Uitwisseling

OVER DE GRENS (VI) | IK BEN ER NIET

‘LOU’, appte een vriendin me laatst. Je naam in hoofdletters, dan weet je dat het menens is. ‘9 oktober, zet in je agenda: John Mayer.’ In mijn hoofd kocht ik direct een kaartje, tot ik me iets realiseerde.

‘Ik hoop dat dit concert in de VS plaatsvindt,’ stuurde ik haar.

‘Nooo! Ik was dit dus even vergeten.’

‘Geeft niet.’

Het zit ook nog niet in mijn systeem. Ik ga echt weg – dat is niet zomaar iets wat ik zeg, omdat het tof klinkt. De afgelopen weken heb ik me zo gefocust op waar ik heen ga; het besef dat het leven hier gewoon door zal gaan, schiet er soms bij in. Maar langzaam ontstaan er plannen voor het najaar. Weekendjes weg, 21-diners, concerten, exposities.

‘Merci voor de uitnodiging! Ik ben er alleen niet.’

Ik spreek die zin uit met gemengde gevoelens. Enerzijds hoor ik bij de generatie die Altijd Overal Bij Wil Zijn. Anderzijds schijnt dat juist zo fijn aan een periode in het buitenland: je hoeft er vrijwel niets.

Soms heb je toch van die dagen, dat je liefst de dekens over je kop zou trekken om even niet te bestaan? Onvermijdbaar komt er een vraag (of tien): ‘Kan jij misschien…’ ‘Donder op,’ wil je roepen, ‘niet vandaag.’ Dat kan ik straks een half jaar lang zeggen!

(Ik zal mijn best doen het iets aardiger te formuleren.)

Wel of niet naar dat festival? Wie gaat kaartjes regelen? ‘Even’ kijken naar document dit of dat? Wasmachine kapot? Cadeau voor die en die, ideeën over dit en dat? Challas – zie het maar. Zonder mij, in ieder geval. En dat kan ook prima. Tenslotte, ben je ooit écht onmisbaar? Het lijkt me best gezond daaraan te twijfelen.

(Eigenlijk wel raar dat ik moet migreren voor het me lukt ergens ‘nee’ tegen te zeggen, maar goed, daar kunnen we het later over hebben.)

Ook bij andere mensen daalt het besef in. ‘Je komt toch wel weer terug?’ vroeg mijn moeder laatst. Ik moest in eerste instantie lachen, maar voor haar was het een serieuze vraag. ‘Ja,’ antwoordde ik, naar mijn beste weten. ‘Natuurlijk.’

‘Want wat als je daar nou iemand ontmoet?’ hoor ik regelmatig. Op zich een romantisch idee: ver van huis, maar wel met een tall handsome stranger. Echter is er de afgelopen paar jaar niemand geweest van wie ik écht hotel de botel was. Misschien dat een of andere Amerikaan dat wel in me losmaakt, maar ik vraag het me af.

Mijn voorgangers vertellen me dat bij terugkomst alles nog hetzelfde zal zijn. Misschien ben ik veranderd. Misschien moet ik wennen – aan het tempo van het leven, aan wat hier normaal is. Maar al snel zal ik weer meehuppelen met de alledaagse realiteit – met of zonder langeafstandsrelatie.

OVER DE GRENS (V) | STRIKVRAGEN

De afgelopen weken heb ik jullie meegenomen in de voorbereidingen voor mijn uitwisseling. Deze verhalen ontstaan door bepaalde zaken uit te lichten, hier en daar een inkijkje in mijn hoofd te bieden en vooral de oninteressante gedeeltes weg te laten. Vanuit een meer realistisch perspectief had deze reeks namelijk ook anders kunnen heten – niet ‘Over de grens’, maar ‘Milou vult een shitload aan formulieren in’. Die serie zou zeker vijftig delen beslaan, maar ik betwijfel of hij goed zou worden gelezen. Printen, invullen, tekenen, scannen, mailen. Herhalen. Het betreft saaie gegevens: of ik schriftelijk wil bevestigen dat ik echt ga komen en echt de huur kan betalen. Of ik wel zeker weet dat ik ooit de waterpokken heb gehad, en of ik dan wel even bloed wil gaan prikken om dat te bewijzen.

