Uitwisseling

NASHVILLE | WENNEN EN MISSEN

B7B6B2D2-2AE9-4A6B-A2A5-D9345A9468AD.jpeg

Vanaf het moment dat ik overwoog op uitwisseling te gaan, tot de dag van mijn vertrek was ik bang voor het missen – en dat het niet voorbij zou gaan. Al na het eerste facetimegesprek met het thuisfront bleek dat niet waar. Dit kon ik aan, zeker voor een half jaar. Toch bleef ik voorzichtig. Vooral ’s avonds was ik op mijn hoede voor heimwee die zich mogelijk in het duister schuil zou houden. Als voorzorgsmaatregel zorgde ik voor constant achtergrondgeluid – heel wat avonden ben ik met Jinek in slaap gevallen. Maar de slaap kwam gewoon, net als thuis, vaak zelfs sneller. Inmiddels is in Nederland de dag vaak al aangebroken als mijn hoofd het kussen raakt. Het resulteert in een fantastische nachtrust – het voelt veilig, in slaap vallen met de gedachte dat er mensen wakker zijn die ik kan bereiken.

Wat betreft de dagen: die zijn meestal vol genoeg om me niet druk te maken over wie in Nederland waar is en hoe graag ik daar ook zou willen zijn. Soms overvalt het me even, als ik opeens bedenk ik sommige mensen pas in januari weer in mijn armen kan sluiten. Maar appjes en spraakmemo’s voldoen over het algemeen om het missen te dempen. Het gemis dat wel op de voorgrond treedt, beperkt zich dan ook meer tot oppervlakkige zaken. Zoals daar zijn:

Een nachtkastje.

Een tweepersoonsbed. Vooral de gecombineerde afwezigheid van deze twee maakt het leven lastig – ik kan mijn spullen niet buiten en niet in mijn bed laten, waardoor ik geregeld met mijn hoofd op een laptop in slaap val.

Een douche zonder douchegordijn. Douchegordijnen zijn de smerigste dingen op aarde, met hun neiging om statisch tegen je aan te plakken. Helemaal als je de douches met zo’n vijftien vrouwen moet delen.

Brood. Doen ze hier niet aan, Amerikanen eten alleen maar bagels, volgens mij. In de supermarkt kan je wel brood krijgen, maar dat verbleekt bij Liefde & Passie van Albert Heijn.

Daarop voortbordurend: supermarkten op normale afstanden. Oh, en de bioscoop.

Gezellige ruimtes om in te niksen. Dat wil zeggen: met een fijne bank en zonder tl-licht.

Herfst. Slaan ze hier over. Het is nog steeds vijfendertig graden en ik begin te vermoeden dat het het straks binnen een dag winter zal zijn.

Mensen die ik kan knuffelen of gewoon tegenaan kan hangen zonder dat het raar is, omdat ik ze pas twee dagen ken. Amerikanen zijn minder knuffelig dan ik had verwacht.

Naast het missen is er een tegengestelde beweging gaande: het wennen. Dat betekent weten hoe lang het lopen is naar mijn lessen, ofwel tot hoe laat ik uiterlijk in bed kan blijven.

Niet meer constant mijn spullen kwijtraken omdat alles langzaam maar zeker een vaste plek heeft gekregen.

Iemand mijn naam horen roepen terwijl ik naar mijn les loop of in de rij van de dining hall sta.

Het schema van de dining halls kennen zodat ik op de goede dagen kan komen opdraven voor Tortellini Tuesday of Pho Friday.

Een favoriete douche hebben en verontwaardigd zijn als die bezet is, of vies gemaakt.

Een balans vinden in mijn kleding, voor het woestijnheet van buiten versus het aircokoud van binnen. (Wat het beste werkt zijn ofwel bedekte benen, ofwel lange mouwen.)

De weg worden gevraagd en het weten.

Het lokale vervoermiddel gebruiken. Ik heb geen Prius gekocht, maar maak wel graag gebruik van de elektrische rental scooters. Wanneer ik over de stoepen zoef, voelt het wennen ultiem geslaagd.

NASHVILLE | DE ONGESCHREVEN REGELS

Tijdens mijn eerste les op Vanderbilt was ik naast een ADHD’er gaan zitten. Tenminste, dat is wat ik dacht – gedurende het college van vijftig minuten bewoog er steeds minimaal één lichaamsdeel van hem in een onrustig ritme op en neer. Het begon met zijn knie, daarna zijn voet, duim en terug naar de knie. Soms trilde de grond lichtjes mee, alsof er ergens in de verte een trein voorbij kwam rijden.

