Over de grens

OVER DE GRENS (VIII) | MISSEN

IMG_5067

Niemand had me verteld dat het missen het hevigst zou zijn terwijl ik gewoon nog hier was.

(Daar was. Inmiddels ben ik hier, zevenduizend kilometer verderop.)

Ik miste mijn broer tijdens het sjouwen met dozen – alles naar zolder, die gebruikt werd als opslag van ijshockeyspullen, of om een sporadische joint te roken. Nu stonden mijn spullen er opgestapeld, op onze vliering annex oven, verwarmd door de zomerzon die door het dakraam brandde. Mart maakte grapjes over mijn pannenkoekenplant.

‘Toet, wat heb je gedaan?’ vroeg hij, ergens tussen shock en de slappe lach. ‘Hoe kan de aarde nou droog zijn terwijl er water onder in de pot staat?’ Hij zou de zorg tijdelijk overnemen, maar ik vraag me af of ik de voogdij ooit nog terugkrijg.

(Het deert me ook niet zo – Peter is in goede handen.)

Ik miste mijn ouders tijdens de laatste middag thuis. Ik zou eigenlijk met spullen komen, maar besloot het te laten, geen zin in gesleep met koffers in en uit de trein. Dus kwam ik zomaar, voor de gezelligheid. Al kwam die niet per se van mij – ik zat op de bank en had geen idee wat ik met mezelf aan moest. Pap had vast dollars voor me gehaald. Mam kriebelde mijn rug, streek me over mijn wang. ‘Nu het nog kan.’

Niemand had me verteld over afscheid nemen. Misschien wordt dat vergeten – na maanden aan geweldige ervaringen niet meer het noemen waard.

Mijn afscheid ging gepaard met onbedwingbare tranen in de vertrekhal. ‘Vertrekken is als geblinddoekt een achtbaan in gaan,’ aldus Mienke. Ik schrok ervan; dat ik nauwelijks kon lachen door die tranen heen had ik niet verwacht. Maar de laatste weken vertelden me enkel wat ik achter zou laten: vrienden die je om zeven uur ’s ochtends op het vliegveld komen uitzwaaien, familie aan wie je niets echt uit hoeft te leggen omdat veel voor zich spreekt.  Wat ervoor in de plaats zou komen, daar had ik geen idee van.

En zo vormde mijn afscheid een paradox, van willen blijven en vertrekken tegelijk, zodat het missen maar voorbij zou zijn. Op naar wat ik terug zou krijgen.

Het kostte me grote moeite om weg te lopen. Trap op, rij in. Nog even zwaaien. Uit het zicht verdwijnen. Alleen zijn, met rode ogen thee halen. Buikpijn. Opstijgen, weer tranen. Aardige man naast me. Gaat het? Ja, het gaat. Een film kijken, afleiding. M’n telefoon erbij pakken om wat gedachten weg te typen.

‘You know there is wifi on the plane, right?’

En het missen was voorbij.

OVER DE GRENS (VII) | INPAKKEN EN WEGWEZEN

De drukte komt in golven ons appartement binnen. Momenteel is het eb – iedereen slaapt. Gewekt door de Portugese hitte sluip ik door de woonkamer, pogend niet te struikelen over de sporen van gisteravond. Ik neem plaats tussen de chipkruimels op de bank, een koude laptop op mijn blote bovenbenen. Enkel het geluid van mijn toetsen doorbreekt de stilte terwijl ik mijn rooster in elkaar pas. Zo krijgt mijn halfjaar rap vorm, verdwijnen de lege pagina’s uit mijn agenda. ‘Feminism and Film’ van professor Navarro, Modern Art in Cohen Hall. Dinsdag en vrijdag uitslapen – ook fijn om te weten.

Tijdens mijn vakantie heb ik welgeteld twee dingen voor mijn uitwisseling gedaan. Zo draaide ik dus mijn planning in elkaar en daarnaast maakte ik een online module over sexual assault.

(“Anjali and Sonia have been friends for a long time, but recently, their relationship became physical. One night, after they start kissing, Anjali pulls back and says ‘Wait a second – I’m not sure…” Sonia is confused. What should she do?

