Trein

LICHTROZE

fullsizeoutput_2af

Het is noodgedwongen knus in de trein. Ik weet een zitplek te bemachtigen naast een meisje gehuld in alles lichtroze. Vanonder haar (lichtroze) pet bekijkt ze een vlog op haar (lichtroze) telefoon. Een filmpje waarin iemand autorijdt, kookt en de kak van de hond opruimt. Dikke zwarte wimpers rusten boven haar (lichtroze) wangen, doen haar ouder lijken dan ze waarschijnlijk is. Een voorzichtige glimlach speelt rond haar (lichtroze) lippen. Uit haar tas haalt ze een Rubik’s Cube.

Ik zou twijfelen. Ik zou denken dat één verkeerde wending de oplossing onmogelijk zou maken. Ik zou de vierkanten liever ongeschonden laten, en anders zou ik voorzichtig zijn. Mijn zetten proberen te onthouden, om ze vervolgens achterwaarts weer uit te voeren.

Maar zij – met een jaloersmakende vastberadenheid draait ze de blokjes in het rond. Schijnbaar achteloos, buitengewoon effectief. Binnen drie minuten vertoont haar kubus weer zes egaal gekleurde vlakken. Rood, geel, groen. Blauw, wit, oranje.

(Alleen hier ontbreekt lichtroze.)

Ik zou het ding nooit meer aanraken. Hem op een zichtbare plaats zetten, als een trofee van doorzettingsvermogen. Ik zou uitermate tevreden zijn met mezelf.

Zij is dat niet – niet hierom, in ieder geval. Elke nieuwe oplossing resulteert slechts in een zucht en een blik op de vlog, waarin iemand netflixt of tandenpoetst. Vervolgens creëert ze automatisch een nieuw probleem, met een paar gedecideerde wendingen van haar vingers – haar nagels lichtroze gelakt.

fullsizeoutput_2b2

EEN AVONDVULLEND PROGRAMMA

Processed with VSCO with p5 preset

Heb je donderdagavond tussen negen en twaalf een meisje over het station zien rennen? In Utrecht, Arnhem of Amsterdam Zuid? In een geel rokje, afwisselend met en zonder tas? Zo ja: dat was ik.

De eerste sprint moest getrokken worden toen mam me afzette op station Zuid. Ik was even vergeten dat fietsers en automobilisten andere routes dienen te nemen om daar te komen. Met nog drie minuten de tijd haastte ik me de auto uit en sprintte ik de trappen af, langs de borrelende kantoorlui het station in.

Ik haalde mijn trein en belde met Colette, die twee weken geleden begon aan haar university avontuur in Amerika. We zaten beide vol verse verhalen, en de reis richting Utrecht was dan ook te kort om ze allemaal te delen. Kletsend stapte ik uit. Op het perron bleef ik staan, nog even profiterend van de aanwezige wifi om ons gesprek af te ronden.

Met een humeur zo zonnig als mijn rokje liep ik door Utrecht Centraal. Ik had een veelbelovende introductie van de kunstacademie achter de rug. De volgende ochtend had ik mijn eerste les. Het was pas half tien. Ik zou keurig op tijd in bed liggen en uitgeslapen beginnen. Ik had zojuist twee van mijn drie gezinsleden gezien – in deze periode een prima score. Alles voelde positief en licht. Heel licht, misschien zelfs té… Shit. Waarom bungelde er niets over mijn schouder? Waar was mijn tas?

In een reflex greep ik naar mijn jaszakken. Portemonnee, telefoon – de cruciale dingen had ik. Over vijf minuten zou ik weer vrolijk op mijn fietsje zitten en vervolgens mijn kamer binnengaan. Ware het niet dat ik daar sleutels voor nodig had. En die zaten niet in mijn zak. Ik rende nog terug richting het perron, maar bedacht me na vijftig meter dat ik, vrolijk bellend, de trein had zien wegrijden. Met mijn spullen erin.

