Studie

OVER DE GRENS (III) | WAARHEEN

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen. 

OVER DE GRENS (II) | HOE VER JE WILT GAAN

Met slechts een veeg van mijn wijsvinger rolde de wereld op alfabetische volgorde over mijn scherm voorbij. Australië, België – Zweden, Zwitserland. Ikzelf bevond me op een vertrouwde plek, aan de keukentafel van mijn ouders. Het was een grijze zondagmiddag, die ik normaliter was vergeten, ware het niet dat ik bezig was plannen te smeden: op zoek naar de stad waar ik een half jaar zou gaan studeren, gaan leven.

Ik zou jullie hier graag een prachtig verhaal willen vertellen over hoe deze keuze tot stand kwam. Dat ik al sinds m’n elfde gefascineerd was door dit en dat deel van zus en zulk land. Maar mijn keuzeproces was nu eenmaal niet zo romantisch. Het begon ook vrij negatief: ik besloot eerst te bepalen waar ik sowieso niet heen wilde. Hierbij was elke reden een juiste voor mij, hoe futiel die ook mocht zijn. Te ver, te koud, te onbekend, het waren allemaal geldige argumenten. Ergens knaagde dat wel: moest ik mezelf niet uitdagen door, ik noem maar wat, de universiteit van Guadalajara ook in overweging te nemen? Maar dan bedacht ik me weer hoe spannend ik het überhaupt vond om een halfjaar weg te gaan. Wat de bestemming betreft gunde ik mezelf iets comfortabels.

(Maar ik ging niet naar België – er zijn grenzen, hoor, dan kon ik net zo goed niet gaan.)

Per bestemming waren er verslagen beschikbaar van studenten die daar gezeten hadden. Ik heb er denk ik wel honderd gelezen en kwam tot een wensenlijstje. Zo ging ik het ook maar zien: als ik zou vertrekken, dan wel op mijn manier. Een ding wat ik al snel ontdekte, was dat voor een hoop studenten een uitwisseling gelijkstaat aan een halfjaar feesten. Velen hebben hun bachelor al gehaald en plakken daar nog een exchange aan vast, waarin het aantal behaalde studiepunten niet echt meer uitmaakt. Ook is het niveau van onderwijs in Nederland vrij hoog, en daarmee vergeleken, het niveau elders over het algemeen laag. Er is dus ook daadwerkelijk veel tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Ik vermoedde dat me dit na een maand wel tegen zou gaan staan – ik wilde naar een plek waar ik iets nieuws kon leren. Verder wilde ik de taal al spreken, liefst mijn Engels verbeteren in een land met veel native speakers. Ten slotte, geen gezeik om een kamer te regelen – je kunt nu eenmaal niet van tevoren even gaan kijken.

En misschien wist ik het sowieso al wel – waren deze eisen slechts een omweg, waarmee ik hoe dan ook bij mijn voorkeursbestemming zou eindigen. Met familie was ik een paar keer in de Verenigde Staten geweest. In 2017 had ik Colette bezocht, die een jaar de college life leefde in Virginia. Over de jaren was het gevoel ontstaan waar ik die zondagmiddag pas na een paar uur scrollen naar begon te luisteren: daar zou ik wel een paar maanden willen zijn.

Er was veel meer mogelijk dan ik dacht. Onder de noemer ‘Amerika’ stonden een aantal grote namen: universiteiten waarvan ik twijfelde of ik ervoor zou worden uitgekozen.   Top-20-scholen met één of twee plaatsen voor alle gegadigden uit Utrecht. Wat was dan de kans dat ik de gelukkige werd? Op dit moment moest ik mezelf weer terecht wijzen: ik wist het niet. De selectieprocedure was niet transparant, ik wist niets van mijn kans, dus moest ik me er ook niet door laten leiden.

En zo had ik uiteindelijk een shortlist vol prestigieuze universiteiten. Vervolgens deed ik wat ik altijd doe als ik voor een ingrijpende keuze sta: een excelsheet maken, met daarin alle opties en details. Van cijfereisen tot housing, van de sfeer in de stad tot het weer – om dit vervolgens allemaal te negeren en op mijn gevoel een keuze te maken. Wie hield ik voor de gek, het meisje dat altijd haar onderbuik aan het woord laat. De top drie was gemaakt.

