School

IK STOND DUS EEN TIJDJE VOOR DE KLAS | EINDHOVEN

Wanneer je terugkomt op een plek waar je een tijd niet geweest bent, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Zo kwam ik twee jaar na een verhuizing terug in het huis waar ik was opgegroeid, verbaasd over hoe kléín alles was – niet stilstaand bij het feit dat ik zelf een behoorlijke groeispurt had doorgemaakt.

Anderzijds kom je soms ergens terug, om te ontdekken dat alles hetzelfde is gebleven. Zoals op mijn middelbare school in Eindhoven – van de puberstroom in de pauze tot de gifgroene vloerbedekking in de gang. En een jaar na mijn eindexamens begint het eerste uur nog steeds – excuseer – fucking vroeg.

Een donderdagmorgen in april, gapend laat ik heet water in een kopje stromen. ‘Hier mogen eigenlijk geen leerlingen komen, hè.’ Als je met genoeg zelfvertrouwen de docentenkamer binnenloopt, gaat men er vanzelf vanuit dat je daar hoort. Andersom hoef je maar enigszins twijfelend om je heen te kijken, en de conciërge pikt je er zo uit.

Voor iemand die stopte met haar opleiding, bracht ik nog heel wat tijd in de klas door. Beter gezegd: voor de klas. Ik gaf een paar weken les over filosofie, kunst en creativiteit. Bladerend door boeken en kranten, struinend over het internet vond ik mijn thema’s. In koffietentjes vond ik mijn concentratie.

(Deze lessenreeks wordt mede mogelijk gemaakt door Coffee Company Nachtegaalstraat).

Het vierde blok, de vierde klas. Met een kleine twintig leerlingen filosofeerde ik over kunst in de allerbreedste zin van het woord. Wanneer is iets kunst? Wat is het nut ervan?  Wat is het verband tussen Aristoteles en GTST? Welk kunstwerk ken je al jaren, zonder het te weten?  En waarom gaat het steeds weer over dat omgekeerde urinoir?

Veel vragen, weinig antwoorden. Mijn doel met de lessenreeks was niet zozeer duizend jaar kunstgeschiedenis oprakelen. Veel liever wilde ik een nieuwe manier laten zien om naar kunst te kunnen kijken.

(Ik ga nu even mijn eigen lesplan quoten. Sorry daarvoor.)

‘Wanneer je probeert kunst alleen maar te ervaren vanuit je gevoel, ga je voorbij aan een context vol betekenis. Dat lijkt mij zonde. Want juist in die context zal je ontdekken dat kunst ontroerend kan zijn, grappig, bijzonder, irritant of gewoon heel raar. Dat makers hun tijd soms ver vooruit waren, dat ze gedurfde dingen deden, die zelfs nu nog invloed kunnen hebben op hoe wij de wereld zien.

Wél nadenken dus – met al die vragen en antwoorden in je hoofd zal je vanzelf een gevoel ontwikkelen bij bepaalde kunstwerken. En een mening erover. Dat is het leuke: kunst heeft altijd te maken met je eigen interpretatie. Het is als het leren drinken van wijn: hoe meer soorten je proeft, hoe beter je ontdekt wat de verschillen zijn en wat je eigen smaak is. Alleen word je van kunst niet dronken.’

Dat dus. Maar waarschijnlijk heb ik zelf nog het meest geleerd van deze ervaring. Om een paar dingen te noemen:

  • Misschien wel het moeilijkste deel van een les: het begin. Al snel kwam ik erachter dat ik een soort kreet nodig had om de aandacht te krijgen, wilde het niet heel ongemakkelijk worden.

(‘Ehh, jongens!

Jongens?

Jongens…?

Kunnen jullie heel even…?

Ja?

Dankje – hallo?

Ja.

Dankjewel.’)

  • Maar als ik eenmaal begonnen was, voor het bord met een kop thee in mijn hand, voelde het al snel vertrouwd. Binnen een week hoorde ik mezelf dingen zeggen als ‘Ga je ook nog even aan het werk? Als je het nu doet, heb je het straks thuis eerder af.’ ‘Zou het misschien verstandiger zijn als jullie niet naast elkaar gingen zitten?’ En dan deden ze dat nog ook. Het was dan wel een kleine klas met goede manieren. Maar tóch. Toch verwachtte ik stiekem dat op een bepaald moment de pleuris uit zou breken, omdat ze erachter waren gekomen dat ik geen échte docent was.