A) Sonia should try rubbing Anjali’s shoulders – she is probably just stressed out due to upcoming midterms

B) Sonia should stop kissing Anjali

C) Sonia knows Anjali really well – she would know if Anjali would really want to stop, so it’s nothing to take serious”)

Afgezien hiervan heb ik heel hard geprobeerd niet aan mijn naderende vertrek te denken. Met wisselend succes – op het strand heb je nu eenmaal veel tijd om te piekeren. Zo vormde zich een lange lijst met taken voor deze laatste week in Nederland. Daarbij is weer eens bevestigd hoe sterk mijn behoefte is Altijd Alles Te Weten. Mijn dagen zijn gevuld met vragen. Wat als ik toch niet genoeg heb aan twee paar sandalen? Wat als mijn kamergenoot raar is? En waarom heb ik daar nog niets van gehoord? Wat als ik toch één cruciaal formulier over het hoofd heb gezien in de stroom van verzoeken? Hoe en waarom heb ik ooit zoveel spullen verzameld en hoeveel verhuisdozen heb ik ervoor nodig? Hoe groot is mijn kamer daar eigenlijk? Wat als de de douane raar gaat doen, wat als er weer te veel wolken boven de landingsbaan hangen? Ga ik ooit leren dingen los te laten? Kan ik mijn eigen thee meenemen, of is dat te belachelijk? Word ik daar een jurkjes- of een broekenpersoon?

Gaat het me lukken alle mogelijke scenario’s in twee koffers te proppen, en zo ja, zouden ze dan niet te zwaar zijn?

Nog een paar dagen! Er komt nog wel een laatste verhaal denk ik, voor ik daar ben, over afscheid, tranen, dat soort zaken. Bekijk de rest van de serie over mijn vertrek naar Nashville hier.

7FC816ED-DC47-4A45-B101-3D67BFBC7462.JPG

OVER DE GRENS (VI) | IK BEN ER NIET

‘LOU’, appte een vriendin me laatst. Je naam in hoofdletters, dan weet je dat het menens is. ‘9 oktober, zet in je agenda: John Mayer.’ In mijn hoofd kocht ik direct een kaartje, tot ik me iets realiseerde.

‘Ik hoop dat dit concert in de VS plaatsvindt,’ stuurde ik haar.

‘Nooo! Ik was dit dus even vergeten.’

‘Geeft niet.’

Het zit ook nog niet in mijn systeem. Ik ga echt weg – dat is niet zomaar iets wat ik zeg, omdat het tof klinkt. De afgelopen weken heb ik me zo gefocust op waar ik heen ga; het besef dat het leven hier gewoon door zal gaan, schiet er soms bij in. Maar langzaam ontstaan er plannen voor het najaar. Weekendjes weg, 21-diners, concerten, exposities.

‘Merci voor de uitnodiging! Ik ben er alleen niet.’

Ik spreek die zin uit met gemengde gevoelens. Enerzijds hoor ik bij de generatie die Altijd Overal Bij Wil Zijn. Anderzijds schijnt dat juist zo fijn aan een periode in het buitenland: je hoeft er vrijwel niets.

Soms heb je toch van die dagen, dat je liefst de dekens over je kop zou trekken om even niet te bestaan? Onvermijdbaar komt er een vraag (of tien): ‘Kan jij misschien…’ ‘Donder op,’ wil je roepen, ‘niet vandaag.’ Dat kan ik straks een half jaar lang zeggen!

(Ik zal mijn best doen het iets aardiger te formuleren.)

Wel of niet naar dat festival? Wie gaat kaartjes regelen? ‘Even’ kijken naar document dit of dat? Wasmachine kapot? Cadeau voor die en die, ideeën over dit en dat? Challas – zie het maar. Zonder mij, in ieder geval. En dat kan ook prima. Tenslotte, ben je ooit écht onmisbaar? Het lijkt me best gezond daaraan te twijfelen.

(Eigenlijk wel raar dat ik moet migreren voor het me lukt ergens ‘nee’ tegen te zeggen, maar goed, daar kunnen we het later over hebben.)

Ook bij andere mensen daalt het besef in. ‘Je komt toch wel weer terug?’ vroeg mijn moeder laatst. Ik moest in eerste instantie lachen, maar voor haar was het een serieuze vraag. ‘Ja,’ antwoordde ik, naar mijn beste weten. ‘Natuurlijk.’