De kunstfaculteit zag eruit als een tempel uit de Griekse oudheid, inclusief zuilen en marmeren trappen (al weet ik van die laatste niet of ze die in Athene ook hadden). De lokalen waren echter heel normaal – een beamer en een stuk of twintig stoelen, met een half bureautje aan de rechterkant geplakt. Wie links was, had het hier lastig. Drie keer per week zou ik college over Moderne en Hedendaagse kunst volgen, ijverig meeschrijvend omdat de dia’s enkel uit afbeeldingen bestonden.

Terwijl de professor Cézanne besprak, zag ik bij mijn buurman de spanning opbouwen. Bij Picasso had hij het gehad – in een vloeiende beweging trok hij zijn lange lijf uit het krappe zitje. Hij pakte zijn bijna lege beker waar ijskoffie in had gezeten en liep ermee naar de voorkant van het lokaal. Daar gooide hij het in de prullenbak, waarna hij weer ging zitten.

Ik verwachtte dat de professor raar op zou kijken, misschien zelfs een opmerking zou maken over waar hij precies heen dacht te gaan. Niets van dat alles. Dit zou de weken erna nog constant gebeuren: studenten die midden in het verhaal van de docent opstaan om naar de wc te gaan, water te halen of in het geheel de zaal te verlaten. En zo zijn er wel meer ongeschreven regels.

Neem het fenomeen ‘participatiecijfer’. In Utrecht kan je in principe ieder werkcollege apathisch voor je uit staren zonder dat daar consequenties aan verbonden zijn. Oké, iedereen vindt je irritant en raar, maar je cijfer gaat er niet door omlaag. Hier is het anders geregeld: je krijgt punten als je überhaupt aanwezig bent en daarnaast houdt de professor in de gaten of je wel actief meedenkt. Het is veelal je eigen verantwoordelijkheid om dit te laten blijken.

Die eerste week was ik verbaasd over de vurigheid waarmee handen omhoog schoten wanneer er een vraag werd gesteld. Ik vroeg me af hoe het mogelijk was om binnen een seconde je gedachten op een rijtje te krijgen ten aanzien van, zeg, analytisch versus synthetisch kubisme. Ik heb hier inmiddels een theorie over ontwikkeld. Sommige studenten bedenken niet per se van tevoren wat ze eigenlijk willen zeggen. Ze beginnen gewoon met praten en kijken wel waar ze uitkomen. Soms lukt dat heel aardig. Op andere momenten is het lastig het daadwerkelijke punt te maken. Een betoog kan dan eindigen met: ‘Yeah, so, sort of…’ ‘That’s an interesting thought,’ zegt de professor dan, en gaat verder met haar verhaal.

Een andere manier om je goede wil te laten blijken is door in te haken op het commentaar van een medestudent. Hiervoor worden verschillende phrases gebruikt. ‘Going off of that’, ‘adding on to that’, ‘bouncing off of that’, ‘building off of that’ en mijn favoriet: ‘piggybacking off of that’. Het daadwerkelijke verband blijft regelmatig uit. Maar die punten zijn weer binnen.

Verder opmerkelijk: de docent die ons in de syllabus verzocht geen parfum naar zijn les te dragen, want daar kon hij niet tegen. De neuroscience professor die elk college begint met keiharde muziek, afwisselend van ‘Take it easy’ bij een moeilijk hoofdstuk tot ‘Serotonin’ als we het over neurotransmitters hebben. En de docente die me appte, twee weken na het begin van de lessen. ‘Just checking in to see if you are doing okay, since you’re so far away from home. If I can help you with anything, just let me know.’

Als je je afvraagt hoe het met me gaat: livin’ and learnin’, zoals ze dat hier zouden zeggen. Ik schreef eerder al over de t-shirtcultuur die hier heerst en de oriëntatieweek vol triviale vragen, mocht je dat gemist hebben. Oh en laat je niet misleiden door mijn snedige verhalen – ik begeef me hier tussen een heleboel slimme, hardwerkende (en lieve!) mensen.

NASHVILLE | MET JE PRINCIPES OP DE BORST

Voor een paar dagen woonde ik op een haast lege campus. Mijn verdieping was verlaten, op een sporadische schoonmaakster na. Ik hoefde niet te wachten op de lift, er was geen rij in de kantine, maar pas met de aankomst van andere studenten begint Vanderbilt te leven. Het blijkt een divers gezelschap, anders dan de overwegend witte universiteit die ik uit Nederland ken. In andere opzichten is het juist een uniforme groep – en dat mag je letterlijk nemen. De meesten van hen zijn in een standaard tenue uit te tekenen: sneakers, shorts en een t-shirt. Natuurlijk zijn er ook meisjes in jurken, jongens in overhemden, maar ze zijn niet in de meerderheid. Over het algemeen zien de studenten hier eruit alsof ze naar de sportschool gaan, of net zijn geweest.