Deze week vulde ik echter een vragenlijst in over meer fundamentele zaken. Het doel ervan was mij te koppelen aan een student waarmee ik een aantal maanden een kamer ga delen – mijn roommate. Op het eerste oog leek het triviaal van aard, maar na enig peinzen onthulden zich steeds meer lagen.

12. Is having a neat and organized space important to you?

Daar kan ik kort over zijn: ja, ik heb graag een nette omgeving. Van troep word ik onrustig, vooral als het niet van mij is. Je zou denken dat er niet meer achter zo’n vraag schuilt, maar schijn bedriegt. Wat ze waarschijnlijk bedoelen is: ‘Ben je een chaoot? Zo ja, dan zetten we je met een andere sloddervos samen, zodat niemand last van jullie heeft.’ Maar dat is niet wat er staat. Er staat: heb je graag een nette kamer? Op die vraag kan in principe iedereen ‘ja’ antwoorden. Dat zegt alleen niets over of je ook daadwerkelijk in staat bent je leven op orde te houden.

Daarbij twijfelde ik over de consequenties van mijn antwoorden. Misschien zetten ze chaoten en neat freaks juist samen, zodat ze elkaar tot een beter mens kunnen maken. Was dit een strikvraag? Het zou me niets verbazen, gezien het statement op de site: ‘We believe strongly in the value of a diverse community. Therefore we select roommates who will enhance eachother’s worldview by embracing new experiences and exposing themselves to a myriad of cultures and viewpoints.’

Lees: accepteer maar dat sommige mensen er nou eenmaal een teringzooi van maken.

Zo waren er wel meer vragen die behoorlijk diplomatiek in de verwoording waren.

23. What’s your preference regarding overnight guests?

Lees: vind je het erg als je roommate seks heeft terwijl jij op een meter afstand in dezelfde kamer probeert te slapen, of zit je daar niet zo mee?

47. Can you sleep with reasonable background noise/light?

Lees: ben je degene die steeds passief-agressief gaat liggen zuchten, of degene die zelf lawaai maakt?

Andere vragen waren dan weer behoorlijk sturend van aard, omdat er maar een paar keuzeopties waren.

68. How do you plan to utilize your room?

Ik dacht aan een kleine wietplantage, met daarnaast ruimte voor een popcornmachine en een massagestoel, maar helaas. ‘Studying, relaxing or socializing’, een van de drie moest het zijn. Wie weet zou het er alledrie wel van komen, maar er moest gekozen worden.

Er ontstond nog wat twijfel van existentiële aard.

81. How would you describe yourself?

Gelukkig was ook dit een meerkeuzevraag.

OVER DE GRENS (IV) | KOMT EEN MILLENIAL BIJ HET POSTKANTOOR

Een uitwisseling betekent een hoop geregel. Dat zal elke ervaringsdeskundige vast weten, maar bij mij is toch het vermoeden ontstaan dat Amerika een eervolle vermelding verdient op het gebied van bureaucratie. Met mijn felicitatiemail kwam een deadline mee, die ‘toch al wel snel naderde, dus of ik een beetje haast kon maken,’ aldus mevrouw X van Universiteit Utrecht. Binnen een paar dagen moesten er formulieren verzameld, ingevuld en ondertekend worden, en dan als de wiedeweerga op de post naar Nashville. Vanderbilt ging vervolgens bepalen of het hele feest inderdaad door zou gaan. Omdat ik het verder helemaal niet druk had – deadlines, tentamens, werk, ben je mal – liet ik alles uit mijn handen vallen en ging ik op pad. Ik schreef nog een motivatie en beantwoordde vragen over mijn ras en strafblad.

‘Are you Hispanic/Latino? Yes or no. What is your race? Check one: American Indian/Alaska Native, Asian, Black/African American, Native Hawaiian/Oth Pacific Island, White, Two or more races.’

‘Have you ever been suspended or expelled from a school?’

‘Have you ever been adjudicated guilty or convicted of a misdemeanor, felony or other crime?’

En zo ja, of ik dan een kort essay wilde schrijven over wat er precies gebeurd was en wat ik ervan geleerd had. Dus dat deed ik maar.