‘Want wat als je daar nou iemand ontmoet?’ hoor ik regelmatig. Op zich een romantisch idee: ver van huis, maar wel met een tall handsome stranger. Echter is er de afgelopen paar jaar niemand geweest van wie ik écht hotel de botel was. Misschien dat een of andere Amerikaan dat wel in me losmaakt, maar ik vraag het me af.

Mijn voorgangers vertellen me dat bij terugkomst alles nog hetzelfde zal zijn. Misschien ben ik veranderd. Misschien moet ik wennen – aan het tempo van het leven, aan wat hier normaal is. Maar al snel zal ik weer meehuppelen met de alledaagse realiteit – met of zonder langeafstandsrelatie.

OVER DE GRENS (V) | STRIKVRAGEN

De afgelopen weken heb ik jullie meegenomen in de voorbereidingen voor mijn uitwisseling. Deze verhalen ontstaan door bepaalde zaken uit te lichten, hier en daar een inkijkje in mijn hoofd te bieden en vooral de oninteressante gedeeltes weg te laten. Vanuit een meer realistisch perspectief had deze reeks namelijk ook anders kunnen heten – niet ‘Over de grens’, maar ‘Milou vult een shitload aan formulieren in’. Die serie zou zeker vijftig delen beslaan, maar ik betwijfel of hij goed zou worden gelezen. Printen, invullen, tekenen, scannen, mailen. Herhalen. Het betreft saaie gegevens: of ik schriftelijk wil bevestigen dat ik echt ga komen en echt de huur kan betalen. Of ik wel zeker weet dat ik ooit de waterpokken heb gehad, en of ik dan wel even bloed wil gaan prikken om dat te bewijzen.

Deze week vulde ik echter een vragenlijst in over meer fundamentele zaken. Het doel ervan was mij te koppelen aan een student waarmee ik een aantal maanden een kamer ga delen – mijn roommate. Op het eerste oog leek het triviaal van aard, maar na enig peinzen onthulden zich steeds meer lagen.

12. Is having a neat and organized space important to you?

Daar kan ik kort over zijn: ja, ik heb graag een nette omgeving. Van troep word ik onrustig, vooral als het niet van mij is. Je zou denken dat er niet meer achter zo’n vraag schuilt, maar schijn bedriegt. Wat ze waarschijnlijk bedoelen is: ‘Ben je een chaoot? Zo ja, dan zetten we je met een andere sloddervos samen, zodat niemand last van jullie heeft.’ Maar dat is niet wat er staat. Er staat: heb je graag een nette kamer? Op die vraag kan in principe iedereen ‘ja’ antwoorden. Dat zegt alleen niets over of je ook daadwerkelijk in staat bent je leven op orde te houden.

Daarbij twijfelde ik over de consequenties van mijn antwoorden. Misschien zetten ze chaoten en neat freaks juist samen, zodat ze elkaar tot een beter mens kunnen maken. Was dit een strikvraag? Het zou me niets verbazen, gezien het statement op de site: ‘We believe strongly in the value of a diverse community. Therefore we select roommates who will enhance eachother’s worldview by embracing new experiences and exposing themselves to a myriad of cultures and viewpoints.’

Lees: accepteer maar dat sommige mensen er nou eenmaal een teringzooi van maken.

Zo waren er wel meer vragen die behoorlijk diplomatiek in de verwoording waren.

23. What’s your preference regarding overnight guests?

Lees: vind je het erg als je roommate seks heeft terwijl jij op een meter afstand in dezelfde kamer probeert te slapen, of zit je daar niet zo mee?

47. Can you sleep with reasonable background noise/light?

Lees: ben je degene die steeds passief-agressief gaat liggen zuchten, of degene die zelf lawaai maakt?

Andere vragen waren dan weer behoorlijk sturend van aard, omdat er maar een paar keuzeopties waren.

68. How do you plan to utilize your room?

Ik dacht aan een kleine wietplantage, met daarnaast ruimte voor een popcornmachine en een massagestoel, maar helaas. ‘Studying, relaxing or socializing’, een van de drie moest het zijn. Wie weet zou het er alledrie wel van komen, maar er moest gekozen worden.