(Ik heb één keer de fout gemaakt het te vragen. ‘Did you have a nice work out?’ Dat gebeurt me niet nog eens.)

Een ontdekking die ik deed: elk shirt moet iets betekenen. Waar ik doorgaans opteer voor zwart, misschien een printje als ik in een gewaagde bui ben, moet er hier tekst op staan, of op z’n minst een symbolisch teken.

Toon me je t-shirts en ik zeg je wie je bent. Move in crew, freshman mentor, Vanderbilt student. Je zou zeggen dat dat laatste wel duidelijk is als je überhaupt op de campus rondloopt, maar zo werkt het niet blijkbaar. Het helpt dat je voor elke minimale prestatie een t-shirt krijgt uitgereikt: als je komt kijken bij een voetbalwedstrijd, aan het einde van de oriëntatieweek. ‘You made it,’ je hoort erbij.

Supporter van het footballteam, lid van de literary society, class of 2020. Thuis moet je raden in welk jaar iemand zit. Hier loopt men rond met identiteit, interesses en principes op de borst. Ook de bestickerde laptops en waterflessen verkondigen een duidelijke boodschap: dit is waar ik voor sta.

(Ik moet denken aan de spijkerjasjes die ik met mijn jaarclub liet maken. Er mocht absoluut geen jaartal of verenigingsnaam op staan – we wilden ze nog wel ‘gewoon’ kunnen dragen.)

Donderdag was het voor ons newcomers tijd om een keuze te maken. In een immense sporthal hadden zich alle denkbare clubs verzameld om een goede eerste indruk te maken op een stuk of zestienhonderd transfers en eerstejaars.

(De hal zelf, bekleed met meters en meters aan plastic gras, droeg daar niet echt aan bij.

‘It smells like feet, aldus een van mijn nieuw verworven vrienden. Ze had gelijk.)

Lichtelijk overweldigd baande ik mijn weg langs de tafels, terwijl me steeds dezelfde vraag gesteld werd:

‘Do you like math/puppies/God/…?’

Vul maar in – voor alles een club. Lacrosse, roeien, frisbee. Mock trial, robotics, trivia. Women in Computing, African Student Union, Europeans in America. Allemaal hadden ze snacks en goodies die je mee kon nemen. Maar geen t-shirts – die moest je verdienen.

NASHVILLE | HET NIEUWE NORMAAL

De afgelopen weken ben ik denk ik wel vijftig keer welkom geheten. In het voorbijgaan door inwoners van Nashville, die me feliciteerden met mijn toelating. Wanneer ik me voorstelde aan ouderejaars. En in de eerste week, tijdens International Orientation. Zo’n vijf ochtenden op een rij luisterden we naar presentaties, die allemaal bleken te beginnen dan wel eindigen met dezelfde zinnen: ‘Welcome to Nashville. Welcome to Vanderbilt.’

(Ik dacht even terug aan mijn introductie aan de universiteit in Utrecht, maar ik denk dat niemand me daar ook maar één keer zo plechtig welkom heeft geheten.)

Ik voelde me niet helemaal thuis tussen de internationals – een stuk of honderd achttienjarigen, recht uit het vliegtuig, de jetlag nog voelbaar. De meesten waren vrij verlegen, beantwoordden vragen met enkel ‘ja’ of ‘nee’. Sporadisch deelde iemand een verhaal waaruit bleek dat ze niet alleen fysieke bagage met zich meebrachten. Zo was er een jongen uit Nepal die uren vast had gezeten op het vliegveld van Hong Kong. Hij liet me een filmpje zien van de vertrekhal, die veranderd was in een zee van protestanten. De Chinese studenten hadden de e-mails van de universiteit niet gekregen, omdat ze via een Google-account waren verstuurd. Een meisje uit Zuid-Korea vertelde dat ze filmstudies wilde doen, maar dat dit bemoeilijkt werd door de regering, die nog wel eens de neiging had cruciale scenes weg te laten. Terwijl Europeanen de VS steeds meer argwanen, was het voor deze eerstejaars het symbool van vrijheid in doen en laten. 

Deze week markeerde een nieuwe fase in hun leven. Voor mij daarentegen, was een groot deel ervan al normaal. Student zijn, niet bij je ouders wonen, een studierichting kiezen – die paden had ik al bewandeld. Daarnaast was er echter genoeg om aan te wennen. Niet eens op grote schaal. Ik spreek de taal, ken het eten en heb genoeg college vlogs gekeken om te weten hoe mijn kamer er ongeveer uit zou zien – die zijn namelijk overal hetzelfde.

