlers de Dom’, stond midden in de nacht voor een gesloten deur, zong karaoke op een boot, las een tekst in Middelnederlands, liet impulsief mijn oren piercen, vaarde achteruit op een surfplank, genoot van mijn herwonnen studenten-ov, leerde zeker honderd namen en vergat ook zeker de helft. Het is week twee.

Misschien is dat de reden dat dit stuk op zich liet wachten: iets te druk met leven om erover te schrijven.

Dat was ‘m dan, de laatste stad! Als je wilt kan je hier de stukjes over Eindhoven, Amsterdam en Rotterdam teruglezen. Er volgt vast wel weer een nieuwe reeks/willekeurige column/video/fotoreportage – ik weet alleen nog niet wanneer. Mocht je op de hoogte willen blijven, dan kan je m’n Facebookpagina liken of je inschrijven voor een automatisch mailtje via de knop hier rechts. Liefs!

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies. 

JE EIGEN LEVENTJE

FullSizeRender

Eind januari besloot ik dat het tijd werd om mijn eenpersoonspaleis in te ruilen voor een kamer in een studentenhuis. Door een combinatie van kieskeurigheid en een overvolle markt, heeft het even geduurd. Achttien mails, negen Facebookmessages, zeven berichten via Kamernet. Negentien uitnodigingen, elf afmeldingen, acht hospiteeravonden. Acht kamers vol glimlachjes, giechelende meisjes en chips waarvan nooit iemand eet. Zes keer een sms krijgen. ‘We vonden je supergezellig, maar helaas niet gezellig genoeg.’ Soms balen, soms niet echt. Maar sowieso denken: ik houd er leuke verhalen aan over. Bij deze.

FullSizeRender-1

‘Huize *** is op zoek naar een nieuwe huisgenootje! Per 30 februari komt er een kamer vrij in het allerleukste huis van Utrecht. Wij zoeken een meisje van minimaal 19 jaar – maar liever ouder – die weet wat het is om in een studentenhuis te wonen. We willen namelijk geen jonkie die we nog moeten leren koken of schoonmaken en bovendien moet je wel lekker op tempo mee kunnen zuipen. We zoeken iemand die enthousiast, gezellig, spontaan, sportief, knap en hilarisch is. Je drinkt graag wijntjes, doet graag drankjes en dansjes en je bent een beetje verslaafd aan Netflix. (Verder heb je hopelijk nog wel een authentieke hobby die jou er op de hospi uit laat springen, anders zijn we je aan het einde van de avond alweer vergeten.) We zijn een heel hecht huis met elke week een huisavond, maar ook huisweekenden, tripjes naar Berlijn en een kerstdiner in maart. We zoeken dus iemand die hiervoor in is, maar ook al écht haar eigen leventje heeft opgebouwd in Utrecht.’
FullSizeRender-4

In de voorstelronde probeer je een balans te vinden tussen deze ideale huisgenoot en de persoon die je echt bent. Want je danst inderdaad graag tijdens het uitgaan, liefst op foute hitjes die je hard en vals kan meezingen. Maar soms heb je het om twee uur wel gezien, val je half in slaap in een wc-hokje en besluit je maar naar huis te gaan. Daar heb je vrede mee. Je hebt geen pertinente hekel aan studeren. De favoriete huisseries heb je niet gezien. Prison Break niet. Breaking Bad niet. House of Cards niet. Je volgde wel trouw Wie is de Mol en van Modern Family kan je sommige afleveringen meepraten. Een deel vertel je, een deel besluit je strategisch te verzwijgen, afgaand op het soort avond waar je terecht bent gekomen. Om je een idee te geven:

Het onderonsje. Iedereen kent iedereen en anders op zijn minst één iemand. (‘Bij wie zit jij in de club dan? Bij Annabel? Nouuuu, wat toevallig! Ik heb met haar op de basisschool gezeten!’)

Het huis waar de overloop (3m2) ook de keuken en de woonkamer blijkt te zijn.