Er ontstond nog wat twijfel van existentiële aard.

81. How would you describe yourself?

Gelukkig was ook dit een meerkeuzevraag.

OVER DE GRENS (IV) | KOMT EEN MILLENIAL BIJ HET POSTKANTOOR

Een uitwisseling betekent een hoop geregel. Dat zal elke ervaringsdeskundige vast weten, maar bij mij is toch het vermoeden ontstaan dat Amerika een eervolle vermelding verdient op het gebied van bureaucratie. Met mijn felicitatiemail kwam een deadline mee, die ‘toch al wel snel naderde, dus of ik een beetje haast kon maken,’ aldus mevrouw X van Universiteit Utrecht. Binnen een paar dagen moesten er formulieren verzameld, ingevuld en ondertekend worden, en dan als de wiedeweerga op de post naar Nashville. Vanderbilt ging vervolgens bepalen of het hele feest inderdaad door zou gaan. Omdat ik het verder helemaal niet druk had – deadlines, tentamens, werk, ben je mal – liet ik alles uit mijn handen vallen en ging ik op pad. Ik schreef nog een motivatie en beantwoordde vragen over mijn ras en strafblad.

‘Are you Hispanic/Latino? Yes or no. What is your race? Check one: American Indian/Alaska Native, Asian, Black/African American, Native Hawaiian/Oth Pacific Island, White, Two or more races.’

‘Have you ever been suspended or expelled from a school?’

‘Have you ever been adjudicated guilty or convicted of a misdemeanor, felony or other crime?’

En zo ja, of ik dan een kort essay wilde schrijven over wat er precies gebeurd was en wat ik ervan geleerd had. Dus dat deed ik maar.

Dan nog een cijferlijst en mijn voorkeursvakken. In een avond haastte ik me door de honderden keuzes. ‘Master, Murder and Mayhem in Black Detective Fiction’. ‘Crafting Pottery in the Ancient World’. ‘Classroom Ecology’. ‘Introduction to Facial Plastic and Reconstructive Surgery’. ‘Tuba’. ‘Sport Economics.’ ‘Roman Law’. ‘The Art of Blogging’. ‘Introduction to Visualization’.

(Ik heb een hiervan daadwerkelijk gekozen, mogen jullie raden.)

Alle paperassen moesten worden voorzien van een stempel en een kus van mevrouw X, waarna ze er een gebed over uit zou spreken. Dit kon elke donderdagmiddag van kwart voor tot kwart over een (behalve toen ik voor de deur stond, want toen was ze net een weekje met vakantie).

Desondanks lukte het om alles op tijd te posten. ‘Ik moet hier eigenlijk kopietjes van maken,’ bedacht ik me, net nadat ik de envelop had dichtgeplakt. Ik had er maar één, door mijn ouders meegebracht toen ze in Utrecht kwamen eten, en die wilde ik niet openscheuren. A4-enveloppen liggen in ons studentenhuis nu eenmaal niet voor het oprapen en de deadline naderde. ‘Laat maar,’ dacht ik, ‘het zal wel loslopen.’

Hah.

Drie tot zes werkdagen zou het duren, verzekerde het meisje in het PostNL-hoekje van de supermarkt mij. Met spoed versturen leek haar zeker niet nodig, de zestig euro niet waard. Ik had ten slotte drie extra dagen speling, dan zou het nog steeds op tijd komen. Ik betaalde een tientje voor een aangetekende brief, stak de Track & Trace-code in mijn rugzak en liet het erbij. Terwijl ik wegliep sprak ik mezelf streng toe. ‘Kom op, Milou, dat jij nou een doemdenkende millennial bent die nooit echte post verstuurt is één ding, maar dat betekent niet dat het hele systeem disfunctioneel is. Dit werkt al honderden jaren.’

Hah.

Twee weken later. De deadline is verstreken en mijn brief is nog niet waar hij moet zijn. Wel ken ik de vijftiencijferige Track & Trace-code uit mijn hoofd en heb ik een vriendschappelijke band opgebouwd met de contactpersoon van Vanderbilt – ik mag Suzy zeggen. Ze heeft met engelengeduld al mijn paniekmailtjes beantwoord, meestal direct aan het begin van de Amerikaanse werkdag. Van haar heb ik een week extra tijd gekregen. Opnieuw op handtekeningenjacht (toch kopietjes moeten maken!), om de hele handel vervolgens in te scannen. Maar, vertelt Suzy, de fysieke papieren zijn nog steeds nodig. De brief moet terecht.