Ik kon wel janken. (En dat deed ik ook, natuurlijk – leer mij kennen, ik huil om alles – maar later pas). Ik stond me te verbijten bij de infobalie, terwijl een mevrouw mijn postcode (?) intikte op haar computer. Gelukkig werd ik toen gebeld. Dat mijn tas op weg was naar Arnhem en dat ik ook maar die kant op moest komen. ‘Arnhem Centraal?’ vroeg ik wel drie keer. In deze staat van zijn zag ik mezelf gemakkelijk de verkeerde trein in stappen.

Ik belandde in een vieze, volle coupé. Mijn telefoon was bijna leeg, dus vulde ik mijn tijd met het meeluisteren met kletsende medepassagiers en het kapotbijten van mijn onderlip. Dit in tegenstelling tot mijn buurvrouw, wiens mond de helft van de reis open hing – tot ze er bij Ede-Wageningen een knalroze stuk Bubblicious in stopte.

Ze deed hard haar best om binnen het stereotype ‘dom blondje’ te passen. Gelig haar, een huid met een oranje gloed en de lijm van haar nepwimpers klonterend op haar oogleden. Haar tijd vulde ze met het lezen van een artikel over Doutzen Kroes in de Metro en het bewerken van een selfie, waarop ze haar mond wel dicht had. Helaas was het slechts om de beruchte duckface te kunnen vormen.

Arnhem Centraal bleek leeg en groot, als een winkelcentrum dat bijna ging sluiten. Dat gevoel maakte dat ik ook dit station rennend verkende, op zoek naar de plek waar mijn tas was afgegeven. Het was donker op perron zes-zeven, maar helemaal achterin zag ik een klein kantoortje. Ik kwam dichterbij en zag een vrouw zwaaien. Ze kwam naar buiten. ‘Is dit je tas?’ vroeg ze, het antwoord uitblijvend omdat ik volledig buiten adem was. Ik knikte maar. ‘Je moet naar Utrecht, toch? Je trein gaat pas over vijfentwintig minuten.’ Ik grabbelde in de tas en hoorde mijn sleutels gelukzalig rinkelen. ‘Geeft niet,’ hijgde ik, zo opgelucht als ik nog nooit geweest was. ‘Ik ben allang blij. Heel erg bedankt.’ De vrouw opende de deur. ‘Wil je misschien koffie of thee?’

(Op dit moment moest ik natuurlijk huilen. Gelukkig werd het direct teniet gedaan door de opmerking ‘Geeft niks hoor, ik ben ook zo’n emo-kip.’) 

Om elf uur checkte ik in voor de terugreis en werd ik eraan herinnerd dat het 1 september was. De verjaardag van mijn broer, maar ook de dag waarop mijn studenten-OV in was gegaan. Laten we zeggen dat ik de eerste dag waarop ik gratis mocht reizen ten volste benut heb.

De vorige post sloot ik af met drie tips, en dat beviel me eigenlijk wel. Al is het maar zodat ik ze zelf onthoud. Komt ‘ie:

  1. Zorg dat er altijd iets in je tas zit waar je telefoonnummer op staat. Dan bestaat er een kans dat je gebeld wordt door de conducteur, met de mededeling dat je tas richting Groningen/Maastricht/Arnhem aan het reizen is. (Henny, bedankt.)
  2. Betere tip: gewoon niet je shit vergeten in de trein. Maar dat had je zelf vast ook al bedacht.
  3. Doe lief tegen de mensen van de NS. Ja, er is vaak vertraging of ander gelazer. Maar ze bellen je wel op met een gevonden tas, leggen je uit wat je moet doen en waar je moet zijn. Ze geven je thee en zoeken uit waar en hoe laat je trein terug vertrekt omdat jouw telefoon leeg is, zodat je om één uur ’s nachts gewoon in je eigen bedje ligt in plaats van onder de Dom. Waarvoor veel dank.

#214 TOXIC

DSC00430

Ik ging met de trein van Amsterdam naar Eindhoven. Al aan het begin van de reis gaf mijn telefoon een angstvallig laag batterijpercentage aan. Aangezien ik nogal afhankelijk ben van de OV-app om mijn bestemming te bereiken, kon ik het me niet permitteren mijn stroom te verspillen aan het spelen van nutteloze spelletjes. De anderhalf uur reistijd zou ik dus op een andere manier moeten vullen. Ik keek wat uit het raam en begluurde mijn medepassagiers, bedenkend waar ze vandaan kwamen en waar ze naartoe gingen.