Dan nog een cijferlijst en mijn voorkeursvakken. In een avond haastte ik me door de honderden keuzes. ‘Master, Murder and Mayhem in Black Detective Fiction’. ‘Crafting Pottery in the Ancient World’. ‘Classroom Ecology’. ‘Introduction to Facial Plastic and Reconstructive Surgery’. ‘Tuba’. ‘Sport Economics.’ ‘Roman Law’. ‘The Art of Blogging’. ‘Introduction to Visualization’.

(Ik heb een hiervan daadwerkelijk gekozen, mogen jullie raden.)

Alle paperassen moesten worden voorzien van een stempel en een kus van mevrouw X, waarna ze er een gebed over uit zou spreken. Dit kon elke donderdagmiddag van kwart voor tot kwart over een (behalve toen ik voor de deur stond, want toen was ze net een weekje met vakantie).

Desondanks lukte het om alles op tijd te posten. ‘Ik moet hier eigenlijk kopietjes van maken,’ bedacht ik me, net nadat ik de envelop had dichtgeplakt. Ik had er maar één, door mijn ouders meegebracht toen ze in Utrecht kwamen eten, en die wilde ik niet openscheuren. A4-enveloppen liggen in ons studentenhuis nu eenmaal niet voor het oprapen en de deadline naderde. ‘Laat maar,’ dacht ik, ‘het zal wel loslopen.’

Hah.

Drie tot zes werkdagen zou het duren, verzekerde het meisje in het PostNL-hoekje van de supermarkt mij. Met spoed versturen leek haar zeker niet nodig, de zestig euro niet waard. Ik had ten slotte drie extra dagen speling, dan zou het nog steeds op tijd komen. Ik betaalde een tientje voor een aangetekende brief, stak de Track & Trace-code in mijn rugzak en liet het erbij. Terwijl ik wegliep sprak ik mezelf streng toe. ‘Kom op, Milou, dat jij nou een doemdenkende millennial bent die nooit echte post verstuurt is één ding, maar dat betekent niet dat het hele systeem disfunctioneel is. Dit werkt al honderden jaren.’

Hah.

Twee weken later. De deadline is verstreken en mijn brief is nog niet waar hij moet zijn. Wel ken ik de vijftiencijferige Track & Trace-code uit mijn hoofd en heb ik een vriendschappelijke band opgebouwd met de contactpersoon van Vanderbilt – ik mag Suzy zeggen. Ze heeft met engelengeduld al mijn paniekmailtjes beantwoord, meestal direct aan het begin van de Amerikaanse werkdag. Van haar heb ik een week extra tijd gekregen. Opnieuw op handtekeningenjacht (toch kopietjes moeten maken!), om de hele handel vervolgens in te scannen. Maar, vertelt Suzy, de fysieke papieren zijn nog steeds nodig. De brief moet terecht.

De rest van het leven gaat ook door, dus dit geregel moet tussendoor – in de bus, tijdens het eten of nu, in de pauze van mijn werkcollege. Ik volg een vak over coaching, het onderwerp van vandaag is ‘weerstand’. Ik plof op een harde, paarse bank in de gang en neem mijn telefoon ter hand. 

PostNL kan niets voor me doen. De brief is al in de Verenigde Staten, het zijn niet hun zaken meer. Ik moet mijn code bij de United States Postal Service invoeren, misschien kunnen zij me meer vertellen. En jawel: de brief is in Nashville, bij een postkantoor. Er is al een afleverpoging gedaan, maar toen was er niemand om ‘m aan te nemen. Redelivery is niet mogelijk. Of ik de brief dus zelf even wil komen ophalen.

Dit lijkt mij in strijd met het idee achter een postbedrijf. Ik stuur iets op, zij gaan het brengen. Toch?

Ik bel USPS en krijg een computer aan de lijn. ‘Could you please spell your first name? For instance, Jack: J – A – C – K.’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘Did you say: Emily?’

‘No.’

‘Could you please spell your first name again?’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘I’m sorry, I can’t help you with that. Is there anything else I can assist you with?’

