Studentenleven

4. EN IK ZUCHT OPGELUCHT

a19862b7-adc7-4047-bb30-147593e26cd2

Na een jaar op de School van het Leven ben ik inmiddels alweer even terug in het systeem. Die pauze deed me goed – ik was er wel klaar mee dat van hogerhand bepaald werd welke boeken ik moest lezen, wat ik allemaal moest weten. Na een jaar vrij van regels kan ik me beter schikken in de universitaire structuur – juist omdat het alleen dat is: een raamwerk. De invulling bepaal ik.

De bachelor Taal- en Cultuurstudies is ‘breed’, ‘interdisciplinair’, of als ik het mag zeggen: van alles een beetje. Vooral het eerste jaar is een mengeling van wat je maar wil binnen de geesteswetenschappen. De afgelopen maanden hield ik me bezig met Nederlands, literatuur, kunst, communicatie, taalkunde en -psychologie. Ik kan zeggen dat ik ervan geniet – de vrijheid, afwezigheid van al te veel autoriteit, het feit dat ik enorm veel leer en die kennis ook tegenkom in het dagelijks leven.

(‘Hé, dat bespraken we vorige week ook in college.’)

(Soms is het minder genieten, hoor. Heb ik een werkgroep om negen, dan moet ik evengoed zin maken.)

Ik sta versteld van alle niveaus waarop de wetenschap de mens probeert te duiden – van binnen, buiten, vanuit verleden, heden, toekomst. Regelmatig vraag ik mezelf af of ergens onderzoek naar is gedaan. Het antwoord is vrijwel altijd ‘ja’. En hoe meer ik lees, hoe minder ik denk te weten. Als er over zulke specifieke onderwerpen al is geschreven, hoeveel bestaat daar dan nog omheen?

(Zo las ik over de relatie tussen theater en de natie in achttiende-eeuws Duitsland, over het verschil tussen Noorse en Franse middeleeuwse verhalen op het gebied van emoties, en over taalhandelingen in statusupdates op Facebook. Niet dat dit nou mijn favoriete teksten waren, maar om je een beeld te geven.)

Van die onuitputtelijke stroom informatie ben ik me erg bewust, juist omdat ik uit zoveel kan kiezen – al blijft het steeds binnen het alfa-gebied. Ik denk nog wel eens terug aan mijn bèta-fase, de dagen van practicumverslagen, rinkelende reageerbuisjes, molverhoudingen – titreren, vloeken, nog eens proberen.

Tijdens mijn huidige studie ga ik me daar niet meer in verdiepen. Er wordt nog wel eens een link gelegd met neurowetenschap, maar dat mag – letterlijk – geen naam hebben. (De docent wijst dan haastig een hersengebiedje aan: daar gebeurt het. En weer verder.) Soms roepen mijn drie geneeskundige huisgenoten nog wat (‘B-lymfocyten. Oh ja. Dat heb ik ook ooit gehad.’) en dan is er nog een beetje statistiek. Daar proef ik mijn formulegerichtheid nog wel terug. Na een werkcollege SPSS blijf ik achter met wat vragen.

‘Maar hoe bereken je p dan?’

‘Je hebt p al. Dat is dit getal, hier.’

‘Dat snap ik, maar hoe wordt p dan bepaald?’

‘Daar is een wiskundig model voor.’

‘En hoe werkt dat?’

‘Dat hoef je allemaal niet te weten. Je kan gewoon op dat knopje drukken en dan doet de computer de rest.’

‘Oh.’

En ik zucht opgelucht.

Ik ben op m’n plek dus, bij mijn studie kies-je-eigen-pretpakket. Het komend half jaar ga ik me voorbereiden op mijn afstudeerrichting. Het wordt waarschijnlijk een combinatie van filosofie en moderne kunst. (Yay baankansen!) En misschien nog een beetje literatuurwetenschappen. En onderwijskunde. En, en, en… Ik word vast zo’n eeuwige student. Dit was stukje vier uit de reeks alles-is-anders-wat-nu. Stukje een, twee en drie kan je hier teruglezen.