Het ongemakkelijke half uur. Na tien minuten loopt de secuur geprepareerde vragenlijst ten einde en beginnen er stiltes te vallen. Een zeldzaamheid op een hospiteeravond vol meiden. Maar hier is de helft niet komen opdagen. Er staan geen bierflesjes in de hoek, geen teksten op de muur, geen vaat op het aanrecht. Er is geen muziek – het enige geluid komt van de hamster die rondrent in zijn kooi. Je denkt wel kans te maken op de kamer, maar zegt het af, omdat je het gevoel hebt dat je anders bij twee veertigjarigen komt te wonen.

FullSizeRender-3

Het feest. Iedereen neemt bier mee, van kennismaken komt het niet echt – daarvoor staat de muziek te hard. Wie de kamer krijgt, wordt bepaald middels een rietadtcompetitie.

De bovenverdieping met de huisbaas die daaronder woont. (‘Hij heeft oorsuizen, dus je mag niet te veel met de stoelen schuiven. Hij wil alleen meisjes, omdat de toonhoogte van onze stemmen hem beter bevalt. Soms staat hij ineens in de gang. Wil ‘ie even babbelen. Ja, hij is echt heel geïnteresseerd in onze levens. Daarom wil hij ook eerst uitgebreid met je praten, voordat je hier komt wonen. Oh, en vanuit jouw kamer zie je hem soms halfnaakt yoga’en op het balkon. Maar verder is hij heel oké hoor. Echt.)

De diepe teleurstelling. Alles klopt: gezellig, licht, schoon zelfs. Het klikt. Het lijkt te mooi om waar te zijn – en dat is het ook. Je eindigt als derde. Hierna wil je nooit meer hospiteren.

Het semi-verenigingshuis. (‘Eigenlijk is alleen Noor lid, maar wij vinden het ook superlachen allemaal. Als je onze HJ wordt moet je trouwens wel een jaar lang alle afwas doen. Vo.’)

De kamer die eigenlijk een kast is.

FullSizeRender-2

De laatste. Je probeert op niets meer te hopen, en dat bevalt eigenlijk wel. Ook hier is het mooi, schoon, nieuw – de woonkamer is nog een lege ruimte, de tuin (!) slechts een gat in de nacht. Ook de kamer is donker – met een telefoon wordt bijgeschenen, maar je vergeet hoe het er eigenlijk uitzag. Op tafel staan chips die daadwerkelijk gegeten worden. Je praat zonder al te veel na te denken. Over het fijnste park van de stad, over Barcelona, over creativiteit. Je geeft toe dat je geen biertje openkrijgt met een aansteker. Je vertelt dat je het belangrijk vindt om ook elkaars ochtendhumeur, studiestress of irritante verliefdheid de ruimte te geven. Je loopt naar buiten. Misschien is dit het – de plek waar je eigen leventje zich zal gaan afspelen.

Twintig minuten later word je gebeld. Ondanks het feit dat je Eline Iris noemde en Kelly Amber, ondanks je ietwat zweverige verhaal over filosofie en het feit dat je nooit weet wat je moet koken. ‘Je bent het geworden. We vonden je een topwijf.’

OVER WISSELTRUCS, VERENIGINGSPERIKELEN EN HET KEBABPALEIS

Processed with VSCO with c1 preset

Nog voor de week is begonnen, besluiten we al te negeren wat de bedoeling is. Om negen uur staan we dus niet met de eerste shift bij Tivoli – we liggen nog in bed. We worden wakker op mijn slaapzolder die voor de gelegenheid in één groot matras veranderd is. Ik heb twee logees: oud-klasgenootje Mélina en nieuw-klasgenootje Sophie. Op tijd voor shift twee parkeren we onze fietsen. Een regenboogkleurig zebrapad leidt ons naar het gebouw waar het studentenleven dan echt moet gaan beginnen, middels de Utrechtse Introductie Tijd.