‘Ik wil godverdomme gewoon een echt persoon aan de lijn! Please.’

‘I’m sorry, It seems like I’m not able to assist you today. Thank you for your call.’

Ik bel met het postkantoor. ‘Welcome to the Nasvhille Post Office. Please hold untill assistance is available.

Beeeeeeeep. Beeeeeeep. Beeeeeep. Beep – beep – beep.’

Geen gehoor.

Ik mail Suzy nog maar eens met een update. ‘I am very sorry. It feels like I have done everything that I could, but it’s just not working out.’

(Suzy vindt me vast een drama queen, maar het zij zo.)

Het is zes uur en ik weet het niet meer. Het college is klaar, ik fiets meteen door naar de bioscoop. Popcorn als avondeten, wat zou het ook. De film biedt enige afleiding, maar op het einde is mijn lip kapotgebeten. Pas wanneer de aftiteling begint, sta ik mezelf toe mijn telefoon te bekijken. Suzy. ‘Your package just arrived at my office this afternoon! It’s all good.’

Ik loop naar buiten. Het is al donker, maar de zon schijnt.

Suzy, bedankt. Er komt vast weer een volgend verhaal in deze reeks, maar ik weet nog niet waarover of wanneer. I’ll keep you posted! Letterlijk, mocht je dat willen – je kan je met de knop rechts inschrijven voor een mailtje bij een nieuwe post, of je kan mijn Facebookpagina liken om op de hoogte te blijven. 

OVER DE GRENS (III) | WAARHEEN

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen. 

OVER DE GRENS (II) | HOE VER JE WILT GAAN

Met slechts een veeg van mijn wijsvinger rolde de wereld op alfabetische volgorde over mijn scherm voorbij. Australië, België – Zweden, Zwitserland. Ikzelf bevond me op een vertrouwde plek, aan de keukentafel van mijn ouders. Het was een grijze zondagmiddag, die ik normaliter was vergeten, ware het niet dat ik bezig was plannen te smeden: op zoek naar de stad waar ik een half jaar zou gaan studeren, gaan leven.

Ik zou jullie hier graag een prachtig verhaal willen vertellen over hoe deze keuze tot stand kwam. Dat ik al sinds m’n elfde gefascineerd was door dit en dat deel van zus en zulk land. Maar mijn keuzeproces was nu eenmaal niet zo romantisch. Het begon ook vrij negatief: ik besloot eerst te bepalen waar ik sowieso niet heen wilde. Hierbij was elke reden een juiste voor mij, hoe futiel die ook mocht zijn. Te ver, te koud, te onbekend, het waren allemaal geldige argumenten. Ergens knaagde dat wel: moest ik mezelf niet uitdagen door, ik noem maar wat, de universiteit van Guadalajara ook in overweging te nemen? Maar dan bedacht ik me weer hoe spannend ik het überhaupt vond om een halfjaar weg te gaan. Wat de bestemming betreft gunde ik mezelf iets comfortabels.

(Maar ik ging niet naar België – er zijn grenzen, hoor, dan kon ik net zo goed niet gaan.)

Per bestemming waren er verslagen beschikbaar van studenten die daar gezeten hadden. Ik heb er denk ik wel honderd gelezen en kwam tot een wensenlijstje. Zo ging ik het ook maar zien: als ik zou vertrekken, dan wel op mijn manier. Een ding wat ik al snel ontdekte, was dat voor een hoop studenten een uitwisseling gelijkstaat aan een halfjaar feesten. Velen hebben hun bachelor al gehaald en plakken daar nog een exchange aan vast, waarin het aantal behaalde studiepunten niet echt meer uitmaakt. Ook is het niveau van onderwijs in Nederland vrij hoog, en daarmee vergeleken, het niveau elders over het algemeen laag. Er is dus ook daadwerkelijk veel tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Ik vermoedde dat me dit na een maand wel tegen zou gaan staan – ik wilde naar een plek waar ik iets nieuws kon leren. Verder wilde ik de taal al spreken, liefst mijn Engels verbeteren in een land met veel native speakers. Ten slotte, geen gezeik om een kamer te regelen – je kunt nu eenmaal niet van tevoren even gaan kijken.