3. ZOWEL JE HANDSCHRIFT ALS JE DRONKEN LACH

9R7A1830

Ergens in de tweede week van het collegejaar dronk ik met studiegenoot Floor een spreekwoordelijke koffie. (Dat wil zeggen, iemand vraagt of ik eens koffie wil drinken, ik zeg ja en bestel vervolgens thee.) We praten over alles en niets en over de gaatjes die ik een dag eerder had laten schieten. ‘Het was nogal een impulsactie,’ zeg ik, draaiend aan de knopjes in mijn nagloeiende oorlellen. ‘Niets voor mij, eigenlijk.’

‘Hoezo niet?’

Die vraag zette me aan het denken. Waarom had ik dat gezegd? Blijkbaar was het dermate ‘iets voor mij’ dat ik binnen twintig minuten na het besluit door een verveeld meisje twee gouden knopjes in mijn oren had laten nieten. Voor Floor paste dat prima in het beeld dat ze van me had – niet bang om mijn mond open te trekken, een meer in te springen, de dansvloer op te gaan. Ze kende alleen de ik van de afgelopen twee weken.

Zo kwam ik tot de realisatie: nieuwe mensen kennen je niet. (Dit klinkt als de meest open deur ooit, maar wacht het even af.) Ze weten alleen wat ze zien, zonder vooroordelen, zonder achtergrondinformatie. Voor hen ben je nog geen kind, ex of zusje van. Je bent hoe je doet, wat je zegt, op dat moment. Zo bouw je beurtelings op wie je voor elkaar bent, vrijwel los van het verleden.

Vandaag sprak ik Colette, vriendin sinds zo’n tien jaar en ook bewoner van een Chaotisch Bestaan. We hadden anderhalf uur nodig om bij te praten. Waar we eerst grotendeels parallel liepen, leiden we nu totaal andere levens. En dat doet iedereen – zoals Colette het verwoordde: niemand weet nog wat je dagelijks op je brood smeert. Niemand kent zowel je handschrift als je dronken lach, zowel de vijf moedervlekken op je rechtervoet als de plek waar je je reservesleutels bewaart. Je wordt gekend in delen – jijzelf overziet het geheel.

(Tenminste, dat is het idee.)

9R7A1896

En zo hoor ik overal een beetje, bij meerdere clubjes, groepjes, commissies en subjes, met elk hun eigen plannen, hun eigen dagen en feesten en sinterkerstennieuwdiners. Wanneer ik mijn aandacht moet verdelen, word ik meegesleept door de ziekte waar elke student aan lijkt te lijden: FOMO, Fear Of Missing Out. Ik dacht dat ik daar wel boven stond, maar nee. Dat bleek toen ik laatst ziek was: niet naar college, maar een etentje missen? Vergeet het maar. Een ibuprofen erin en gaan.

(‘Ik zal proberen niet in jullie pizza te niezen.’)

Juist wanneer ik overal wil zijn, ben ik er maar deels; met mijn hoofd steeds al bij het volgende. Daar wil ik vanaf – dan maar saai, laf, zo nu en dan afwezig. Als je me echt mag, dan hou je evengoed van me.

Gelukkig zijn er daar genoeg van: leuke, lieve, (nieuwe) mensen. Mensen om mee te dansen en daten en koken en eten en bioscopen en lopen als je band lek is. Mensen met antwoorden op vragen, mensen voor planloze dagen en mensen voor als je het even niet meer weet.

(Mensen wiens naam ik steeds vergeet. Oh, al die namen. Maaike en Meike en Maaijke en Marieke en Mieke. Max en Maarten en Cas en Bas en Lars. Anne en Anna en Hanne en Hanna en Sanne – sorry voor alle keren in het verleden en in de toekomst.)

