Uiterlijk

HUID

Schermafbeelding 2019-05-08 om 18.29.54.jpg

Een kort verhaal genaamd ‘Ik draag ook een keer een crop top’ :

Ik: ‘Wat sta je te kijken?’

Broer: ‘Nergens naar?’

Ik: ‘Je kijkt naar m’n buik.’

Broer: ‘Ik dacht opeens: wat is dat daar?’

Ik: ‘Mijn buik?’

Vader: ‘Gewoon een extra stukje Milou!’

(Voor de duidelijkheid, ik heb altijd al een buik gehad.)

Ik toon steeds meer huid. Dat is geen uitnodiging – behalve voor de wind langs mijn rug, voor de zon op mijn schouders. Ik toon meer gezicht, puist, haar. Het zit eraan, het hoort erbij. Ik laat het vaker maar – zoals het is. Soms ook niet, als ik zin heb om er werk van te maken.

(Dat is alsnog best vaak.)

Ik toon steeds meer huid. Afwisselend zacht, droog, roze, verbrand. Rood, vanwege het bloed dat minimaal eenmaal daags naar mijn wangen kruipt. Altijd wel ergens blauw, (op) een onverwachtse plek.

Laatst was het opeens mooi weer. Gedachteloos gooide ik mijn wijde truien in een doos onder het bed. We hadden het fijn gehad samen, maar het was tijd voor iets anders. Fluitend trok ik een jurkje uit de kast. Niets in mij betwijfelde of dat kon. ‘Is het warm genoeg?’, dat was de enige vraag. Dat was wel eens anders.

Op de middelbare school ging de komst van de zon gepaard met een hoop overleg. ‘Doe jij al een rokje aan?’ Je wilde niet de enige zijn met blote benen, zeker niet als ze nog bleek zagen. Het was steeds wennen, om na een winter onder laagjes mijn huid weer te tonen. Liever hield ik mijn vesten en panty’s aan.

Mijn ouders hebben een paar maanden geleden hun fotoarchief gedigitaliseerd, uitgezocht en al mijn foto’s op een USB-stick gezet. Eenentwintig jaar op een klein schijfje. Naast de verplichte kiekjes (in een hoop herfstbladeren, slapend tussen dertig knuffels, met een gezicht vol tomatensaus) vond ik ook foto’s uit een mindere fase. Een jaar of vijftien, schouders gebogen. Een glimlach voor de vorm, maar twijfel in mijn ogen.

Schermafbeelding 2019-05-08 om 18.28.39.jpg

Ik weet niet precies wie of wat mij verteld heeft dat er iets mis was met mijn lijf. Er zijn heus concrete momenten aan te wijzen. De GGD-arts die me vertelde dat ik zwaar was in vergelijking met meisjes van mijn leeftijd (maar daarbij mijn lengte niet meenam). Een kennis die me begroette door te zeggen dat ik ‘wel dikke billen had gekregen’. Hij zei het terloops, maar ik weet het nog steeds. Spijkerbroeken die na een halfjaar niet meer pasten – ik radeloos, bang dat mijn heupen nooit zouden stoppen met uitdijen. Met jaloezie keek ik naar mijn vriendinnen en hun bonenstaken, niet wetend dat zij net zo goed jaloers waren op mijn goedgevulde beha, of zelfs het bloed in mijn onderbroek. Er is altijd wel iets. Deze voorvallen waren niet de oorzaak – die zit diep in de maatschappij.  De economie draait op onzekerheid.

Gelukkig weet ik inmiddels dat het niet waar is – dat mijn lijf er mag zijn, hoe dan ook. Het heeft jaren geduurd, dat wel. Rond mijn zestiende was ik klaar met groeien en kon ik gaan wennen aan de buik, borsten en benen waarmee ik door het leven zou gaan. Er was nog een fase van diëten, kijken of ik het niet allemaal wat minder, strakker, ‘beter’ kon maken. Dat bleek moeizaam en – uiteindelijk – de honger niet waard.

Naar het nu: zeker wekelijks krijg ik een compliment over mijn uiterlijk. ‘Wat zie je er goed uit.’ Aan mijn lijf is niets veranderd, behalve haar bewoonster. Na jaren van strijd is er vrede – ben ik tevreden, en dat is zichtbaar.

Wat een logica hielden we erop na. Wanneer je je benen niet laat zien, worden ze nooit bruin. En wat zou het eigenlijk. Al geef je licht, zo wit. Dan straal je ook.