De rest van het leven gaat ook door, dus dit geregel moet tussendoor – in de bus, tijdens het eten of nu, in de pauze van mijn werkcollege. Ik volg een vak over coaching, het onderwerp van vandaag is ‘weerstand’. Ik plof op een harde, paarse bank in de gang en neem mijn telefoon ter hand. 

PostNL kan niets voor me doen. De brief is al in de Verenigde Staten, het zijn niet hun zaken meer. Ik moet mijn code bij de United States Postal Service invoeren, misschien kunnen zij me meer vertellen. En jawel: de brief is in Nashville, bij een postkantoor. Er is al een afleverpoging gedaan, maar toen was er niemand om ‘m aan te nemen. Redelivery is niet mogelijk. Of ik de brief dus zelf even wil komen ophalen.

Dit lijkt mij in strijd met het idee achter een postbedrijf. Ik stuur iets op, zij gaan het brengen. Toch?

Ik bel USPS en krijg een computer aan de lijn. ‘Could you please spell your first name? For instance, Jack: J – A – C – K.’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘Did you say: Emily?’

‘No.’

‘Could you please spell your first name again?’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘I’m sorry, I can’t help you with that. Is there anything else I can assist you with?’

‘Ik wil godverdomme gewoon een echt persoon aan de lijn! Please.’

‘I’m sorry, It seems like I’m not able to assist you today. Thank you for your call.’

Ik bel met het postkantoor. ‘Welcome to the Nasvhille Post Office. Please hold untill assistance is available.

Beeeeeeeep. Beeeeeeep. Beeeeeep. Beep – beep – beep.’

Geen gehoor.

Ik mail Suzy nog maar eens met een update. ‘I am very sorry. It feels like I have done everything that I could, but it’s just not working out.’

(Suzy vindt me vast een drama queen, maar het zij zo.)

Het is zes uur en ik weet het niet meer. Het college is klaar, ik fiets meteen door naar de bioscoop. Popcorn als avondeten, wat zou het ook. De film biedt enige afleiding, maar op het einde is mijn lip kapotgebeten. Pas wanneer de aftiteling begint, sta ik mezelf toe mijn telefoon te bekijken. Suzy. ‘Your package just arrived at my office this afternoon! It’s all good.’

Ik loop naar buiten. Het is al donker, maar de zon schijnt.

Suzy, bedankt. Er komt vast weer een volgend verhaal in deze reeks, maar ik weet nog niet waarover of wanneer. I’ll keep you posted! Letterlijk, mocht je dat willen – je kan je met de knop rechts inschrijven voor een mailtje bij een nieuwe post, of je kan mijn Facebookpagina liken om op de hoogte te blijven. 

OVER DE GRENS (III) | WAARHEEN

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen. 

OVER DE GRENS (II) | HOE VER JE WILT GAAN

Met slechts een veeg van mijn wijsvinger rolde de wereld op alfabetische volgorde over mijn scherm voorbij. Australië, België – Zweden, Zwitserland. Ikzelf bevond me op een vertrouwde plek, aan de keukentafel van mijn ouders. Het was een grijze zondagmiddag, die ik normaliter was vergeten, ware het niet dat ik bezig was plannen te smeden: op zoek naar de stad waar ik een half jaar zou gaan studeren, gaan leven.

Ik zou jullie hier graag een prachtig verhaal willen vertellen over hoe deze keuze tot stand kwam. Dat ik al sinds m’n elfde gefascineerd was door dit en dat deel van zus en zulk land. Maar mijn keuzeproces was nu eenmaal niet zo romantisch. Het begon ook vrij negatief: ik besloot eerst te bepalen waar ik sowieso niet heen wilde. Hierbij was elke reden een juiste voor mij, hoe futiel die ook mocht zijn. Te ver, te koud, te onbekend, het waren allemaal geldige argumenten. Ergens knaagde dat wel: moest ik mezelf niet uitdagen door, ik noem maar wat, de universiteit van Guadalajara ook in overweging te nemen? Maar dan bedacht ik me weer hoe spannend ik het überhaupt vond om een halfjaar weg te gaan. Wat de bestemming betreft gunde ik mezelf iets comfortabels.