Ik vertelde het aan iedereen. Even voor de duidelijkheid: ik wist nog steeds niet zeker of ik überhaupt op uitwisseling wilde gaan. Toch leek het me goed als zoveel mogelijk mensen van mijn plannen zouden weten – mocht ik nog terugkrabbelen, moest dat wel met een goede reden. Over mijn motivatiebrief deed ik een aantal dagen. De eerste opzet stond snel, maar wanneer ik mijn woorden teruglas, hoorde ik iemand anders praten. Het Engels was de oorzaak. Nog nooit eerder had ik ervaren hoe moeilijk het is om jezelf te zijn in een taal die niet als vanzelfsprekend komt. Maar de deadline naderde. Ik leverde mijn brief in en besloot tevreden te zijn. Nu was het aan iemand anders – uit mijn handen.

Binnenkort zal ik onthullen waar ik heen ga! Het is op dit moment nog niet honderd procent officieel, namelijk. Ik ben ‘conditionally approved’, zoals dat heet. Het is een bureaucratisch proces, zo’n uitwisseling. Daarover vertel ik nog wel een keer (officiële stempels, internationale pakketjes, vragen over eventuele strafbladen, dat soort zaken). Vast een tipje van de sluier: ik mag naar de plek waar ik het liefst heen wilde. 

#279 WHAT I WANT

IMG_3742

Laatst vertelde ik al dat ik bezig ben met een project. Ik ben er heel enthousiast over, en het zorgt ervoor dat er één vraag is die steeds in mijn hoofd aanwezig is: welke studie wakkert dat enthousiasme in mij aan? Ik heb nog anderhalf jaar om erachter te komen. Aangezien de grootste clichés vaak toch waar zijn, zal de tijd voorbij vliegen. En dan moet ik kiezen.

Industrial Design

Al eerder schreef ik over de studie Industrial Design. Er was nog niets besloten, maar het leek me een goede optie. Ik kon mijn creatieve ei kwijt, het had te maken met mensen en ook nog met techniek. Dan zou ik iets doen met alle bèta-kennis die ik in de bovenbouw had opgedaan. Want zoals je misschien weet, koos ik zo’n anderhalf jaar geleden voor een vakkenpaket met biologie, scheikunde, natuurkunde en wiskunde B. Dat leek me een verstandige keuze, aangezien ik met dat profiel me voor alle studies kon aanmelden.

Wanna-be-bèta

Spijt heb ik er niet van. Ik haal prima cijfers (ook omdat ik mezelf er inmiddels van overtuigd heb dat een zeven daadwerkelijk een prima cijfer ís. En zelfs een zes mag af en toe. Ja, dat is een overwinning voor mij). Vakken als aardrijkskunde en geschiedenis mis ik niet. Wel had ik het mezelf makkelijker gemaakt door daarvoor te kiezen, denk ik. Ik ben gewoon een talig persoon, en wist me altijd goed door die testen heen te kletsen. Wanneer ik moet gaan rekenen, willen de getalletjes echter nog wel eens gaan duizelen voor mijn ogen. ‘Waar ben ik nou eigenlijk mee bezig,’ vroeg ik me in de eerste weken steeds af, wanneer ik de molariteit van een oplossing of de zwaartekracht evenwijdig aan de helling berekende. Ik moest er behoorlijk wat moeite voor doen, en dat was ik niet gewend. Met alle gevolgen van dien. (Die mag je zelf invullen.) Nee, mijn favoriete vakken zijn het niet. Het is soms zo abstract dat ik het nut er niet meer van in kan zien. Pas wanneer mij duidelijk wordt wat die reacties in de praktijk veroorzaken, begin ik het interessant te vinden. Maar daar scoor je geen punten mee op je test.