Bij station Utrecht streken er een meisje en een oma tegenover me neer. Het kind zal een jaar of zeven geweest zijn. Oma’s leeftijd vond ik iets lastiger in te schatten, aangezien haar rimpels nogal contrasteerden met haar kledingkeuze. Denk strakke broek met panterprint, gitzwart geverfd haar, zonnebankoranje teint en hevige oogmake-up. Mensen die zich ‘jeugdig’ kleden, lijken vaak juist ouder – waarschijnlijk was ze dus jonger dan ik dacht.

Het meisje wist duidelijk nog niet dat je alléén mensen mag aanstaren wanneer ze het niet doorhebben. Of tenminste, dat is mijn ongeschreven regel. Een paar minuten lang keek ze me aan alsof er iets op mijn voorhoofd zat. (Wat misschien ook wel zo was – ik durfde het niet te checken.) Ik kon niet anders dan het opmerken, aangezien ik geen schermpje had dat me afleidde. Ik had het niet erg gevonden, ware het niet dat haar blik heel dreigend was, alsof ze me elk moment kon vergiftigen. Ik schonk haar een paar keer een halfslachtig glimlachje, zoals ik meestal doe wanneer ik de blik kruis van een onbekende. Het wilde niet baten.

‘Oh, nu rijden we wel achteruit,’ sprak oma toen de trein in beweging kwam. ‘Ja, ze is nog nooit met de trein geweest, dus het is allemaal een beetje spannend.’ ‘Wil je vooruit rijden?’ vroeg ik het meisje, in een poging tot verzoening. ‘Dan haal ik mijn tassen weg, hoor.’ Ze schudde nee. Gelukkig bleek, nu de trein reed, het zicht uit het raam interessanter dan het zicht op haar overbuurvrouw. Nu ik niet meer aan werd gekeken, durfde ik wel een slokje water te nemen. Met het kraken van mijn flesje vestigde ik de aandacht echter weer op me.

‘Wil jij ook iets drinken?’ vroeg oma aan haar kleindochter, al in haar tasje tastend. ‘Nee,’ antwoordde die. Ze was even stil, keek nog eens uit het raam en zei vervolgens: ‘Oma, mag ik een bifi-worstje?’

Nu zal ik jullie niet gaan vervelen met mijn verleden wat betreft bifi-worstjes. Althans, ik zal het beperken tot een paar woorden. Zomervakantie. Autorit. Bifi-worstje op de achterbank. Stop. Bifi-worstje in de berm. In een andere substantie, laat dat duidelijk zijn. Sindsdien heb ik een bifi-trauma. De gedachte eraan is eigenlijk al genoeg om over mijn nek te gaan, laat staan de geur.

Ik hoopte dus met heel mijn hart dat oma de bifi-worstjes thuis had gelaten of desnoods allemaal zelf op had gegeten. Maar nee, oma diepte een hele zak op uit haar tasje. Zeker een minuut werd er geprutst met de hardnekkige verpakking. Als zelfs de producent wil dat je iets niet open krijgt, zegt dat genoeg, toch? Kleindochter zette door en toen was het kwaad geschied. Binnen een paar seconden had de indringende geur mijn neusgaten gevonden en niet veel later meurde de gehele coupé naar salami.

Het meisje kauwde tevreden op haar worstje. Voor het eerst zag ik haar lachen, alsof ze blij was dat ze inderdaad een manier had gevonden om me te vergiftigen – ware het slechts met een bifiworstjes-walm.

#66 GOING BACK HOME AGAIN

IMG_5133

We namen de trein terug naar huis. Met de sneeuw verdween de zorgeloosheid die er in Arosa leek te heersen. Of je de eerste lift ging halen, waar je zou lunchen die middag. Of je de zwarte piste zou gaan overleven. Wel of geen thermoshirt, waar heb ik mijn skibril gelaten. Dat waren de dingen waar je je mee bezighield. En verder met het genieten van de blauwe lucht en de fijne sneeuw. De broodjes met Nutella bij het ontbijt. Het gevoel van hard naar beneden zoeven, warme thee op een koude bergtop. Lachen om de valpartij van je skigenootje. (Sorry.) Het uitdoen van skischoenen na een lange dag.