(Maar ik ging niet naar België – er zijn grenzen, hoor, dan kon ik net zo goed niet gaan.)

Per bestemming waren er verslagen beschikbaar van studenten die daar gezeten hadden. Ik heb er denk ik wel honderd gelezen en kwam tot een wensenlijstje. Zo ging ik het ook maar zien: als ik zou vertrekken, dan wel op mijn manier. Een ding wat ik al snel ontdekte, was dat voor een hoop studenten een uitwisseling gelijkstaat aan een halfjaar feesten. Velen hebben hun bachelor al gehaald en plakken daar nog een exchange aan vast, waarin het aantal behaalde studiepunten niet echt meer uitmaakt. Ook is het niveau van onderwijs in Nederland vrij hoog, en daarmee vergeleken, het niveau elders over het algemeen laag. Er is dus ook daadwerkelijk veel tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Ik vermoedde dat me dit na een maand wel tegen zou gaan staan – ik wilde naar een plek waar ik iets nieuws kon leren. Verder wilde ik de taal al spreken, liefst mijn Engels verbeteren in een land met veel native speakers. Ten slotte, geen gezeik om een kamer te regelen – je kunt nu eenmaal niet van tevoren even gaan kijken.

En misschien wist ik het sowieso al wel – waren deze eisen slechts een omweg, waarmee ik hoe dan ook bij mijn voorkeursbestemming zou eindigen. Met familie was ik een paar keer in de Verenigde Staten geweest. In 2017 had ik Colette bezocht, die een jaar de college life leefde in Virginia. Over de jaren was het gevoel ontstaan waar ik die zondagmiddag pas na een paar uur scrollen naar begon te luisteren: daar zou ik wel een paar maanden willen zijn.

Er was veel meer mogelijk dan ik dacht. Onder de noemer ‘Amerika’ stonden een aantal grote namen: universiteiten waarvan ik twijfelde of ik ervoor zou worden uitgekozen.   Top-20-scholen met één of twee plaatsen voor alle gegadigden uit Utrecht. Wat was dan de kans dat ik de gelukkige werd? Op dit moment moest ik mezelf weer terecht wijzen: ik wist het niet. De selectieprocedure was niet transparant, ik wist niets van mijn kans, dus moest ik me er ook niet door laten leiden.

En zo had ik uiteindelijk een shortlist vol prestigieuze universiteiten. Vervolgens deed ik wat ik altijd doe als ik voor een ingrijpende keuze sta: een excelsheet maken, met daarin alle opties en details. Van cijfereisen tot housing, van de sfeer in de stad tot het weer – om dit vervolgens allemaal te negeren en op mijn gevoel een keuze te maken. Wie hield ik voor de gek, het meisje dat altijd haar onderbuik aan het woord laat. De top drie was gemaakt.

Ik vertelde het aan iedereen. Even voor de duidelijkheid: ik wist nog steeds niet zeker of ik überhaupt op uitwisseling wilde gaan. Toch leek het me goed als zoveel mogelijk mensen van mijn plannen zouden weten – mocht ik nog terugkrabbelen, moest dat wel met een goede reden. Over mijn motivatiebrief deed ik een aantal dagen. De eerste opzet stond snel, maar wanneer ik mijn woorden teruglas, hoorde ik iemand anders praten. Het Engels was de oorzaak. Nog nooit eerder had ik ervaren hoe moeilijk het is om jezelf te zijn in een taal die niet als vanzelfsprekend komt. Maar de deadline naderde. Ik leverde mijn brief in en besloot tevreden te zijn. Nu was het aan iemand anders – uit mijn handen.

Binnenkort zal ik onthullen waar ik heen ga! Het is op dit moment nog niet honderd procent officieel, namelijk. Ik ben ‘conditionally approved’, zoals dat heet. Het is een bureaucratisch proces, zo’n uitwisseling. Daarover vertel ik nog wel een keer (officiële stempels, internationale pakketjes, vragen over eventuele strafbladen, dat soort zaken). Vast een tipje van de sluier: ik mag naar de plek waar ik het liefst heen wilde. 