We krijgen een bandje, een nummer (allemaal een ander) en een tas vol met flyers die we de hele week nog toegestopt zullen krijgen. Al na één dag had ik een full-time horecabaan en een semi-gratis sportabonnement kunnen hebben. Maar omdat ik weet dat sommige dingen nu eenmaal té mooi zijn, eindig ik slechts met reclamefolders en een sletterige sticker. (‘Bezet? We zullen zien…’)

In het Wilhelminapark begint de zoektocht naar mijn groep. Het is een zee van in rode shirts gehulde mentoren, in hun hand een bordje met het groepsnummer. Het brugklas déjà vu is onvermijdelijk, alleen al vanwege de obligate en licht ongemakkelijke voorstelronde. Mélina en ik voeren een wisseltruc uit en komen terecht in Sophie’s groep, waardoor we maandag na een geslaagd karaokefeestje met z’n drieën de Utrechtse nacht door fietsen.

UIT20163

Dinsdagochtend ontmoet ik mijn nieuwe groepsleden in de afwezigheid van alcohol en harde muziek, waardoor ik een beter idee krijg met wie ik nu eigenlijk de week ga doorbrengen. Tijdens een workshop rugby komt ieders ware aard naar boven. Sommigen zijn te lief, anderen te hard en een deel ligt nog met een brak hoofd in bed. Ik behoor zelf tot de tweede groep. Na een uur ben ik zo’n vijf tackles en een broek vol grasvlekken verder. Tot grote hilariteit van de echte rugbyers, die de workshop organiseren. ‘Alleen nog de schouder erin en ze kan meedoen.’ Ik wijt het aan een combinatie van een tikje te lomp en een tikje te fanatiek. De verleiding om me direct in te schrijven is dan ook zeer groot, maar ik besluit toch nog even verder te kijken.

Er valt een hoop te kiezen wat betreft verenigingen, en iedereen gaat ergens bij – zo lijkt het. Ik ga mee naar rondleidingen en lach mee om bizarre paklijsten die na inschrijving in een fiks tempo bij elkaar gesprokkeld moeten worden. (‘Een uilenbal. Een blauwe kameel. Een handdoek voor als je eventueel kan douchen.’) Ook vanuit andere steden krijg ik wat mee van het verenigingsgeweld. Broerlief is al twee weken van de aardbodem verdwenen. Een vriendin uit Leiden doet een beroep op mijn creativiteit, in de hoop een invulling te vinden voor alle non-existente voorwerpen die ze dient te verzamelen.

We komen terecht in typische net-het-huis-uit-situaties. Dat we zowel fris als sinaasappelsap als wijn uit wijnglazen drinken, want die zijn nog schoon en afwassen kost moeite. Dat ik opeens saaie dingen koop als schoonmaakmiddel en wc-papier (zoveel soorten!). Dat we de Olympische Spelen heel goed kunnen volgen, omdat ons leefritme prima past bij de Braziliaanse tijdzone. Dat we om weet-ik-veel-hoe-laat in een bushokje friet zitten te eten, omdat ik de smerigheid binnen in het kebabpaleis niet aankan. En dat er dan daadwerkelijk nog een bus langskomt, want zo gaat dat in een grote stad.

(Je merkt, ik ben niets gewend.)

UIT20162

Maar de grootste bijdrage aan dat gevoel wordt geleverd door de studenten zelf, die de stad domineren deze week. Daarbij verbaas ik me over de enorme hoeveelheid knappe mensen die er in Utrecht woont. Wachten bij het stoplicht is niet meer erg en naar de supermarkt gaan is één grote datingshow. Flirten en boodschappen op een band laden gaat verrassend goed samen. Dan heb ik het niet echt over mijzelf, overigens. Nog even inkomen.

(Mocht je nu denken: lekker oppervlakkig, Milou – het is nog vakantie, hè. Inhoud volgt daarna weer.)

Het lijkt ook alsof we op vakantie zijn in Utrecht, inclusief overnachtingen in mijn eigen huis. De avonden beginnen met Thirty Seconds, waarbij de nodige memorabele quotes ontstaan. (‘Mercurius, is dat bier of een voetbalclub?’) Bovendien blijkt Mélina een waar topografisch wonder – de hoofdstad van Litouwen, anyone? We zetten de nacht voort op het dakterras van een studentenhuis, beklimmen honderden treden in Tivoli en dansen daarna ergens verder.

UIT20164

De UIT valt tegelijk met de zomer. Enkel strakblauwe luchten en licht verbrande schouders. Ultiem weer om te hangen in het park, zoveel mogelijk gratis waterijsjes te scoren en gewoon door Utrecht te fietsen. De zon laag, de terrassen vol. En te bedenken: ik wóón hier. Dit is mijn stad. Na deze week weer wat meer.