(Een ding waar ik niet aan hoefde te wennen: een roommate. Ik kreeg een eenpersoons kamer toegewezen; een bescheiden schoenendoos met betonnen muren, maar ik hoef hem niet te delen.)

Maar er waren wel een paar praktische zaken die in de powerpoints onbesproken bleven.

Kan ik hier ’s nachts alleen naar huis lopen of niet? Kan ik mijn laptop laten liggen als ik even naar de wc ga? Wat doen mensen hier ’s avonds? Hoe werken de printers? Hoe werkt het meal plan? Je mag drie sides en een entree nemen, maar hoe weet ik wat telt als welke van de twee? Kan de airco op mijn kamer ook uit? (Nee.) Hoe in hemelsnaam moet ik een bed opmaken met een sheet set in plaats van een dekbedovertrek? Waar moet ik heen voor lekker eten? En voor feestjes? Wat betekent ‘cold’ of ‘warm’ of ‘very warm’ als dat op de wasmachine staat? Waarom stopt iedereen hier alles in de droger? Wat zijn dryer sheets en heb ik ze nodig? Voor hoeveel vakken moet ik me eigenlijk inschrijven? Als ik wil wisselen, hoe moet ik dat dan regelen? 

Je zult begrijpen: deze weken waren vol triviale vragen. Maar ik leerde een hoop, nog voordat ik maar een lokaal was binnengegaan.

NASHVILLE | KEEPING EVERYONE SAFE

Soms verdenk ik het universum ervan mij deelgenoot te maken van bepaalde ervaringen zodat ik maar weer een verhaal heb om te delen. Neem bijvoorbeeld mijn reis naar Atlanta. Als ik een stereotype Amerikaan moest omschrijven, dan zou ik mijn buurman tijdens die vlucht als voorbeeld nemen. Een rots van een man – een die je niet zomaar om zou duwen. Rossige baard en zeker één negentig lang. Ook in de breedte leek hij zijn stoel goed te vullen.

Ik wenste hem goedemorgen. Het is altijd goed om wat krediet op te bouwen met je buren tijdens verre reizen, zodat er geen schuldgevoel hoeft te ontstaan wanneer je voor de vijfde keer naar het toilet moet of toch wel die sjaal nodig blijkt te hebben die je niet meer onder de stoel voor je kwijt kon. De buurman in kwestie was ook op de hoogte van deze regeling. Hij vertelde mij meteen dat ik hem maar een nudge moest geven als hij teveel van de armleuning in beslag nam. Verder kletste hij graag, zo gaf hij aan, maar als ik er genoeg van had moest ik dat vooral laten weten. Ik kon echter wel wat gezelschap gebruiken tijdens mijn reis over de oceaan. En zo spraken we over het snobisme van Parijzenaren, het Amerikaanse schoolsysteem en zijn ideeën over het Hollandse patatje met.

‘You eat fries as if it’s a complete meal, instead of a side.’

Wat hij precies had gedaan in Amsterdam bleef raadselachtig. Hij reisde alleen, maar was niet voor zijn werk in de stad geweest. Hij had een baan bij de overheid – law enforcement, dat is wat hij deed. Die term was zo breed dat ik niet exact wist wat het betekende. Ik besloot het maar te laten, aangezien hij zelf ook niet verder in detail treedde. Wel was hij benieuwd naar de wetgeving in Nederland. Zo vroeg hij naar de regels omtrent wapens.

‘I think most cops have them, but you can not just go out and buy one.’

‘Really? So how do you people protect yourselves?’

‘Well, If no one owns a gun, then why would I need one?’ Naar zijn standaarden klonk dat vast naïef, maar ik had in mijn hele leven nog nooit behoefte gehad aan een wapen. ‘I would actually feel less safe knowing that everyone could have a gun laying around.’

Hij was even stil.

‘Do you have one?’ vroeg ik hem.

Hij lachte. ‘One on every floor of my house. So that makes three.’

Je moest er wel mee om kunnen gaan, zo vond hij. En dat kon hij, aangezien hij in het leger had gezeten.

Onze conversatie was in balans: nu en dan zaten we een kwartiertje te praten, om vervolgens weer bezig te gaan met onze eigen zaken. Soms maakten we even oogcontact, wanneer ik weer eens een laagje kleding uit mijn tas opdiepte omdat ik het aanhoudend koud had. Hij grinnikte terwijl ik met mijn sjaals en dekentjes hanneste, terwijl zijn armen steeds bloot waren.

Een paar clichés wist hij zeker waar te maken. Rond een uur of elf in de ochtend diepte hij een Big Mac op uit zijn rugzak. Warm zal hij niet meer geweest zijn, maar er kwam nog wel die typische geur vanaf – verschroeid vlees en slappe blaadjes sla.