(Al wisten ze dat vanaf les één natuurlijk al. Vorig jaar spendeerde ik mijn pauzes nog naast hen in hal B.)

(Bovendien was er steeds wel een échte docent bij, mocht het dan toch uit de hand lopen.)

  • Het is leuk. Al zo’n vijf jaar geef ik bijles, met veel plezier. Ik wist dus dat het overdragen van kennis me blij maakte. Maar zo’n hele reeks opzetten, van onderwerpkeuze tot nakijkwerk, bracht nog veel meer met zich mee. Meer verantwoordelijkheid, meer organisatie, meer voldoening. Meer leuke, slimme leerlingen vol verrassende uitspraken. Hoe cool is het als je het idee hebt dat er mensen zijn die echt iets gedaan hebben met je verhalen – omdat je dat in hun zelfgeschreven essays kan terugzien.
  • Ten slotte het besef dat het me misschien wel iets lijkt – voor als ik later groot ben.

Verder in Brabant: examenfeestjes vieren. Genieten van het ouderlijk huis – met name de tuin, waar het ruikt naar warme dennenbomen en waar de vogels je ’s ochtends wakker maken. Avonden bij de buitenhaard – niet tot het te koud wordt, maar tot het hout op is. Woorden hangen nog in de lucht, maar niemand voelt zich geroepen ze te vangen. De knapperende vlammen voeren de boventoon, tot er slechts kooltjes resteren en het vuur nagloeit in mijn ogen.

Stad drie uit de reeks van steden. Amsterdam, Rotterdam en nu dus Eindhoven. Mijn favoriet bewaarde ik tot het laatst. Ergens over een paar dagen: Utrecht!

BEKIJK HET VAN DE ZONNIGE KANT

Over de eindexamens worden een hoop onwaarheden verspreid. ‘Ze zijn makkelijker dan de schoolexamens’, is de meest gehoorde. Mijn cijfers moet ik natuurlijk nog krijgen, maar uitgaande op mijn eigen nakijkwerk kan ik je vertellen: niet waar.

‘Je bent nooit de volle drie uur bezig.’ Niet waar. Ik heb er steeds tot het einde gezeten, behalve op de laatste dag. Maar dat lag meer aan mijn concentratieniveau dan aan de lengte van het examen.

‘Tijdens de examenweken zelf leer je niet meer.’ Absoluut niet waar. De mensen die geen stress hebben, beginnen de dag van tevoren pas met leren. De mensen die wel stress hebben, lezen alles ’s ochtends nog eens door.

Nu ik al deze wijsheden heb verworpen, vraag je je misschien af: wat is dan wel wijsheid omtrent die examens? De beste tip die ik je kan geven: probeer er de humor van in te zien. Lach om de misbaksels van antwoorden die je soms produceert wanneer je echt geen flauw idee hebt, maar toch íéts in wilt vullen. (Want je hoort in je hoofd die ene docent, die al drie jaar roept: je moet altijd íéts invullen!) En lach om de examens zelf. Want ondanks de stress en vermoeidheid die ze met zich meebrengen, ontdekte ik: soms zijn ze best grappig.

Het examen Engels bevatte een tekst die ging over klachten omtrent Baby Einstein videos. Die videos zouden niet de educatieve waarde hebben die door producent Disney wordt geclaimd. Disney heeft dat inmiddels erkend en er zijn maatregelen getroffen. Als de videos geen Einstein voortbrengen, dan mag het kind gewoon geruild worden.

scan0018

Biologie begon met een tekst over het gif ‘imidacloprid’* en bijen. ‘In lage doses verstoort het onder andere het poetsgedrag, het oriëntatievermogen, de bijendans en het foerageren.’ Mijn over het algemeen goed geconcentreerde brein liet zich even afleiden door de term ‘bijendans’. Direct zag ik een groep geel-zwarte animatiefiguurtjes voor me, schuddend met hun vleugels. Op de achtergrond klonk Formation van Beyoncé.