En misschien wist ik het sowieso al wel – waren deze eisen slechts een omweg, waarmee ik hoe dan ook bij mijn voorkeursbestemming zou eindigen. Met familie was ik een paar keer in de Verenigde Staten geweest. In 2017 had ik Colette bezocht, die een jaar de college life leefde in Virginia. Over de jaren was het gevoel ontstaan waar ik die zondagmiddag pas na een paar uur scrollen naar begon te luisteren: daar zou ik wel een paar maanden willen zijn.

Er was veel meer mogelijk dan ik dacht. Onder de noemer ‘Amerika’ stonden een aantal grote namen: universiteiten waarvan ik twijfelde of ik ervoor zou worden uitgekozen.   Top-20-scholen met één of twee plaatsen voor alle gegadigden uit Utrecht. Wat was dan de kans dat ik de gelukkige werd? Op dit moment moest ik mezelf weer terecht wijzen: ik wist het niet. De selectieprocedure was niet transparant, ik wist niets van mijn kans, dus moest ik me er ook niet door laten leiden.

En zo had ik uiteindelijk een shortlist vol prestigieuze universiteiten. Vervolgens deed ik wat ik altijd doe als ik voor een ingrijpende keuze sta: een excelsheet maken, met daarin alle opties en details. Van cijfereisen tot housing, van de sfeer in de stad tot het weer – om dit vervolgens allemaal te negeren en op mijn gevoel een keuze te maken. Wie hield ik voor de gek, het meisje dat altijd haar onderbuik aan het woord laat. De top drie was gemaakt.

Ik vertelde het aan iedereen. Even voor de duidelijkheid: ik wist nog steeds niet zeker of ik überhaupt op uitwisseling wilde gaan. Toch leek het me goed als zoveel mogelijk mensen van mijn plannen zouden weten – mocht ik nog terugkrabbelen, moest dat wel met een goede reden. Over mijn motivatiebrief deed ik een aantal dagen. De eerste opzet stond snel, maar wanneer ik mijn woorden teruglas, hoorde ik iemand anders praten. Het Engels was de oorzaak. Nog nooit eerder had ik ervaren hoe moeilijk het is om jezelf te zijn in een taal die niet als vanzelfsprekend komt. Maar de deadline naderde. Ik leverde mijn brief in en besloot tevreden te zijn. Nu was het aan iemand anders – uit mijn handen.

Binnenkort zal ik onthullen waar ik heen ga! Het is op dit moment nog niet honderd procent officieel, namelijk. Ik ben ‘conditionally approved’, zoals dat heet. Het is een bureaucratisch proces, zo’n uitwisseling. Daarover vertel ik nog wel een keer (officiële stempels, internationale pakketjes, vragen over eventuele strafbladen, dat soort zaken). Vast een tipje van de sluier: ik mag naar de plek waar ik het liefst heen wilde. 

OVER DE GRENS (I) | MITSEN EN MAREN

Binnen mijn studie is er de verplichting om ofwel stage te lopen, ofwel studiepunten te halen in het buitenland. Het eerste jaar gunde ik het mezelf die keuze voor me uit te schuiven, niet alvast naar een voorlichting te gaan zoals genoeg studiegenoten wel deden. Ik had het al druk genoeg met wegwijs worden op BlackBoard, uitzoeken hoe je een tweet moet vermelden in je literatuurlijst en de vraag hoe ik mijn ov-kaart kon koppelen aan het kopieerapparaat. Er was geen ruimte voor grote keuzes met bijbehorende overwegingen – zo hield ik mezelf voor.

Ik heb er namelijk wel een handje van om te stellen dat ik ergens niet over kán nadenken, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Volgens dat patroon vertoonde ik ook dit studiejaar keuzevermijdend gedrag, tot ik uiteindelijk ergens in oktober in de zaal belandde waar ik twee jaar eerder mijn studiekeuze had gemaakt. De tl-verlichting zoemde boven de hoofden van een bonte verzameling studenten, van kunstmatige intelligentie tot Keltisch, terwijl buiten de herfst haar intrede deed. Ongeveer een uur luisterde ik naar hoe mega-fantastisch-gaaf het wel niet was om een half jaar te spenderen in Roskilde, Timisoara of Nanjing. Dat was geen nieuwe boodschap, aangezien iederéén die terugkomt uit Lima, Lodz of Leuven je dat vertelt. Ik geloofde het alleen nog niet zo.