‘You don’t like the airline food?’ vroeg ik hem, aangezien het me niet lukte zijn brunch compleet te negeren.

Hij haalde zijn neus op. ‘It’s not good for you. It contains way too much salt.’

Hij liet de wereldkaart steeds op zijn schermpje staan. We vlogen boven de Azoren langs, over Happy Valley-Goose Bay en Fire Lake. We passeerden de Canadese grens in een boog richting Atlanta.

Hij vertelde dat hij wel vaker vloog.

‘For work?’ poogde ik nog maar eens.

Hij boog een stukje naar me toe en bracht zijn volume omlaag.

‘So, you know what an air marshal is?’

‘I’ve heard of it, yes. But I’m not really sure wat it means.’

‘I go on flights to make sure everyone is safe,’ zei hij kalm. ‘That is what I do.’

‘So is there someone important on this plane?’ Mijn blik werd gelijk richting de eerste klasse getrokken, maar tevergeefs – de gordijnen waren gesloten.

‘No, no. They just assign us to random flights. The chance that one of us is present hopefully prevents people from… doing things they shouldn’t.

Ik liet het even bezinken.

‘So you have a gun with you right now?’ fluisterde ik.

Met een haast tevreden gebaar aaide hij met zijn hand over zijn buik.

Een half uur later landden we in Atlanta.

‘Should we maybe exchange phone numbers?’

Het kostte me even te bedenken wat ik nu weer met deze plottwist aan moest, maar dat bleek te voorbarig.

‘In case anything happens. You can always call me.’

En zo werd air marshal Loren de eerste Amerikaan wiens nummer ik in mijn telefoon heb opgeslagen.

OVER DE GRENS (VII) | INPAKKEN EN WEGWEZEN

De drukte komt in golven ons appartement binnen. Momenteel is het eb – iedereen slaapt. Gewekt door de Portugese hitte sluip ik door de woonkamer, pogend niet te struikelen over de sporen van gisteravond. Ik neem plaats tussen de chipkruimels op de bank, een koude laptop op mijn blote bovenbenen. Enkel het geluid van mijn toetsen doorbreekt de stilte terwijl ik mijn rooster in elkaar pas. Zo krijgt mijn halfjaar rap vorm, verdwijnen de lege pagina’s uit mijn agenda. ‘Feminism and Film’ van professor Navarro, Modern Art in Cohen Hall. Dinsdag en vrijdag uitslapen – ook fijn om te weten.

Tijdens mijn vakantie heb ik welgeteld twee dingen voor mijn uitwisseling gedaan. Zo draaide ik dus mijn planning in elkaar en daarnaast maakte ik een online module over sexual assault.

(“Anjali and Sonia have been friends for a long time, but recently, their relationship became physical. One night, after they start kissing, Anjali pulls back and says ‘Wait a second – I’m not sure…” Sonia is confused. What should she do?

A) Sonia should try rubbing Anjali’s shoulders – she is probably just stressed out due to upcoming midterms

B) Sonia should stop kissing Anjali

C) Sonia knows Anjali really well – she would know if Anjali would really want to stop, so it’s nothing to take serious”)

Afgezien hiervan heb ik heel hard geprobeerd niet aan mijn naderende vertrek te denken. Met wisselend succes – op het strand heb je nu eenmaal veel tijd om te piekeren. Zo vormde zich een lange lijst met taken voor deze laatste week in Nederland. Daarbij is weer eens bevestigd hoe sterk mijn behoefte is Altijd Alles Te Weten. Mijn dagen zijn gevuld met vragen. Wat als ik toch niet genoeg heb aan twee paar sandalen? Wat als mijn kamergenoot raar is? En waarom heb ik daar nog niets van gehoord? Wat als ik toch één cruciaal formulier over het hoofd heb gezien in de stroom van verzoeken? Hoe en waarom heb ik ooit zoveel spullen verzameld en hoeveel verhuisdozen heb ik ervoor nodig? Hoe groot is mijn kamer daar eigenlijk? Wat als de de douane raar gaat doen, wat als er weer te veel wolken boven de landingsbaan hangen? Ga ik ooit leren dingen los te laten? Kan ik mijn eigen thee meenemen, of is dat te belachelijk? Word ik daar een jurkjes- of een broekenpersoon?

Gaat het me lukken alle mogelijke scenario’s in twee koffers te proppen, en zo ja, zouden ze dan niet te zwaar zijn?

Nog een paar dagen! Er komt nog wel een laatste verhaal denk ik, voor ik daar ben, over afscheid, tranen, dat soort zaken. Bekijk de rest van de serie over mijn vertrek naar Nashville hier.