Gelukkig was de afleiding maar van korte duur, en kon ik me weer focussen op de bijbehorende vraag over de nadelige gevolgen van het gif. ‘Dan kunnen de bijen de bijendans niet meer doen,’ was de strekking van mijn antwoord. Daar heb ik dan zes jaar voor op school gezeten. En het was nog fout ook.

scan0019

Bij filosofie was scepticisme het onderwerp van het eindexamen. Het scepticisme is een stroming die alles in twijfel trekt. Het bestaan van de buitenwereld, van de mensen om ons heen en zelfs ons eigen bestaan wordt onzeker geacht. Om paranoia van te worden.

Op het examen resulteerde het in pareltjes van zinnen, die zo wanhopig klonken dat het lastig was er niet om te lachen. ‘Je moet beginnen met te beseffen dat je er helemaal alleen voor staat.’ En mijn persoonlijke favoriet: ‘Ik weet zeker dat je ouders heel erg trots op je zouden zijn, als ze inderdaad zouden bestaan.’

Ook probeerden we te lachen om het feit dat iedereen zich suf had geleerd op het gedachtegoed van Kant, waar vervolgens geen enkele vraag over gesteld werd. Niet één. En we hadden nog zoveel woordgrapjes over hem gemaakt in de Facebookpoll. (Zie titel. Ha-ha.)

Untitled (1)

Bij Frans kregen we een tekst voorgeschoteld over de rampzalige gevolgen van te veel zitten. ‘Les muscles deviennent aussi réactifs que ceux d’un cheval mort.’ Daar ben je mooi klaar mee. Deze ‘spieractiviteit als van een dood paard’ leidt tot diabetes, obesitas en een verhoogd sterftecijfer. We werden bekogeld met termen als ‘désastreuse’ ‘néfaste’ en ‘funeste’. Ervan uitgaand dat het Cito weet dat wij wekenlang op onze derrières aan het studeren geweest zijn, vond ik dit wel een vrij zwarte vorm van humor.

Dan waren er nog twee examens waar geen enkele hilariteit in te ontdekken viel: natuurkunde en wiskunde. Was te verwachten. Die heb ik ook het slechtst gemaakt – dan is het maar duidelijk waar dat aan gelegen heeft.

* Het is maar goed dat de dyslecten een half uur extra kregen.

Dit was de tweede en tevens laatste eindexamensamenvatting. Ik ga nog wel iets schrijven over hoe het met me gaat, wat ik ga doen met de rest van mijn vakantie/leven. Dat komt allemaal. Tijd genoeg. Eerst even feestvieren (en wat boeken in de fik steken).

MISSCHIEN TOCH MAAR GAAN

De smaak van vakantie ligt op mijn lippen; een mengeling van chloorwater en perenijsjes terwijl ik opdroog in de zon. Het is vakantie, maar ook alles behalve dat.

Maandagochtend, we hebben nog drie dagen. We leren biologie, Mienke en ik. Drie hoofdstukken in een uur, het lijkt heel wat. Maar we focussen ons meer op herkennen dan kennen. ‘Dit weet ik. Dit weet ik ook wel. Oh ja. Dat staat in je Binas. Tabel 78C. En dit – nee, dit niet. Maar dat kan je hieruit afleiden. Dat onthoud je misschien. Trouwens, dat gaan ze tóch niet vragen. Nee… Toch?’

Om en om proberen we afleiding te voorkomen en op te zoeken. Beide kanten op gaat dat niet geweldig. Tijdens het leren lonkt mijn telefoon, ’s avonds kan ik mijn gedachten niet van de formules en begrippen afhouden. PSV en OZ doen een goede poging de spanning te verleggen. Zelf proberen we het ook, tijdens avondjes op limonade, kletsend over alles behalve. Toelevend naar de vakantiestip op de horizon.

Natuurlijk komen we er toch steeds op uit. We bespreken wat we geleerd hebben, of hadden moeten leren die dag. We vragen ons af of iemand je wakker zou maken, mocht je in slaap vallen daar in de gymzaal. Er wordt een verhaal verteld over een meisje dat vol goede moed wilde beginnen met schrijven. Ze zuchtte nog eens diep, knakte haar vingers… en trok er daarbij vier uit de kom.

Ik leef op mijn planning, die inmiddels al zaligmakend neon kleurt. Wat er buiten dat schema om gebeurt, bestaat niet. Ik schrik dan ook wanneer ik een melding ontvang van Facebook. ‘Je hebt interesse getoond in een evenement dat later deze week plaatsvindt. Laat weten of je aanwezig bent.’ Het staat niet op mijn planning, dus nee. Ik klik verder. ‘Centraal Eindexamen 2016’. Misschien toch maar gaan.