Met een onbestemd gevoel verliet ik de zaal. Het werd veroorzaakt door een redenatie die ik niet langer kon negeren. Als ik ik niet naar het buitenland had gewild, was ik nu al lang bezig geweest met het bekijken van stages. Dat was niet het geval en dus was er maar één mogelijke conclusie: ik wilde wel, maar ik durfde niet.

Ambitie en pessimisme gaan niet per se goed samen. Ik zou mezelf heus niet omschrijven als een negatief persoon, maar ik heb nu eenmaal geen aangeboren vertrouwen op de goede afloop. Tel daarbij op dat ik over veel dingen duizend keer nadenk, en je zal begrijpen dat ik nieuwe wegen veelal voorzichtig insla. Vroeger wilde ik liever niet eens beginnen, wanneer er een kans was dat iets fout zou gaan. Dat heb ik wel achter me gelaten. Gelukkig maar – anders had ik nu geen rijbewijs, geen leuke huisgenoten en had ik me nog steeds afgevraagd of ik niet toch naar de kunstacademie had moeten gaan. Nu kan ik die laatste vraag met een empirisch verkregen ‘nee’ beantwoorden, en daar ben ik erg blij mee.

Ook bij dit besluit moest ik mijn blik niet laten vertroebelen door mitsen en maren. Hoe ging ik een fijn huis vinden op mijn bestemming? Wat als ik niet mee zou komen op het niveau daar? Wat als het juist heel makkelijk was en ik me een half jaar suf zou vervelen? Wat als ik me alleen, overweldigd, verdrietig zou voelen?

Wat als ik terug zou willen.

Stuk voor stuk voor stuk vragen waar ik vanuit Nederland geen antwoord op ging vinden. En dus plande ik na mijn tentamens een dag waarop al die gedachten niet mochten bestaan. Met lichte zenuwen opende ik de digitale lijst met alle 560 uitwisselingsbestemmingen, om uit te zoeken waar een zorgeloze versie van mij het liefst heen zou gaan.

Een nieuwe serie! Waar mijn vrienden, collega’s en studiegenoten zich fluitend over de hele wereld lijken te verspreiden, was dat voor mij nog wel even een dingetje. Maar naar alle waarschijnlijkheid ga ook ik Nederland voor een paar maanden verlaten. Ik wilde graag schrijven over de weg ernaartoe, al was het maar omdat het voor mezelf verhelderend werkt. Volgende week meer over het keuzeproces, excel-sheets en motivatiebrieven.

L’ÉCHANGE

scan

Een tip voor als je ook ooit zo’n collage wilt maken: check eerst of de Belgische vlag nou rood-geel-zwart is of zwart-geel-rood. Het zou je een hoop tijd kunnen besparen. ;)

Na een tijdje heen en weer gemaild te hebben was het zover: de uitwisseling met Frans. Met het vak Frans, bedoel ik. De correspondenten waren Belgisch, uit het Franstalige deel. Voor de uitwisseling van één dag kwamen ze naar mijn school toe. De eerste drie uur zat ik gewoon in de klas. Op de helft van het derde mochten we gaan, maar het leek onze docent beter om meteen te vertrekken. ‘Anders zouden we de les toch alleen maar verstoren.’ Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben.

Ik wachtte samen met de anderen in de aula, met uitzicht op straat. Er kwam een bus aanrijden. De spanning steeg. De deur ging open. ‘Jaaa, daar komen ze! Oh, ze zijn allemaal veel ouder. Kijk, kijk! Ik zie de van mij al!’ Rustig, lieve klasgenootjes. Het zijn mensen, geen aapjes in een kooitje. Met z’n allen liepen we naar buiten. Het leek wel geregisseerd. Uit het andere gebouw kwam een groepje leerlingen, wij voegden ons bij hen. Samen stelden we ons op tegenover de Belgische uitwisselingsstudenten, die op een kluitje bij elkaar stonden. Er zat ongeveer vijf meter plein tussen ons in. Ik besloot me eens heldhaftig op te stellen en stak over.