Ten slotte nog wat praktische info – vrij zeldzaam hier op de blog, dus doe er je voordeel mee. Drie tips voor toekomstige UIT-lopers!

  1. Regel een fiets in Utrecht. Bijna belangrijker dan een kamer, tijdens de UIT-week. Utrecht is niet extreem groot, maar de activiteiten zijn verspreid door de hele stad. Daarnaast heeft iedereen een beetje een hekel aan je wanneer ze je een week lang achterop moeten nemen. Sta je meteen 1-0 achter. Een fiets, dus.
  2. Zeg ‘ja’ tegen alles. Oké, misschien niet álles. Probeer je verstand niet helemaal uit te schakelen. Maar de UIT-week is een kans om op plekken te komen waar je daarna waarschijnlijk niet meer komt. Dus pak die. Ga mee naar het dakterras van je groepsgenootje, naar de workshop rugbyen om elf uur ’s ochtends, hoe gaar je ook bent. Zeg sowieso ja tegen de rondleidingen die door alle verenigingen georganiseerd worden. Je ontdekt een hoop lachwekkende tradities en komt direct in studentikoze sferen. Al is het maar door de geur van verschraald bier die op elke sociëteit aanwezig is.
  3. En dan de ultieme tip, die ik zelf van meerdere UIT-lopers kreeg: wissel van groepje als het je niet zint. Hoe enthousiast je ook probeert te zijn, soms klikt het gewoon niet zo. Kan gebeuren, met vierduizend nieuwelingen die willekeurig worden ingedeeld. Bedank voor de geweldige eerste dag/ochtend/vijf minuten. En dan nokken. Voor iedereen beter.

ZOEKEN EN VINDEN

9R7A8511

Het was zoeken en vinden, de afgelopen dagen. Zoeken naar mijn fiets in Utrecht. Zoeken naar de juiste woorden voor de diploma-uitreiking. En zoeken naar Pokémon, natuurlijk, al heeft dat niet direct betrekking op mij. Dat wil zeggen, ik zie het niet als een levensdoel op zich om een Pikachu te vangen of gymmaster te worden. Maar verder vind ik het alleen maar grappig dat enkele vriendinnen, familieleden en eigenlijk de halve wereld in de ban is van Pokémon Go. Alleen al omdat het de maatschappij op een sympathieke manier ontregelt. Nachtelijke meetings in het park, en het aloude ‘Doe je voorzichtig?’ dat vervangen is door ‘Je gaat niet rijdend Pokémons vangen, hoor!’

(Maar serieus: zorg alsjeblieft dat je nergens tegenaan knalt.)

In Utrecht vind ik steeds beter mijn weg. Naar mijn idee bevindt alles zich aan dezelfde lange straat, al zal dat waarschijnlijk betekenen dat ik pas een fractie van de stad gezien heb. Toch is het in mijn geval (‘zeg ik links, ga dan vooral rechts’) telkens weer een kleine overwinning wanneer ik, zonder op mijn telefoon te kijken, mijn fiets op de juiste bestemming kan parkeren.

Het terugvinden van die fiets is weer een ander verhaal. Wanneer ik op de Oudegracht een plekje zie, prop ik mijn zwarte gevaarte daar gedachteloos in. Slot van drie kilo eromheen, niets meer aan doen. En dus struin ik enige tijd later op en neer langs de rekken, terwijl ik telkens weer versteld sta van mijn eigen onoplettendheid. Ik moet ‘m maar snel oranje gaan spuiten, die fiets. Of van die plastic mamabloemen kopen voor aan mijn stuur.

(Maak je geen zorgen, toekomstige stadsgenoten. Ik zal geen neonkleurig kratje voorop zetten. Ik ben me er van bewust dat dat – vooral bij fietsenrekkenschaarste – zeer asociaal is.)

De eerste nacht dat ik in Utrecht sliep, was ik met Mienke. We deden een poging tot het schrijven van een verhaal voor de diploma-uitreiking. Het feit dat die nog even op zich liet wachten, maakte dat de druk om daadwerkelijk iets te schrijven vrij laag was. Maar het begin was gemaakt.