‘Vooral geen stress hebben, dat is nergens voor nodig’ is het meest gehoorde goedbedoelde advies. Als ik eens wist hoe dat moest. Het komt met vlagen van buikpijn en gezucht, nachtelijke rekensessies waarbij ik check wat ik minimaal moet halen. Die cijfers zijn ook echt minimaal, kan ik je vertellen – de stress is inderdaad niet nodig. Het feit dat ik het toch ervaar is irritant, frustrerend en soms lachwekkend, als ik denk aan de uit mijn fantasie voortkomende doemscenario’s die al de revue zijn gepasseerd. Voor anderen heb ik tientallen tips en geruststellende woorden. Maar zelf neem ik ze niet aan.

Maandagmiddag inmiddels, we hebben biologie opgegeven. Het valt gemakkelijk goed te praten, vanuit een gebrek aan concentratie en een overschot aan blauwe lucht. Dus liggen we in de tuin, voorzichtig zonnend in de leerpauze. (Voorzichtig lerend in de zonpauze, wat je wilt.) Ik denk aan de melanine die zich vormt in mijn huid. Er loopt een mier over mijn handdoek en ik denk aan zijn kleine lichaam, dat zelfs daarin zich synapsen, bloedlichaampjes en receptoreiwitten bevinden. (Althans, dat verwacht ik – de anatomie van de mier staat niet in mijn syllabus.) Ik denk aan nog duizend andere dingen die ik volgend jaar ben vergeten en waar ik nu niets aan heb. Maar ondertussen word ik wel degelijk bruin – fijn dat sommige dingen vanzelf gaan.

Gelukkig gaat de tijd ook vanzelf. Het wordt vanzelf 25 mei – hoe dan ook. Het wordt vanzelf morgen, de dag waarop ik mijn eerste examen maak. En dan zie ik vast dat het meevalt. Ik loop de rijen tafels af op zoek naar de mijne. In mijn handen een flesje water en koekjes die veel te hard kraken. En dan is het half twee. Ik kijk de anderen aan, doe alsof ik mijn vingers ga knakken. We lachen, ondanks alles, en slaan onze boekjes open.

Lieve examenkandidaten: heel veel succes!

EN DAT WAS HET

IMG_5385We waren als eerste op school en als laatste weer weg. Niet gedacht dat ik daar ooit nog blij mee zou zijn. Maar vandaag was het me meer dan waard, op deze Laatste Schooldag. We wilden er één met hoofdletters. Erop terugkijkend denk ik dat we daarin geslaagd zijn. Maar laat me bij het begin beginnen.Processed with VSCO with p5 presetOp woensdag doen we boodschappen. Vijf meisjes in een iets te kleine auto, omgeven door rollen afzetlint, tape en kussens, die nog op allerlei manieren ingezet kunnen gaan worden. Bij IKEA kopen we vijftig wekkers. Zelden zo vreemd aangekeken bij de kassa. 9R7A8171Op donderdag treffen we de nodige voorbereidingen in de school zelf. ’s Avonds drinken we gin tonics bij Jolien – althans, dat is het idee. Ik houd het bij roze wijn. Mijn smaakpapillen zijn nog niet zo volwassen.IMG_5417Vrijdagochtend, tien voor half zeven. Ik sta in mijn pyjama* midden op de brug in Son een foto te maken van de zonsopkomst. Normaal wemelt het hier van de scholieren, zoals ik er zelf ook één was: veel te klein en veel te vroeg.

Dit jaar kon ik regelmatig met de auto naar school. Maar vandaag wordt er gefeest en gedronken, dus fietsen we over de Eindhovense weg naar het Eckart. De kou dringt door mijn geruite broek. De vogels zijn al wakker maar wij nog niet. Er heerst een haast serene sfeer.IMG_5403Eenmaal op school is het over met de rust. In de personeelskamer wordt het meubilair ondersteboven gekeerd, de banner met ‘TE KOOP’ wordt opgehangen aan de gevel. Samen met Anne en Celine begeef ik me op een andere missie. Gewapend met een loper, tape en een AH-tas vol wekkers gaan we in hoog tempo zo’n twintig lokalen af. We verstoppen wekkers op kasten, plakken ze achter het schoolbord en duwen ze onder het systeemplafond. Op het bord laten we nog een cryptische aanwijzing achter: 09.30…9R7A8209Het plein begint vol te stromen. ‘Dromen zijn bedrog’ knalt uit de speakers, gapende bruggers in pyjama* kijken licht verdwaasd om zich heen. In de v-vleugel komt het spookhuis tot leven, inclusief gillende meisjes en jongens die ‘echt niet bang zijn’.

