Het leven

HET HOUDT ONS BEZIG

Het was warm op de universiteit. Hoewel de temperaturen buiten gedaald waren na een haast tropisch Hemelvaartsweekend, hadden we binnen nog met een muffe nasleep te maken. Vanaf mijn plek middenin de collegezaal had ik goed zicht op de deur. Studenten kwamen stuk voor stuk redelijk hoopvol binnen, om vervolgens een zucht te slaken bij het besef dat er geen ramen open konden.

Het college ging over de dood – dat leek de docent wel toepasselijk, zo in de laatste week van het blok. De mens is een hoog-intelligent wezen, wat betekent dat we niet alleen een bewustzijn hebben, maar ook dát weten. Dit meta-bewustzijn zorgt voor een besef van heden, verleden en toekomst, en vertelt ons zo dat de dood elke dag dichterbij komt. En wat heeft het bestaan dan nog voor zin, als het toch eindig is?

‘Wat is de zin van het leven?’ vroeg de docent aan een willekeurige jongen in de zaal. Die leek enigszins overrompeld. ‘Dat weet ik niet,’ stamelde hij. ‘Precies! riep de docent uit. ‘Denk daar maar eens over na. Ik zie jullie op het tentamen.’

(Nee hoor, zo is het niet gegaan.)

De rest van zijn verhaal ging over de mens die dan maar zin probeert te maken. Immers zijn wij ook de enige creatieve wezens op aarde. We kunnen nadenken over dingen die er nog niet zijn, om ze vervolgens toe te voegen aan onze realiteit. Gewoon, omdat het ons wel wat lijkt. Cultuur biedt zo een antwoord op een leeg bestaan. Ga maar na, zo luidde een artikel dat ik van tevoren moest lezen: wat weet je van dit moment? Hoe laat is het? Welke dag, welk jaar? Waar ben je? Wie ben je? Wat doe je? Ik zal je mijn antwoorden geven. Het is 11.51 uur, dinsdagochtend, 2019. Ik ben in Utrecht, de Nachtegaalstraat om precies te zijn. Ik zit in de Coffeecompany aan een tafel bij het raam. Ik ben Milou. Ik schrijf, iets wat ik meestal op woensdag doe, maar voor mijn planning kwam het vandaag beter uit. Ondertussen wacht ik op mijn ‘ginger orange lemonade’ – ja, echt waar – die wordt gemaakt door een meisje dat voor het eerst werkt vandaag. Ze overlegt steedzachtjes met haar collega.

‘Want wat is dan het verschil tussen dit en Spa Rood?’ vraagt ze terwijl ze spuitwater in een glas doet.

‘Niks,’ antwoordt de collega vanachter zijn baard. ‘Of ja, dit is goedkoper.’

Ik kijk uit op de straat, waar collectief besloten lijkt dat de zomer is begonnen en jassen dus overbodig zijn. Op de stoep tegenover me stapt een man op zijn fiets, met onder zijn arm een gigantische doos, waar óók een fiets in zit. Ik peins over hoe ver hij zal komen. Ik denk aan de wifi-code, of ik die nog kan vragen nu m’n glas al leeg is, of dat ik dan nog iets moet bestellen, terwijl ik eigenlijk geen dorst meer heb. Ik denk aan mijn beddengoed dat ik in de droger had willen doen. Vergeten.

Aan de hand van deze situatie kan je je afvragen hoe ik erbij zou zitten zonder cultuur – als alles wat ooit bedacht is, er niet meer zou zijn. In die wereld ben ik een naamloos wezen, zonder notitieboek en zonder limonade. Immers, de natuur kent geen spuitwater, laat staan hipstercafé’s. Geen ramen, geen fietspaden, geen bloembakken in de niet-bestaande lantaarnpalen. Het weer is er wel. Nog steeds 24 graden en onweer vanavond, al zou ik dat laatste nu nog niet weten.

Wat een saai leven. Wat zou ik de hele dag doen? Niet naar de bioscoop, niet naar college, geen boeken om te lezen – alleen bestaan, in leven blijven en hopen dat je nog niet doodgaat. Toegegeven, je hebt geen kleding, geen was en dus geen droger nodig, die je dan nooit vergeet aan te zetten. Geen twijfels of suiker uit fruit nou ook slecht is, of misschien een beetje, maar toch nog altijd beter dan een zak Maltesers? Geef je een knuffel, een kus, of drie, of twee? Hoe lang is een condoom houdbaar en wat betekent ‘elektronisch getest’, zoals op het doosje staat? Wat zullen we vanavond nou weer eten? Is dat een kras op mijn telefoon of een wegpoetsbare streep? Geen scheuren in je fietszadel, waar dan water in gaat zitten, zodat je altijd met een natte plek op je billen loopt, waarvan je hoopt dat mensen hem niet zien, of in ieder geval snappen waar die vandaan komt, omdat zij hetzelfde ervaren. Geen zorgen over ethische kwesties, sociale conventies, want die bestaan niet. Van het klimaatprobleem is geen sprake. Burn-outs zijn non-existent, evenals relaties en bijbehorend liefdesverdriet. Je hebt geen sleutels die je kwijt kan raken, omdat er nergens deuren zijn om open te maken.

We hebben het er maar druk mee: problemen oplossen die we zelf veroorzaken. Wat zal ik zeggen – het houdt ons bezig.

De inspiratie voor dit verhaal komt uit een hoofdstuk van het boek ‘In The Wake of 9/11’ van Tom Pyszczynski. Zoals de titel doet vermoeden, gaat zijn betoog heel ergens anders heen – ik heb alleen hoofdstuk twee gelezen. Erg scherp en ook grappig geschreven (‘members of Homo sapiens do not at first glance appear to be a very formidable form of life or, for that matter, even a viable one’). Dan heb ik de credits maar gegeven!