7FC816ED-DC47-4A45-B101-3D67BFBC7462.JPG

OVER DE GRENS (VI) | IK BEN ER NIET

‘LOU’, appte een vriendin me laatst. Je naam in hoofdletters, dan weet je dat het menens is. ‘9 oktober, zet in je agenda: John Mayer.’ In mijn hoofd kocht ik direct een kaartje, tot ik me iets realiseerde.

‘Ik hoop dat dit concert in de VS plaatsvindt,’ stuurde ik haar.

‘Nooo! Ik was dit dus even vergeten.’

‘Geeft niet.’

Het zit ook nog niet in mijn systeem. Ik ga echt weg – dat is niet zomaar iets wat ik zeg, omdat het tof klinkt. De afgelopen weken heb ik me zo gefocust op waar ik heen ga; het besef dat het leven hier gewoon door zal gaan, schiet er soms bij in. Maar langzaam ontstaan er plannen voor het najaar. Weekendjes weg, 21-diners, concerten, exposities.

‘Merci voor de uitnodiging! Ik ben er alleen niet.’

Ik spreek die zin uit met gemengde gevoelens. Enerzijds hoor ik bij de generatie die Altijd Overal Bij Wil Zijn. Anderzijds schijnt dat juist zo fijn aan een periode in het buitenland: je hoeft er vrijwel niets.

Soms heb je toch van die dagen, dat je liefst de dekens over je kop zou trekken om even niet te bestaan? Onvermijdbaar komt er een vraag (of tien): ‘Kan jij misschien…’ ‘Donder op,’ wil je roepen, ‘niet vandaag.’ Dat kan ik straks een half jaar lang zeggen!

(Ik zal mijn best doen het iets aardiger te formuleren.)

Wel of niet naar dat festival? Wie gaat kaartjes regelen? ‘Even’ kijken naar document dit of dat? Wasmachine kapot? Cadeau voor die en die, ideeën over dit en dat? Challas – zie het maar. Zonder mij, in ieder geval. En dat kan ook prima. Tenslotte, ben je ooit écht onmisbaar? Het lijkt me best gezond daaraan te twijfelen.

(Eigenlijk wel raar dat ik moet migreren voor het me lukt ergens ‘nee’ tegen te zeggen, maar goed, daar kunnen we het later over hebben.)

Ook bij andere mensen daalt het besef in. ‘Je komt toch wel weer terug?’ vroeg mijn moeder laatst. Ik moest in eerste instantie lachen, maar voor haar was het een serieuze vraag. ‘Ja,’ antwoordde ik, naar mijn beste weten. ‘Natuurlijk.’

‘Want wat als je daar nou iemand ontmoet?’ hoor ik regelmatig. Op zich een romantisch idee: ver van huis, maar wel met een tall handsome stranger. Echter is er de afgelopen paar jaar niemand geweest van wie ik écht hotel de botel was. Misschien dat een of andere Amerikaan dat wel in me losmaakt, maar ik vraag het me af.

Mijn voorgangers vertellen me dat bij terugkomst alles nog hetzelfde zal zijn. Misschien ben ik veranderd. Misschien moet ik wennen – aan het tempo van het leven, aan wat hier normaal is. Maar al snel zal ik weer meehuppelen met de alledaagse realiteit – met of zonder langeafstandsrelatie.

OVER DE GRENS (V) | STRIKVRAGEN

De afgelopen weken heb ik jullie meegenomen in de voorbereidingen voor mijn uitwisseling. Deze verhalen ontstaan door bepaalde zaken uit te lichten, hier en daar een inkijkje in mijn hoofd te bieden en vooral de oninteressante gedeeltes weg te laten. Vanuit een meer realistisch perspectief had deze reeks namelijk ook anders kunnen heten – niet ‘Over de grens’, maar ‘Milou vult een shitload aan formulieren in’. Die serie zou zeker vijftig delen beslaan, maar ik betwijfel of hij goed zou worden gelezen. Printen, invullen, tekenen, scannen, mailen. Herhalen. Het betreft saaie gegevens: of ik schriftelijk wil bevestigen dat ik echt ga komen en echt de huur kan betalen. Of ik wel zeker weet dat ik ooit de waterpokken heb gehad, en of ik dan wel even bloed wil gaan prikken om dat te bewijzen.

Deze week vulde ik echter een vragenlijst in over meer fundamentele zaken. Het doel ervan was mij te koppelen aan een student waarmee ik een aantal maanden een kamer ga delen – mijn roommate. Op het eerste oog leek het triviaal van aard, maar na enig peinzen onthulden zich steeds meer lagen.