Iets na negenen verspreiden we ons door de school. Ik beland bij biologie, waar de ecologieles nogal verstoord wordt door de piepende wekkers in het plafond. Het kost zo’n twintig minuten en vier plafondplaten voordat de wekkers met behulp van een bezem naar beneden komen. Wij hoeven niets te doen, behalve lachen. Hetzelfde geldt voor de pauzes in de aula, waar docenten elkaar met kussens van een evenwichtsbalk af proberen te meppen. 9R7A82109R7A8220Processed with VSCO with b5 presetDaarna begint de biersmokkel richting het grasveld achter de school. Al was er van smokkelen niet echt sprake. De conciërge drinkt er eentje mee.

Rond vier uur worden we vriendelijk verzocht te vertrekken. ‘Vanwege de vakantie,’ vertellen ze ons. Het zal niet echt als vakantie voelen, maar vandaag heeft een hoop goedgemaakt. De afgelopen twee weken waren extreem vrijblijvend, met vandaag als hoogtepunt. We gaan waar we willen, komen naar de lessen wanneer we willen – niemand die nog strafmiddagen uit zal delen, ons nog vertelt wat wel of niet te doen. Langzaam raak ik leerling-af. Het bevalt me wel.Processed with VSCO with b5 presetHet is een dag zonder denken, rennend door gangen, hangend in de aula, liggend op het gras. Ik denk er dus ook niet aan dat deze Laatste Schooldag ook écht de laatste schooldag zal zijn. Pas op de fiets daalt dat idee in. Op weg naar huis bespraken we meestal de dag. Nu halen we herinneringen op van zes jaar, terwijl we de Eindhovense weg nog één keer af fietsen.

Ik heb een toptijd gehad op mijn middelbare school, te danken aan een fijne sfeer en fijne mensen. Vaak genoeg was ik het ergens niet mee eens, soms wilde ik echt, écht mijn bed niet uit. Maar dat vervaagt allemaal, terugdenkend aan leuke dagen als deze. Denkend aan reizen, voorstellingen, de talloze keren dat we de slappe lach hadden tijdens de les. Soms was het een zooitje, maar dat bood ons ook ruimte. Ruimte die we kregen om plannen te maken, dingen te organiseren, zolang je er zelf maar achteraan ging. Het was zo mooi als je het zelf maakte. En dat was het.IMG_5456

*Pyjama’s waren de dresscode.

**We wilden graag nog een statement maken tegen de langste en saaiste weg van heel Nederland. Bij deze.

***We haalden zelfs het NOS-journaal met onze acties. Een soort van. Kijk even hier.

WAT WOORDEN OVER CIJFERS

Zeven uur, vrijdagochtend. De cijfers voor wiskunde staan op Magister. Met mijn slaaphoofd scrol ik de lange lijst getallen door. Onderaan prijkt – onder een 6,3 en een 5,5 – een dikke 7,8.

Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft ervoor gezorgd dat leerlingen die met een 8,0 of hoger slagen, de vermelding ‘cum laude’ op hun diploma krijgen. Voor mij was het tot en met de derde klas mogelijk, maar inmiddels heb ik het opgegeven. Mijn bèta-capaciteiten acht ik niet toereikend.

Waarom ik het zou willen is de vraag. Natuurlijk staat het mooi op mijn diploma, maar voor mijn vervolgstudie heb ik het niet nodig. Bovendien weiger ik te accepteren dat één rijtje getallen zou weerspiegelen hoe het met mijn intelligentie gesteld is. Maar toen ik vanochtend die 7,8 op Magister zag staan, schoot het toch door mijn hoofd: misschien kan het nog. Cijfers – ik hecht er meer waarde aan dan ik zou willen.