OVER DE GRENS (I) | MITSEN EN MAREN

Binnen mijn studie is er de verplichting om ofwel stage te lopen, ofwel studiepunten te halen in het buitenland. Het eerste jaar gunde ik het mezelf die keuze voor me uit te schuiven, niet alvast naar een voorlichting te gaan zoals genoeg studiegenoten wel deden. Ik had het al druk genoeg met wegwijs worden op BlackBoard, uitzoeken hoe je een tweet moet vermelden in je literatuurlijst en de vraag hoe ik mijn ov-kaart kon koppelen aan het kopieerapparaat. Er was geen ruimte voor grote keuzes met bijbehorende overwegingen – zo hield ik mezelf voor.

Ik heb er namelijk wel een handje van om te stellen dat ik ergens niet over kán nadenken, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Volgens dat patroon vertoonde ik ook dit studiejaar keuzevermijdend gedrag, tot ik uiteindelijk ergens in oktober in de zaal belandde waar ik twee jaar eerder mijn studiekeuze had gemaakt. De tl-verlichting zoemde boven de hoofden van een bonte verzameling studenten, van kunstmatige intelligentie tot Keltisch, terwijl buiten de herfst haar intrede deed. Ongeveer een uur luisterde ik naar hoe mega-fantastisch-gaaf het wel niet was om een half jaar te spenderen in Roskilde, Timisoara of Nanjing. Dat was geen nieuwe boodschap, aangezien iederéén die terugkomt uit Lima, Lodz of Leuven je dat vertelt. Ik geloofde het alleen nog niet zo.

Met een onbestemd gevoel verliet ik de zaal. Het werd veroorzaakt door een redenatie die ik niet langer kon negeren. Als ik ik niet naar het buitenland had gewild, was ik nu al lang bezig geweest met het bekijken van stages. Dat was niet het geval en dus was er maar één mogelijke conclusie: ik wilde wel, maar ik durfde niet.

Ambitie en pessimisme gaan niet per se goed samen. Ik zou mezelf heus niet omschrijven als een negatief persoon, maar ik heb nu eenmaal geen aangeboren vertrouwen op de goede afloop. Tel daarbij op dat ik over veel dingen duizend keer nadenk, en je zal begrijpen dat ik nieuwe wegen veelal voorzichtig insla. Vroeger wilde ik liever niet eens beginnen, wanneer er een kans was dat iets fout zou gaan. Dat heb ik wel achter me gelaten. Gelukkig maar – anders had ik nu geen rijbewijs, geen leuke huisgenoten en had ik me nog steeds afgevraagd of ik niet toch naar de kunstacademie had moeten gaan. Nu kan ik die laatste vraag met een empirisch verkregen ‘nee’ beantwoorden, en daar ben ik erg blij mee.

Ook bij dit besluit moest ik mijn blik niet laten vertroebelen door mitsen en maren. Hoe ging ik een fijn huis vinden op mijn bestemming? Wat als ik niet mee zou komen op het niveau daar? Wat als het juist heel makkelijk was en ik me een half jaar suf zou vervelen? Wat als ik me alleen, overweldigd, verdrietig zou voelen?

Wat als ik terug zou willen.

Stuk voor stuk voor stuk vragen waar ik vanuit Nederland geen antwoord op ging vinden. En dus plande ik na mijn tentamens een dag waarop al die gedachten niet mochten bestaan. Met lichte zenuwen opende ik de digitale lijst met alle 560 uitwisselingsbestemmingen, om uit te zoeken waar een zorgeloze versie van mij het liefst heen zou gaan.

Een nieuwe serie! Waar mijn vrienden, collega’s en studiegenoten zich fluitend over de hele wereld lijken te verspreiden, was dat voor mij nog wel even een dingetje. Maar naar alle waarschijnlijkheid ga ook ik Nederland voor een paar maanden verlaten. Ik wilde graag schrijven over de weg ernaartoe, al was het maar omdat het voor mezelf verhelderend werkt. Volgende week meer over het keuzeproces, excel-sheets en motivatiebrieven.