Al snel had ik mijn e-mailvriendin gevonden. Laat ik haar Cecile noemen. Ik tikte haar op de schouder. ‘Bonjour…. j’ai….. tu as…. mijn hemel, euhmm….’ Op papier is mijn Frans behoorlijk. Ik kan mijn hele dagprogramma opschrijven, vertellen over shopsessies (in kledingwinkels of supermarkten), op reis gaan met de trein, het vliegtuig of met de auto. In theorie dus, hè. In de praktijk bleek het allemaal wat anders en moest ik het eerste half uur steeds 30 seconden nadenken voordat ik iets zei. Er vielen dus behoorlijk wat stiltes. ‘C’est un petit peu…’ Ik zocht naar het goede woord. Cecile glimlachte verlegen. ‘Embarrassement?’ ‘Oui.’

Ik en een groepje klasgenoten gaven onze correspondenten een rondleiding door de school. Met z’n alleen hadden ze een stuk meer praatjes, dat bleek wel. Constant had ik het idee dat ze over ons praatten en ons stiekem uit aan het lachen waren. In gebrekkig Frans probeerde ik wat te vertellen over de school. Ici, c’est le couloir pour les cours exactes. Biologie, chimie, physique… De vleugel van de exacte vakken heeft een afgrijselijke gifgroene vloerbekleding. Het doet bijna pijn aan je ogen. Het wordt ook wel ‘de groene hel’ genoemd. Maar ja, leg dat maar eens uit in het Frans. L’horreur vert?

Er stonden verschillende dingen op het programma, onder andere spelletjes. We speelden pesten en deden ‘Wie is het?’ (‘Tu est un garçon? Tu as un chapeau?’) Ook deden we een soort hints, maar dan met plaatjes. Op één van die plaatjes was Kuifje, ook wel Tin Tin, te zien. Al snel kwamen ze erachter dat ik Milou heette, net als, jawel: het hondje van Kuifje. In België heet hij geen Bobbi. Vroeger had ik een t-shirtje van het witte hondje. Daarnaast stond ‘Milou’. Ik was er heel trots op. Deze specifieke dag iets minder.

Je kon er donder op zeggen dat het volgende ging gebeuren. Het was alleen even afwachten wanneer. Tijdens een creatieve opdracht was het zover: we leerden onze correspondenten de woorden die niet in de lesboeken staan (en vice versa). We hielden het nog behoorlijk netjes, hoor. ‘Tu est un pannenkoek.’ ‘Oui, oui, je connais ça! C’est…’ Hij keek nadenkend naar zijn buurman. ‘une crêpe!’ Dat snapten ze natuurlijk niet. Waarom zou je iemand noemen naar iets wat je op kunt eten? We hadden niet echt zin om de hele gebeurtenis met Marco van Basten uit te leggen. Volgende woord. ‘Tu est un koekwaus!’ Tot nog niet zo lang geleden kenden de meeste Nederlanders dit woord ook niet, denk ik. Tot de New Kids het introduceerden doormiddel van hun films. (Behalve het woord koekwaus hebben die films niet echt een goede indruk achtergelaten over Brabant. Even voor de duidelijkheid: we zijn niet allemaal zo. ;)) Onze Franse correspondenten leerden ons ook wat van hun vocabulaire. We zijn er alleen nog steeds niet achter wat het allemaal precies betekent. Uit voorzorg gebruik ik hun termen dan ook maar niet.

Na een sportieve activiteit namen we afscheid. ‘Bon voyage, et au revoir à deux semaines!’ Vele meisjes schrokken toen hun (mannelijke) correspondenten hen zoenden bij het afscheid. Oh ja, dat is heel normaal in Frankrijk (en in België dus blijkbaar ook). Maar toen één van de Nederlandse meisjes haar correspondent een derde zoen wilde geven, werd het écht een luchtkus. Ze was even vergeten dat drie maal alleen in ons landje de gewoonte is. De jongen in kwestie heeft het denk ik nooit geweten – hij was al weg.

* Fouten in de Franse (en/of Nederlandse) teksten voorbehouden.