Onze gehele maatschappij is gebaseerd op getallen en statistiek. Ze vormen de basis voor beleid. Een stijging van dit? Dat resulteert in strengere maatregelen. Een daling van dat? Dan wordt de subsidie ingetrokken. We hebben cijfers nodig om een mate van objectiviteit te bereiken, waardoor we zaken met elkaar kunnen vergelijken en toetsen. Maar of dit op alles toegepast moet worden, vraag ik me af.

De middelbare school is hier een treffend voorbeeld van. Aangezien cijfers bepalen of je wel of geen diploma haalt, is dat hetgeen waar leerlingen op focussen. Bovendien zijn we het gewend; al vanaf de kleuterklas worden we getoetst en beoordeeld. Deze cijfergerichtheid resulteert in strategisch leren: niet om te willen weten, maar om een bepaald cijfer te halen. Dan heb ik het niet over de zogeheten ‘zesjescultuur’. Of je nu gaat voor een dikke acht of een nipte zes, je leert voor het resultaat – niet voor de kennis die daarachter schuilt. Pragmatisch is het zeker, wanneer je een diploma wilt na een aantal jaar middelbare school. In termen van kennis is het een minder geslaagde methode.

Per vak is er een eindexamenprogramma, overzichtelijk opgedeeld in domeinen. Dit zijn lange lijsten met begrippen en processen die er geleerd moeten worden. We moeten zo veel kennen dat de rode draad soms kwijt is, maar we investeren er geen tijd in deze terug te vinden. Iets echt begrijpen duurt nu eenmaal langer dan ‘simpelweg weten’. En een tienerleven bestaat uit meer dan school: er zijn bijbaantjes, hobby’s en eisen van toekomstige studies. Een sociaal leven, als het even kan.

In de lessen zelf komt het grotere geheel ook niet vaak aan bod – we hebben het al druk genoeg met die lange lijst. Bovendien is het zelden van belang. Want we leren voor één vak, één toets met één onderwerp. We leren voor het cijfer. En dus doen we alsof scheikunde en biologie niets met elkaar te maken hebben. We negeren dat Sartre en Camus filosofen én Franse schrijvers zijn. We stampen gewoon die lange lijst in ons hoofd – een kwestie van weten en vergeten, terwijl juist begrip van zaken veel meer waard is. Want wanneer je iets goed begrijpt, kan je het toepassen op meerdere situaties, zal je het waarschijnlijk langer onthouden en kan je verbanden leggen tussen verschillende vakgebieden.

School gaat momenteel om slagen, terwijl juist leren centraal zou moeten staan. Dan heb ik het over dat grote geheel, maar ook over het eigen maken van vaardigheden. Daar is momenteel te weinig ruimte voor. Laat me één ding duidelijk maken: ik wil niet zeggen dat ik op school niets geleerd heb. Het tegenovergestelde juist. Ik heb er mijn wiskundige kennis vanaf nul opgebouwd. Het menselijk lichaam heeft me geboeid, mijn interesse voor filosofie is met een factor honderd toegenomen. Van elk vak heb ik wel iets opgestoken.

Maar net zo heb ik genoten van goede gesprekken die niets met de lesstof te maken hadden. Over veranderlijke zaken als actualiteit – niet te omschrijven in een curriculum, maar wel van groot belang. Hetzelfde geldt voor initiatief nemen, organiseren en discussiëren. Leren over jezelf, wie je bent en wat je belangrijk vindt in het leven. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden, maar niet toetsbaar. Die kennis heb ik ook op school opgedaan. Wat ik de afgelopen zes jaar echt geleerd heb – en de rest van mijn leven nog zal weten – valt niet in cijfers uit te drukken.

RECALCITRANT

Al vrij vroeg kwam ik in de puberteit terecht. Op mijn tiende voelde ik een knobbeltje bij mijn oksel, waarmee we voor de zekerheid langs de dokter gingen. Ik kwam thuis met het geruststellende feit dat het slechts een borstje in ontwikkeling was. Mijn familie zong het tietenlied. Ik was boos.

Toen ik twaalf was volgde ook de emotionele kant van het verhaal en begonnen er onzekerheden op te spelen. In dat opzicht was ik echt een puber. Maar voor de buitenwereld was ik nooit zo lastig, volgens mij. Op school en bij vriendinnetjes was ik altijd bezig met, ‘aangepast gedrag vertonen’: me gedragen zoals ik dacht dat mensen van me verwachtten. Thuis was het een ander verhaal – dan was ik zo klaar met me aanpassen, dat alle chagrijn eruit kwam. (Sorry familie.)