Vorige week donderdag voelden we dan toch enige urgentie dat verhaal af te maken. Dus dat deden we. We schreven en schrapten. We overlegden uitvoerig over een gebrek aan samenhang, over momenten die per se vernoemd moesten worden en welke grappen we wel of niet konden maken.

Afgelopen maandag besloten we het geheel maar eens te oefenen. Precies op tijd voor de diploma-uitreiking, die avond. Voorzien van corsages en een gezonde dosis zenuwen liepen we de zaal binnen. Op de achtergrond klonk een heel Amerikaans deuntje, overstemd door het applaus van vrienden en familie. Wij leerlingen namen plaats in het midden en werden overladen met mooie woorden. Voor iedereen was er een mooi, grappig, maar vooral persoonlijk verhaal. En toen kwamen wij.

‘Daar ben ik weer,’ begon ik, mijn stem galmend door de gymzaal. Door een samenloop van omstandigheden stond ik voor de vijfde keer op het podium tijdens ons laatste woord. De insteek was ‘doen alsof’. Wij leerlingen waren daar behoorlijk goed in, maar aangezien we de school zouden verlaten, was het niet langer nodig. Ik voelde me lichtelijk bezwaard om te vertellen over spijbelpraktijken en alcoholaffaires, na alle lof die over me was uitgesproken. Maar na het delen van die ‘stoere verhalen’, hebben we hopelijk de juiste woorden weten te vinden. Aan de hand van vele herinneringen wilden we bovenal duidelijk maken dat we een enorm fijne tijd hebben gehad.

(En toen kwam er opeens een filmpje voorbij dat vanuit de zaal werd gemaakt. Hierbij drie tips aan mezelf:

  1. Blijf van je haar af
  2. Minder boos kijken mag
  3. Blijf van je haar af.

Maar verder ging het best prima.)

Ten slotte wilde onze biologiedocent iets vragen aan onze gymdocente. Niet zomaar een vraag – hij ging ervoor op zijn knieën. Geklap en gejuich, een stiekem traantje en heel veel respect – je moet het maar durven. Mocht één van hen dit lezen: heel veel geluk samen!

In de aula zocht ik een hoop leraren die ik nog wilde bedanken. Niet allemaal gevonden, dus bij deze nog eens: bedankt voor alles. We zochten en vonden elkaar, de mensen met wie ik die mooie tijd beleefd heb. Een allerlaatste foto op het duistere schoolplein. Dertien meisjes in zomerse jurkjes, bloemen in de hand. Boven ons de leus waar we zo vaak de draak mee hebben gestoken, maar die voor ons toch waar geworden is. Zoals mijn mentor over me zei: mezelf gezocht en gevonden. Groot geworden op het Eckart.

Voor mijn gevoel ben ik al zo’n drie maanden afscheid aan het nemen van mijn middelbare school, en dat hier met jullie aan het delen. Hope you don’t mind. In ieder geval: hier houdt het echt op! On to the next one.

(DON’T) TAKE ME HOME

IMG_6372

Terwijl ik dit schrijf zit ik in de trein naar huis. Ik twijfel of dat nog wel de juiste verwoording is, ‘naar huis’. Ik ben op weg naar Son, maar daar woon ik niet meer. Niet meer helemaal.

Twee weken geleden reden we in een volgeladen Volkswagenbusje richting Utrecht. Mam en ik zaten nogal knus op het bijrijdersbankje, Mart zat achter het stuur alsof hij niet anders deed.

Twee weken geleden, maar het lijkt wel een maand. Dat komt omdat ik behoorlijk wat op en neer gereisd ben, de afgelopen tijd. Naar Amsterdam voor een concert en een videoklus. Naar Son voor feestjes en spullen. En naar Parijs, want daar staat tegenwoordig ook een bed waar ik in kan slapen.

Wanneer ik zeg ‘mijn ouders zijn geëmigreerd naar Frankrijk’ klinkt dat meteen heel drastisch. Maar mijn ouders zijn geëmigreerd naar Frankrijk. Mijn complete familie gaat dit jaar het huis uit.