LOVE: GOOGLE

scan

Google is mijn held. Waarom? Om te beginnen is het een zeer handige startpagina. Hoezo? Je hebt toch zo’n zoekbalkje rechts bovenin je scherm? Maar zoals ik al eerder op mijn blog heb gezegd: ik ken mezelf. Wanneer ik Nu.nl, Twitter of Facebook instel als mijn startpagina is daar altijd wel iets interessants te zien. Vooral bij de ‘Opmerkelijk’ pagina van Nu.nl kan ik lang blijven hangen. ‘Middelbare scholieren moeten intekenen voor wc-papier’, ‘Dieven stelen voor 50.000 euro aan chicken-wings’ of ‘Begrafenisstoet rijdt door drivetrough’. Zeg nou zelf, wanneer je zoiets leest, wil je daar toch meer over weten? Oké, misschien ook niet. Ik wel, in ieder geval, dus wanneer ik dan voor school iets moet opzoeken ben ik zo een half uur verder. Google als startpagina is  mijn oplossing. Ik ga namelijk niet bewust zoeken naar nieuws over een vermiste schildpad die al dertig jaar op zolder zit. Het nieuws op die opmerkelijk pagina is zo… opmerkelijk, dat ik het niet eens kan bedenken.

Google is dus handig tegen de afleiding, wanneer ik bezig ben voor school. Maar ook tijdens schoolopdrachten kan het hulp bieden. Bij Frans, bijvoorbeeld, zijn we bezig met een uitwisseling. Hiervoor sturen we mailtjes aan kinderen uit het Franstalige gebied van België. In het Frans dus. Leuk om te doen, maar heel diep gaat het allemaal niet. Dat krijg je ervan wanneer je alleen maar voorgekauwde zinnetjes uit je boek leert. Ik kan bijvoorbeeld zeggen ‘Moet je het kaartje afstempelen?’ (Il faut composter le billet?). Ook kan ik mijn voicemail instellen in het Frans (Laissez-moi un message après le bip sonore.). Maar woorden die een zin een beetje lekkerder laten klinken, beter laten lopen, die staan er niet in. Dingen als ‘in ieder geval,’ ‘maar goed,’ of ‘ik weet niet hoe het met jou zit’ zijn niet aanwezig op de Pages Jaunes, de woordenlijsten in mijn boek. En daar komt Google weer om de hoek kijken. Translate! En ik verdenk mijn correspondentiemaatje ervan dat zij het ook gebruikt (‘Ikk ben heel blij van een e-mail te krijgen , ik wacht er heers lang op :)’ Maar ik mag niets zeggen natuurlijk, mijn Frans zal ook verre van foutloos zijn. Ik denk dat we hard gaan lachen samen, op de dag van de uitwisseling.)

scan0001

En dan nog even in het kort waarom ik het zo geweldig vind. Google Maps helpt me bij mijn gebrek aan richtingsgevoel. Daarnaast wordt je, wanneer je via Google Maps een route plant van Japan naar Hawaï, doodleuk verteld om even de Grote Oceaan over te kajakken. Dat je snake kan spelen wanneer je een YouTube-filmpje aan het laden bent (want dat is tegenwoordig ook van Google.) De aparte Doodles waarin ze hun logo veranderen op belangrijke dagen (zoals daar zijn: de 150e verjaardag van de metro, 9 januari, of Chinese Valentijnsdag, 23 augustus. Om maar even wat te noemen). Dat Google alles weet. Iets wat ik altijd nog een keer wil invullen bij een werkstuk: Bron: Google. (Oei, oei, oei, als er één manier is om mijn docent Nederlands op de kast te krijgen…)

En nou weet ik wel dat Google eigenlijk een groot gemeen bedrijf is, wat je gegevens opslaat en daar veel geld aan verdient. Dat je door hen steeds banners van de Zara op je scherm kijkt, omdat ze weten dat je hun webshop hebt bezocht. En dat je daardoor spullen van de Zara gaat kopen en Google daarmee op de één of andere manier de wereld gaat overnemen. Maar jongens, dat is nu nog allemaal niet aan de hand. Voor nu is Google mijn held.