Omdat het kan

En dan kom ik weer terug bij Industrial Design. Het creatieve aspect vind ik enorm leuk. En ik weet ook wel dat ik het kan, dingen maken. Dat doe ik elke dag. Maar wanneer het gaat om producten, wordt het een heel ander verhaal. Die moeten namelijk ook een functie hebben, afgezien van ‘gewoon mooi zijn’ of ‘een verhaal vertellen’. Het moet werken, het moet iets doen. En daar komen natuurkunde en wiskunde om de hoek kijken. Want dat moet je dan snappen. Het écht snappen, en echt kunnen. En het vooral echt interessant vinden, want anders worden het drie lange jaren. Ik zou toch wel gek zijn om daar dan voor te kiezen. Alleen omdat het kan.

Nachtelijk advies

Maar ergens vind ik het zonde. Om eindexamen te doen in die vakken en ze vervolgens verwaarlozen. Met verschillende mensen heb ik het hier al over gehad, en één van hen kwam met een advies dat me aan het denken zette. Het was tijdens de werkweek, een uur of twee ’s nachts. Alle bruggers lagen in bed en de meeste docenten ook. Ik zat nog beneden, met een paar mini’s en twee leraren. We praatten over studies, wat we dachten te gaan kiezen. Ik vertelde over mijn plannen, mijn twijfels en het feit dat ik het zonde zou vinden om niets met die bètavakken te doen. ‘Waarom zou het zonde zijn?’ zei één van de docenten. ‘Die kennis heb je toch? Wat houdt je dan tegen om een totaal andere richting in te gaan?’ Kortom: waarom zou ik niet gaan doen wat ik écht wilde?

Wat ik wil

Een goede vraag, waarop ik verschillende antwoorden kan geven. Het eerste: omdat ik nog niet weet wat ik echt wil. Iets wat me gelukkig maakt, dat heb ik al wel besloten. Anderen kiezen misschien voor een studie waarmee ze grootse dingen kunnen bereiken of veel geld kunnen verdienen. Mij lijkt het geweldig om elke dag datgene te kunnen doen waar ik plezier uit haal. Ook omdat ik op die manier het meeste kan betekenen voor de mensen om mij heen. Met welke studie ik dat kan bereiken, weet ik nog niet. Maar als ik in grote lijnen denk en puur kijk naar waar ik blij van word, weet ik het heel goed: ik wil iets creatiefs. Ik wil verhalen vertellen. Ik wil de wereld om me heen vastleggen doormiddel van tekst, film en fotografie. Of juist hele nieuwe wereldjes creëren, op een manier zoals niemand ze ooit gezien heeft. Zodat mensen gaan nadenken, zich verwonderen of dat ze simpelweg blij worden van hetgene wat ze zien. Zonder wiskunde of biologie. Om uit te vinden wat voor studie daarbij hoort, zal ik moeten gaan kijken, meelopen en dan beslissen wat mij het beste lijkt. Lekker op mijn buikgevoel kiezen, zonder rationele afwegingen.

Wat me tegenhoudt

Zo klinkt het heel eenvoudig, waardoor ik me afvraag waarom ik me eigenlijk nog druk zou maken. Als ik heel eerlijk ben weet ik dat wel. Er is namelijk nog iets dat me tegenhoudt om te doen wat ik echt wil. En dat is onzekerheid. De vraag of wat ik doe wel goed genoeg is. Over anderhalf jaar om toegelaten te worden, later om daadwerkelijk elke dag dat te kunnen doen waar ik zo blij van word.

Er is datgene wat ik kan en datgene wat ik wil. Het voelt alsof ik daartussen moet kiezen. Maar dan is er één ding dat vergeten wordt. Namelijk dat ik een keuze mág maken. Dat ik de luxe heb om te kunnen kiezen voor datgene wat mij het beste lijkt. Dat ik momenteel nog niet weet wat dat is, moet ik dan misschien maar voor lief nemen.

En om nog even de link te leggen met de foto van vandaag: het duurde een half uur om hem te maken. Dus ook dat hield me bezig. 