Vorige week stapte ik in de Thalys om te kijken waar mijn vader de afgelopen maand nu eigenlijk geweest was. Het bleek een wijk waar typisch Franse mensen wonen. Die je dus écht met een stokbrood onder hun arm de straat over ziet steken. Die in rap Frans tegen je spreken, omdat ze er vanuit gaan dat jij één van hen bent.

(Dat beschouw ik natuurlijk als een compliment – wie wil er nu geen Parisienne zijn? Al moet ik zeggen dat de illusie gauw verbroken is, wanneer je even niet meer weet wat ‘stokbrood’ is in het Frans. ‘Ehm… Un pain comme ça, s’il vous plaît.’ ‘Une baguette?’ ‘Ah… Oui.’)

Met Mart en drie vrienden ging ik naar Champs de Mars. We keken een voetbalwedstrijd op een enorm scherm onder de Eiffeltoren, maar we zagen vooral veel zingende Engelsen. Ze bleken maar twee liedjes te kennen. In het ene kwam nogal vaak het woord ‘pussy’ voor. Van het andere lied – veruit het populairst – was eigenlijk maar één regel te verstaan. Die werd dan ook massaal meegebruld, en niet alleen door de Engelsen zelf. ‘Don’t take me home!’ galmde het door de Parijse straten. ‘Please don’t take me home.’

Vroeger wilde ik dat alles hetzelfde zou blijven. Het komende jaar zal er juist meer veranderen dan ik ooit verwacht had. Je mag me vragen hoe het allemaal gaat lopen, maar mijn antwoord komt steeds op hetzelfde neer: dat weet ik nog niet. Want ik weet het echt niet, nu vrijwel alles anders wordt. Nu ik twijfel welk huis ‘thuis’ is. Nu ik me regelmatig afvraag waar ik ben, wanneer ik ‘s ochtends wakker word. En soms vind ik het nog moeilijk. Nieuwe stad, nieuwe school, een nieuw familieleven. Een leven dat op allerlei plekken zal gaan plaatsvinden. Aan elkaar geregen via Whatsapp, door foto’s met als bijschrift: ‘Groetjes uit…’

Maar met de dag neemt de onzekerheid af. Kamer gevonden, diploma gehaald. (In die volgorde, ja.) Spullen verhuisd, IKEA-kasten in elkaar gezet. (Al is dat totaal niet mijn verdienste. Cum laude geslaagd voor het VWO, maar een handleiding volgen? Lukt me niet.) Met Colette leerde ik de Utrechtse kroegen kennen – ook niet onbelangrijk. Van haar broer wist ze waar we ongeveer moesten zijn. En volgens mij zijn we ongeveer overal geweest. Om half vijf ’s nachts renden we door een enorme regenbui naar huis, af en toe schuilend in portiekjes, wanneer een bliksemschicht de hemel oplichtte. ‘Over een jaar doen we dit weer,’ zei ze, ‘en dan laat jij me alles zien.’

Vroeger ging ik het onbekende uit de weg. Nu spreek ik de ene dag af in het Vondelpark, met een toekomstige klasgenoot, die ik alleen van internet ken. Ik rijd ’s nachts in m’n eentje door Parijs, zit dan weer met een rugzak vol cameraspullen op een kade in Amsterdam Oost. Ik trap op een vertrouwde fiets door onbekend Utrecht, waar ik me toch al behoorlijk thuis voel.

Dat gevoel wordt alleen maar versterkt wanneer ik met één van de tien sleutels mijn kamerdeur open. De kamer waar de kast staat die mijn opa veertig jaar geleden timmerde. Voor het raam de groene kist die meeging naar de Antillen. Een tafel en een bank uit Son. Aan de balustrade de lampjes die ik al op twee andere kamers heb opgehangen.

Soms was ik bang dat ik nergens meer thuis zou zijn. Maar het tegenovergestelde is waar: ik voel me overal wel op m’n plek. Al is het maar door al die mensen die in Brabant, Amsterdam, Parijs of Utrecht wonen en gezegd hebben: wat er ook is, je kan me altijd bellen.