Tweede puberteit

Maar nu is er een ontwikkeling gaande waar de buitenwereld zeker iets van merkt. De laatste tijd gebeuren er – vooral op school – nogal wat dingen waar ik recalcitrant van word. Om een paar voorbeelden te noemen: testen die nergens op slaan. Docenten die je betuttelen alsof je twaalf bent, docenten waarmee überhaupt niet te communiceren valt. Zinloze opdrachten die enorm veel tijd kosten. Et cetera, et cetera.

Het lijkt wel alsof ik in een tweede puberteit beland ben. Voorheen huppelde ik als een blij ei door de gangen, en hing ik in de les de megagemotiveerde leerling uit. Maar dat is dus veranderd. Ik ben steeds vaker geërgerd of verontwaardigd, en kan het niet laten hier mijn mond over open te trekken in de klas.

Het grootste deel van mijn klasgenoten kijkt echter als makke schaapjes toe. Onderling wordt er geklaagd, maar in de les houden ze zich stil. Dat kan ik al moeilijk begrijpen. Maar wat ik vooral lastig vind, is de tegenstrijdigheid waarmee leerlingen soms behandeld worden. Enerzijds moeten we meer verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig worden. Anderzijds moeten we doen wat ons opgedragen wordt. En vooral niet te lastig zijn. Wanneer je als leerling meermaals vragen stelt over de gang van zaken, ben je dat natuurlijk wel.

‘Jezus, kind.’

Ik vind mezelf soms ook lastig, hoor. Dan vond ik het op één dag bij drie lessen nodig om mijn kont tegen de krib te gooien. Wanneer ik thuiskom vraag ik me af of het wel echt nodig was. En waar komt die behoefte eigenlijk vandaan? Heb ik een buitengewoon groot rechtvaardigheidsgevoel? Een probleem met autoriteit? Of ben ik gewoon een watje met veel zelfmedelijden?

In dat laatste herken ik mezelf niet; ik ben geen zeikerd. Ik hou niet van zeurende mensen. ‘Doe er iets aan!’ denk ik dan. Maar docenten hebben nu eenmaal het laatste woord, dus lukt dat niet altijd. En daar ligt het probleem, denk ik. Het frustreert me, dat gevoel van machteloosheid. En ja, dat klinkt natuurlijk super dramatisch. Ik hoor het je denken – sterker nog, ik denk het zelf ook: ‘Jezus, kind. Wees blij dat je überhaupt naar school kan.’ Maar zo kan je alles natuurlijk wegrelativeren. Dan is alleen het grootste probleem erg genoeg om aandacht aan te besteden.

(Niet) mijn probleem

En het zat al niet helemaal lekker met mijn motivatie. Voor bepaalde vakken kan ik steeds minder energie opbrengen, omdat ik vrijwel zeker weet dat ik er later niets mee ga doen. Maar daar zou ik nooit mijn docenten op aankijken. Ik moet daar zelf een keuze in maken: geef ik mezelf een schop onder mijn kont, of neem ik genoegen met lagere cijfers op mijn eindlijst? Dat is mijn probleem, en dat los ik ook zelf wel op.

Wat niet zuiver mijn probleem is, is de sfeer in de klas. Ik denk dat ik niet de enige ben die het gevoel heeft dat het ons soms onnodig moeilijk gemaakt wordt. Terwijl dit ons laatste jaar is, en docenten en leerlingen juist dan hetzelfde doel zouden moeten hebben: slagen. Dus lieve docenten, als ik jullie één ding mag vragen: maak niet overal een punt van. Dan zal ik dat ook niet meer doen.

LAAT MAAR

9R7A4382

De term ‘testweek’ is vervangen door ‘schoolexamenweek’, dit jaar. Dat betekent dat het inmiddels echt ergens om gaat. Enerzijds is dat angstaanjagend: als je nu op je bek gaat, is het minder gemakkelijk recht te trekken. Maar wanneer je er niet te veel bij nadenkt, is het verschil nauwelijks merkbaar. Zo’n week ziet er namelijk precies hetzelfde uit als dat de vijf jaar hiervoor het geval was. Of het nu een test heet of een schoolexamen, de situatie is hetzelfde: één te warm klaslokaal, dertig leerlingen en vijftien proefwerkblokken.