12. Is having a neat and organized space important to you?

Daar kan ik kort over zijn: ja, ik heb graag een nette omgeving. Van troep word ik onrustig, vooral als het niet van mij is. Je zou denken dat er niet meer achter zo’n vraag schuilt, maar schijn bedriegt. Wat ze waarschijnlijk bedoelen is: ‘Ben je een chaoot? Zo ja, dan zetten we je met een andere sloddervos samen, zodat niemand last van jullie heeft.’ Maar dat is niet wat er staat. Er staat: heb je graag een nette kamer? Op die vraag kan in principe iedereen ‘ja’ antwoorden. Dat zegt alleen niets over of je ook daadwerkelijk in staat bent je leven op orde te houden.

Daarbij twijfelde ik over de consequenties van mijn antwoorden. Misschien zetten ze chaoten en neat freaks juist samen, zodat ze elkaar tot een beter mens kunnen maken. Was dit een strikvraag? Het zou me niets verbazen, gezien het statement op de site: ‘We believe strongly in the value of a diverse community. Therefore we select roommates who will enhance eachother’s worldview by embracing new experiences and exposing themselves to a myriad of cultures and viewpoints.’

Lees: accepteer maar dat sommige mensen er nou eenmaal een teringzooi van maken.

Zo waren er wel meer vragen die behoorlijk diplomatiek in de verwoording waren.

23. What’s your preference regarding overnight guests?

Lees: vind je het erg als je roommate seks heeft terwijl jij op een meter afstand in dezelfde kamer probeert te slapen, of zit je daar niet zo mee?

47. Can you sleep with reasonable background noise/light?

Lees: ben je degene die steeds passief-agressief gaat liggen zuchten, of degene die zelf lawaai maakt?

Andere vragen waren dan weer behoorlijk sturend van aard, omdat er maar een paar keuzeopties waren.

68. How do you plan to utilize your room?

Ik dacht aan een kleine wietplantage, met daarnaast ruimte voor een popcornmachine en een massagestoel, maar helaas. ‘Studying, relaxing or socializing’, een van de drie moest het zijn. Wie weet zou het er alledrie wel van komen, maar er moest gekozen worden.

Er ontstond nog wat twijfel van existentiële aard.

81. How would you describe yourself?

Gelukkig was ook dit een meerkeuzevraag.

OVER DE GRENS (IV) | KOMT EEN MILLENIAL BIJ HET POSTKANTOOR

Een uitwisseling betekent een hoop geregel. Dat zal elke ervaringsdeskundige vast weten, maar bij mij is toch het vermoeden ontstaan dat Amerika een eervolle vermelding verdient op het gebied van bureaucratie. Met mijn felicitatiemail kwam een deadline mee, die ‘toch al wel snel naderde, dus of ik een beetje haast kon maken,’ aldus mevrouw X van Universiteit Utrecht. Binnen een paar dagen moesten er formulieren verzameld, ingevuld en ondertekend worden, en dan als de wiedeweerga op de post naar Nashville. Vanderbilt ging vervolgens bepalen of het hele feest inderdaad door zou gaan. Omdat ik het verder helemaal niet druk had – deadlines, tentamens, werk, ben je mal – liet ik alles uit mijn handen vallen en ging ik op pad. Ik schreef nog een motivatie en beantwoordde vragen over mijn ras en strafblad.

‘Are you Hispanic/Latino? Yes or no. What is your race? Check one: American Indian/Alaska Native, Asian, Black/African American, Native Hawaiian/Oth Pacific Island, White, Two or more races.’

‘Have you ever been suspended or expelled from a school?’

‘Have you ever been adjudicated guilty or convicted of a misdemeanor, felony or other crime?’

En zo ja, of ik dan een kort essay wilde schrijven over wat er precies gebeurd was en wat ik ervan geleerd had. Dus dat deed ik maar.

Dan nog een cijferlijst en mijn voorkeursvakken. In een avond haastte ik me door de honderden keuzes. ‘Master, Murder and Mayhem in Black Detective Fiction’. ‘Crafting Pottery in the Ancient World’. ‘Classroom Ecology’. ‘Introduction to Facial Plastic and Reconstructive Surgery’. ‘Tuba’. ‘Sport Economics.’ ‘Roman Law’. ‘The Art of Blogging’. ‘Introduction to Visualization’.

(Ik heb een hiervan daadwerkelijk gekozen, mogen jullie raden.)

Alle paperassen moesten worden voorzien van een stempel en een kus van mevrouw X, waarna ze er een gebed over uit zou spreken. Dit kon elke donderdagmiddag van kwart voor tot kwart over een (behalve toen ik voor de deur stond, want toen was ze net een weekje met vakantie).