INDUSTRIAL DESIGN

Schermafbeelding 2014-02-02 om 20.32.47

Na alle profielkeuzestress word ik langzaam klaargemaakt voor de volgende keuze: de studie. Nou word ik niet in het diepe gegooid. Er is een heel traject van gesprekken, open dagen en bijeenkomsten. Afgelopen week ging ik naar een studievoorlichting. Op één school kwamen scholieren van verschillende scholen samen, om te luisteren naar studenten van universiteiten verspreid over heel Nederland.

Er vielen me een paar dingen op, die avond. Ten eerste, dat je iets leuk en interessant kan vinden, maar dat je tegelijkertijd weet dat het toch niks voor jou is. Ook werd nog maar eens bevestigd dat ik er goed aan heb gedaan om niet naar de school te gaan waar de voorlichting plaatsvond. Ik vind het nog steeds net een gevangenis.Vervolgens hoorde ik drie keer: ‘Deze opleiding is anders dan anderen.’ Dat is natuurlijk wat elke universiteit probeert te claimen, maar als iedereen het zegt, wordt het gewenste effect niet bereikt, denk ik. Toch was er één opleiding die er voor mij daadwerkelijk uitsprong: Industrial Design. 

Het combineert namelijk drie dingen die ik leuk vind. Ten eerste design, dat spreekt voor zich denk ik. Ik ben heel graag creatief bezig en zou dat in deze opleiding echt kwijt kunnen, in tegenstelling tot bij veel andere universitaire studies. Dan is er ook een maatschappelijk aspect. De dingen die je ontwerpt moeten in een behoefte voorzien, en voldoen aan de wensen van gebruikers. Je bent dus bezig met wat mensen willen, hoe ze leven en hoe ze omgaan met bepaalde dingen. Tenslotte bevat de opleiding een stukje wiskunde en natuurkunde. Ook techniek speelt een grote rol bij de ontwikkeling van veel producten. Dat zou ik als een minpunt kunnen zien. Het zijn namelijk niet bepaald mijn favoriete vakken. Aan de andere kant, doe ik dat N&T profiel dan niet voor niks. (Zoals ik het afgelopen halfjaar toch wel vaak stiekem gedacht heb…)

Er kleeft ook een nadeel aan: de opleiding is aan de Technische Universiteit. En dat heeft in mijn ogen nou niet echt een spannend imago. Toen ik er de eerste keer vanuit school was, zag ik vooral veel slungelige jongens met grote rugzakken, een heleboel ingewikkeld uitziende machines en ruimtes waarin mensen onderzoeken aan het doen waren. Nee, dit wordt het niet, dacht ik meteen. Maar. (En niet zomaar een maar. Een díkke maar.) Al twee keer heb ik ontdekt dat het er soms ook anders aan toe gaat. Zoals met een architectuurproject, waarvoor we naar de TU gingen. Daarbij waren we echt creatief bezig – dus niet, zoals ik dacht, alleen maar met getallen, formules en computers. Bij de voorlichting Industrial Design werd de werkwijze van de studie toegelicht. Er zijn projecten, veel praktijk en geen examens, maar een beoordeling via een zogenaamde showcase. Hierin leg je het hele proces vast doormiddel van foto’s, filmpjes en schetsen. Hallo, alleen dat al is helemaal mijn ding.

Dus, wat houdt me tegen, zou je denken, toch? Nou, eerst moet ik natuurlijk even het VWO afronden. Maar dan is er nog iets. En dat is de stad, Eindhoven. Dat ligt echt vlakbij het dorpje waar ik nu woon, en mijn middelbare school ligt er ook. Ik wil eigenlijk heel graag ergens anders heen. Amsterdam, Utrecht – in ieder geval weg van hier. De wijde wereld in, zoiets. Want deze stad ken ik al zo goed. (Of ja. Binnen mijn gedesoriënteerde beperkingen, dan.) Maar als ik het over een tijd nog steeds zo’n toffe studie vind, kan ik me daar denk ik wel overheen zetten.

Voor nu ben ik al lang blij dat ik een beetje een idee heb van wat ik zou willen. Misschien. Want ja, ik ken mezelf – misschien wil ik over een jaar wel weer iets anders.