Wat met de jaren wel veranderd lijkt te zijn, is mijn organisatievermogen. Of eigenlijk het gebrek daaraan – het is immers steeds verder afgenomen. Meestal zie ik dit niet als een probleem; ik functioneer juist wel goed wanneer het (zoals ik het zelf graag noem) een prettige rotzooi is tijdens het studeren. Ik bouw mezelf in met boeken, examenbundels en vooral veel gelinieerd papier, om alles wat ik absoluut niet moet vergeten op te noteren.

9R7A4377

Wanneer ik thuis ga samenvatten lukt me het wel om dit systematisch te doen. Op school is dat een heel ander verhaal. Om te beginnen vergeet ik bij bepaalde vakken steevast mijn schrift. Frans is daar een goed voorbeeld van. Deze periode schreven we elke week thuis een brief (tenminste, dat was de bedoeling), waarna we in de les een foutenanalyse maakten. Bij gebrek aan een schrift schreef ik deze afwisselend op de achterkant van mijn brief, in het schrift van een ander vak of op een proefwerpapiertje dat zich toevallig in mijn tas bevond. Vervolgens stopte ik al die losse blaadjes in een mapje, tussen een boek of in mijn agenda, onder het mom van ‘dan raak ik het niet kwijt’. Om het vervolgens kwijt te raken, dat snap je.

En dus was ik vanavond omgeven door allerlei halfslachtige Franse aantekeningen, waarin ik structuur probeerde aan te brengen. Daar ben ik uiteindelijk langer mee bezig dan met het leren zelf. Op zo’n moment benijd ik de mensen die hun zaken altijd perfect op orde hebben: alles gelabeld, gealfabetiseerd en in regenboogkleurige mapjes. Mensen die elke les hun huiswerk hebben gemaakt, nagekeken en verbeterd met rode pen. Mensen die nooit hand-outs kwijtraken en altijd al drie weken van tevoren weten wat de teststof is, omdat zij wél de studieplanner hebben bekeken.

Tijdens de lesweken kan het me niet schelen. Ik heb toch zeker wel wat beters te doen. Maar naarmate de proefwerken naderen, krijg ik toch een beetje spijt van de momenten waarop ik dacht: ‘Laat maar.’

9R7A4387

Elke middelbare scholier heeft door de jaren heen, bewust of onbewust, een eigen leersysteem ontwikkeld. Dat bleek ook weer in de herfstvakantie, toen zowel Mart als ik aan het studeren waren voor de schoolexamens. Hij verbaasde zich erover dat ik nog voor geen enkel vak “alles” geleerd had. Ik verbaasde me erover dat hij zich een hele dag kon focussen op één onderwerp. Bij mij wordt elk vak verdeeld in blokjes. Anders wordt het te groot, te veel en kan ik het niet meer overzien. Dat resulteert erin dat ik helemaal niets meer doe. Voor het doen van één blokje kan ik veel makkelijker energie opbrengen. Soms zelfs zoveel energie dat ik er met gemak een tweede of derde aan vastplak.

Energie, dat is een belangrijk woord tijdens testweken. En dan bedoel ik niet alleen bij mijn favoriete bètavakken. Het hanteren van mijn eigen energieniveau in deze periode, dat heb ik echt moeten leren de afgelopen jaren. Want het vreet energie van me, al dat gestudeer. Ik heb het constant koud, en aan het eind van de dag bevindt er zich vaak een dichte mist in mijn hoofd, bestaand uit allerlei gedachten die door elkaar lopen. Stoppen of doorgaan, dat is de vraag op zulke momenten. Inmiddels heb ik een regel voor mezelf gesteld: wanneer ik stop met leren, mag ik er niet meer over piekeren. Anders had ik net zo goed door kunnen leren – dat kost evenveel energie.

Dus wanneer ik stop, ga ik iets totaal anders doen. Iets waar ik weer energie van krijg. Opwarmen onder de douche. Een tijdschrift lezen op de bank, een romantische komedie kijken waar niet al te veel hersenactiviteit bij nodig is. Of buiten foto’s maken van de bomen die zijn verkleurd terwijl ik aan het studeren was. Met de jaren is gebleken: voor mij werkt het soms juist goed om te laten.