De een denk ik al behoorlijk te kennen, met de ander weet ik dat het klikt. De rest volgt dan vast. En zo hoor ik overal een beetje – maar ook een beetje overal.

Dit was stukje drie over mijn fijne maar enigszins chaotische leven, met daarin dus allerlei nieuwe mensen. Mocht je zo’n nieuw mens zijn en dit lezen: hoi! Leuk dat je dit deel van mij ontdekt. Beetje eng, ook wel. Maar het hoort erbij – bij mij. Mocht je willen, dan lees je hier stukje een en stukje twee terug. Er volgt denk ik nog wel een stukje vier!

2. OP, KAPOT EN VIES

thumbnail_filename-1-1 2.jpg

Het is half zeven, een rij van zeker twintig meter lang kronkelt door de supermarkt. Vermoeide voeten schuiven gele mandjes vooruit, ik huiver bij het geluid van plastic dat schraapt over de tegels. Zij die niet vooruit plannen betalen nu de prijs.

De te doden tijd vul ik op met mijn nieuwsgierigheid. Toon me je boodschappen en ik zeg je wie je bent. Gezin met kinderen, vegetarisch, tijd van de maand – zo’n mandje onthult meer dan je denkt. Zeker als ik tien minuten achter je heb staan wachten.

Betaald, richting uitgang. Langs de bewaker die me aan mezelf doet twijfelen. Het ik niet per ongeluk iets gestolen? Doorlopen, nu niet verdacht gaan kijken. Buiten. Thuis blijkt er altijd iets vergeten, maar morgen weer een dag.

(Van die gedachte baal je dan, als je op de wc zit en er niks meer hangt.)

Er is een hoop niet meer vanzelfsprekend wanneer je op kamers gaat. Je moet het zelf regelen, je eigen leven draaiende houden. Niemand anders gaat het nog voor je doen.

Welkom in de cyclus van op, kapot en vies. Neem de was, die altijd is – die zich ophoopt of vergeten is uit de machine te halen (en dan moet het opnieuw, want vergeten was stinkt). Daarbij bieden die pictogrammen lang niet altijd houvast. Wat moet je met wol, satijn, kant? Hang ik weer aan de lijn: ‘Mam? Ik heb een vraagje.’

(Over strijken zal ik maar helemaal niet beginnen. Dat is toch alleen een idee? Wie doet dat nou echt?)

thumbnail_filename-1-2 2.jpg

Het is een cyclus en daarom nooit klaar. Ik keer mijn kont of er dondert weer iets in elkaar – des te langer duurt het om dingen te maken. En dus douchen we in het halfdonker en beschijnt een fietslampje het fornuis, in ons huis met muren van peperkoek. Dus danst er stof in pirouettes door mijn kamer en zit er altijd een ondefinieerbare prut in het gootsteenputje.

Het lijkt een deprimerende gedachte: dat je de keuken blijft poetsen, je lijf blijft wassen, steeds opnieuw tot het op een dag gewoon niet meer hoeft. Maar ik zie er ook wel iets in. Hoe fijn, dat je je door die basale dingen goed kan voelen. Wanneer de vaatwasser draait, mijn bed fris is opgemaakt en ik naar boven kan roepen: het eten is klaar! Geloof het of niet, maar ik kan daar inmiddels best van genieten.

Moet je opeens voor jezelf gaan zorgen – ik had niet helemaal bedacht dat daar ook tijd in gaat zitten. Misschien een goed moment m’n ouders eens te bedanken, die deze taak toch achttien jaar succesvol vervuld hebben. (En nog steeds wel deels, natuurlijk, wie houd ik voor de gek.) Ook wel zo eerlijk om te vermelden: ik ben inmiddels in genoeg studentenhuizen geweest om te weten dat het mijne relatief gezien een smetvrij paleis is. We hebben zelfs een vaatwasser. Dit was stukje twee uit de reeks oh-shit-hoe-werkt-dit-nieuwe-leven. Stukje één lees je hier. Stukje drie volgt!