En ik genoot toch ook wel van de treinreis terug naar huis. De zon scheen door het raam en maakte me – in combinatie met een korte nachtrust en een dosis Primatour – slaperig. Mijn ogen zakten af en toe dicht, gingen af en toe even open voor een overstap. En dan weer dicht. We vlogen, landden. Reden met de auto het laatste stukje, door stakingsacties gedwongen tot binnendoorroutes en achterafweggetjes. En toen waren we thuis. Ik moest mijn koffer gaan uitpakken en werd door de stapels schoolboeken in mijn kast herinnerd aan het nog te verrichten werk. Thuis was het niet meer geheel zorgeloos. Maar wel heel fijn.

#60 OFF TO AROSA

IMG_9777

Ik had nog geen vakantiegevoel. Totaal niet, zelfs. Maar toen ik vandaag om 09.55 in het vliegtuig stapte, werd het allemaal echt. We gingen echt naar Zwitserland. Een week lang sneeuw, bergen en skiën. Een week lang, met mijn ouders, broer, vriend en vriendin Carmen. Ik deed mijn ogen even dicht en voelde mezelf bochtjes draaien door de verse sneeuw. Omringd door frisse berglucht, een strakblauwe hemel en de zon op mijn gezicht. Ik ging steeds harder. Door mijn knieën naar beneden. Ho. Dat was een onverwachte hobbel. Ik wankelde. Ik voelde een bonk. Het was het vliegtuig dat was geland. Ik was niet gevallen. Nog niet.

De eindbestemming zou bereikt worden met verschillende treinen en we werden dus ook geconfronteerd met verschillende medereizigers. Eerst een vrouw die in haar eentje vier stoelen wilde claimen (wat is ‘asociaal’ is het Zwitserdeutsch?), toen een heel kinderdagverblijf dat op skivakantie ging. Waar wij ons tijdens lange reizen vermaakten met vakantie-doeboeken en later de gameboy, werden deze zeven-jarigen zoet gehouden met piepkleine digitale cameraatjes. Ze maakten elke drie seconden een foto van het uitzicht. Ik zag het al voor me, dat een van die moeders de eerste bochtjes van hun kind vast wil gaan leggen, maar de geheugenkaart helemaal vol blijkt te staan. Met honderden vergelijkbare foto’s van bergen. Zonder sneeuw.

Dit alles weerhield ons er natuurlijk niet van om te genieten van het idyllische landschap, en alvast wat vakantieplannen te bespreken. Ik vind het heerlijk, op deze manier reizen. Het zit veel gezelliger, zo tegenover je reisgenoten, en ik vind het mooi hoe je het landschap langzaam ziet veranderen. Steden veranderden in kleine bergdorpjes, op het einde was er nog maar sporadisch een huisje te zien. Ook zagen we twee keer een paar hertjes. Natuurlijk was ik twee keer net te laat met mijn camera. Vandaar de foto van Carmen hierboven.

Bij het laatste station stapten we uit. In Arosa was er wél sneeuw, en niet zo’n beetje ook. Ik was al bijna vergeten hoe een echte winter voelde, maar toen ik uit de trein stapte werd ik meteen met mijn neus op de feiten gedrukt. Of met mijn billen, eerder: ik had het behoorlijk fris in mijn spijkerbroekje. Oh ja. Hier was het echt koud.

We betrokken ons appartementje voor de komende dagen en gingen daarna langs de skiverhuur. We werken geholpen door een vriendelijk meisje, maar toen ik vroeg of ik misschien een andere kleur ski’s kon krijgen, zag ik haar toch wel even met haar ogen rollen. (For your information:ze waren babyroze. Ik vond dat ik daar best iets van mocht zeggen.) Toen moest ik nog een helm. ‘Auch schwarz?’

Ja, jeetje. Het zal wel weer aan mij liggen hoor, waarschijnlijk is het raar. Maar zo’n michelinmanjas en dito broek helpen al niet echt om er nog een beetje leuk uit te zien op de piste. Dus als ik dan op mijn skigerei nog wat invloed kan uitoefenen… Dan graag, ja.