Desondanks lukte het om alles op tijd te posten. ‘Ik moet hier eigenlijk kopietjes van maken,’ bedacht ik me, net nadat ik de envelop had dichtgeplakt. Ik had er maar één, door mijn ouders meegebracht toen ze in Utrecht kwamen eten, en die wilde ik niet openscheuren. A4-enveloppen liggen in ons studentenhuis nu eenmaal niet voor het oprapen en de deadline naderde. ‘Laat maar,’ dacht ik, ‘het zal wel loslopen.’

Hah.

Drie tot zes werkdagen zou het duren, verzekerde het meisje in het PostNL-hoekje van de supermarkt mij. Met spoed versturen leek haar zeker niet nodig, de zestig euro niet waard. Ik had ten slotte drie extra dagen speling, dan zou het nog steeds op tijd komen. Ik betaalde een tientje voor een aangetekende brief, stak de Track & Trace-code in mijn rugzak en liet het erbij. Terwijl ik wegliep sprak ik mezelf streng toe. ‘Kom op, Milou, dat jij nou een doemdenkende millennial bent die nooit echte post verstuurt is één ding, maar dat betekent niet dat het hele systeem disfunctioneel is. Dit werkt al honderden jaren.’

Hah.

Twee weken later. De deadline is verstreken en mijn brief is nog niet waar hij moet zijn. Wel ken ik de vijftiencijferige Track & Trace-code uit mijn hoofd en heb ik een vriendschappelijke band opgebouwd met de contactpersoon van Vanderbilt – ik mag Suzy zeggen. Ze heeft met engelengeduld al mijn paniekmailtjes beantwoord, meestal direct aan het begin van de Amerikaanse werkdag. Van haar heb ik een week extra tijd gekregen. Opnieuw op handtekeningenjacht (toch kopietjes moeten maken!), om de hele handel vervolgens in te scannen. Maar, vertelt Suzy, de fysieke papieren zijn nog steeds nodig. De brief moet terecht.

De rest van het leven gaat ook door, dus dit geregel moet tussendoor – in de bus, tijdens het eten of nu, in de pauze van mijn werkcollege. Ik volg een vak over coaching, het onderwerp van vandaag is ‘weerstand’. Ik plof op een harde, paarse bank in de gang en neem mijn telefoon ter hand. 

PostNL kan niets voor me doen. De brief is al in de Verenigde Staten, het zijn niet hun zaken meer. Ik moet mijn code bij de United States Postal Service invoeren, misschien kunnen zij me meer vertellen. En jawel: de brief is in Nashville, bij een postkantoor. Er is al een afleverpoging gedaan, maar toen was er niemand om ‘m aan te nemen. Redelivery is niet mogelijk. Of ik de brief dus zelf even wil komen ophalen.

Dit lijkt mij in strijd met het idee achter een postbedrijf. Ik stuur iets op, zij gaan het brengen. Toch?

Ik bel USPS en krijg een computer aan de lijn. ‘Could you please spell your first name? For instance, Jack: J – A – C – K.’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘Did you say: Emily?’

‘No.’

‘Could you please spell your first name again?’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘I’m sorry, I can’t help you with that. Is there anything else I can assist you with?’

‘Ik wil godverdomme gewoon een echt persoon aan de lijn! Please.’

‘I’m sorry, It seems like I’m not able to assist you today. Thank you for your call.’

Ik bel met het postkantoor. ‘Welcome to the Nasvhille Post Office. Please hold untill assistance is available.

Beeeeeeeep. Beeeeeeep. Beeeeeep. Beep – beep – beep.’

Geen gehoor.

Ik mail Suzy nog maar eens met een update. ‘I am very sorry. It feels like I have done everything that I could, but it’s just not working out.’

(Suzy vindt me vast een drama queen, maar het zij zo.)

Het is zes uur en ik weet het niet meer. Het college is klaar, ik fiets meteen door naar de bioscoop. Popcorn als avondeten, wat zou het ook. De film biedt enige afleiding, maar op het einde is mijn lip kapotgebeten. Pas wanneer de aftiteling begint, sta ik mezelf toe mijn telefoon te bekijken. Suzy. ‘Your package just arrived at my office this afternoon! It’s all good.’

Ik loop naar buiten. Het is al donker, maar de zon schijnt.

Suzy, bedankt. Er komt vast weer een volgend verhaal in deze reeks, maar ik weet nog niet waarover of wanneer. I’ll keep you posted! Letterlijk, mocht je dat willen – je kan je met de knop rechts inschrijven voor een mailtje bij een nieuwe post, of je kan mijn Facebookpagina liken om op de hoogte te blijven. 

OVER DE GRENS (III) | WAARHEEN

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen.