Fietsen

DE WEG

Processed with VSCOcam with p5 preset

Als middelbare scholier leid je een regelmatig leven. Na de zomervakantie krijg je een rooster dat, zeker in de bovenbouw, voor de rest van het jaar hetzelfde blijft. Vanaf dat moment zit je vast aan bepaalde clusters, klassen en uren. En zo verandert maandag als vanzelf in bètadag, woensdag in ‘die lange rotdag’ en donderdag in pretdag, met een kans op uitslapen en maar drie uurtjes les.

Door dat vaste rooster verloopt elke ochtend volgens eenzelfde routine. Hierdoor weet je na een week of twee weer dat je uiterlijk om 08.42 van huis moet vertrekken als je het tweede uur moet beginnen. Behalve als je 1.)  les hebt van die ene docent die zelf altijd te laat komt 2.) het gevoel hebt dat de brug dicht zal gaan of 3.) Colette heet, want dan heb je altijd vijf extra minuten.

In de eerste klas (toen we nog het idee hadden dat we uiterlijk om 08.20 van huis moesten vertrekken) fietsten we dagelijks met een grote groep enthousiaste bruggers naar school. Dat was niet bepaald praktisch (wanneer er één te laat was, stonden er negentien te wachten), maar zo ging het nu eenmaal. Het was een gemengde club: kinderen van allerlei basisscholen, die nu in allerlei klassen terecht waren gekomen. Met z’n allen fietsten we de lange weg richting Eindhoven, de boekentassen gevaarlijk wiebelend op onze bagagedragers.

Alle middelbare scholieren gingen dezelfde kant op, het dorp uit, wat het ons-kent-ons-gevoel onderweg alleen maar versterkte. Je fietste langs de zussen van vrienden, de vrienden van broers, de zoons van de buurvrouw en de kinderen die je kende van allerhande sportclubs.

Iedereen had te maken met dat vaste schema. En zo kwam het dat je op maandag steevast werd ingehaald door een jongen die zelfs in de winter geen jas droeg. Op donderdag zwaaide je naar een vriendin van de basisschool, die op een hoekje stond te wachten. En wanneer je zag dat het meisje met die enorme rugzak voor je fietste, wist je dat je wat harder moest gaan trappen – zij kwam namelijk altijd te laat. Alleen fietsen was er niet bij – mocht het eens voorkomen dat je klasgenoten al op school waren, dan kwam je onderweg altijd wel iemand tegen die je kende.

Processed with VSCOcam with hb2 preset

Nu, vijf jaar later, zijn de schoudertassen vervangen voor leren shoppers. Er is geen sprake meer van een fietsclub van twintig mensen. Nog steeds stroomt de Eindhovense weg vanaf half acht vol met scholieren. Echter, het deel ervan dat ik ken is met de jaren kleiner geworden. De mavo’ers en havo’ers zijn weg en ook de oudere broers en zussen hebben hun eindexamens achter de rug. Zij kozen allemaal al een nieuwe route.

Er zijn nog wel wat bekende gezichten. De jongens die een keer zijn blijven zitten. Het stelletje dat steevast hand in hand rijdt. Het meisje dat zo ongelooflijk hard fietst dat ik me afvraag of ze niet iets met dat talent moet gaan doen. En dan zijn wij er.

Maar ‘wij’, zo vroeg ik me af, wie zijn dat eigenlijk nog? Vorig jaar fietste ik even vaak alleen als in gezelschap naar school. Kleine groepjes splitsten zich af, afhankelijk van roosters of de wens om op een ander tijdstip te vertrekken. (Om niet te zeggen: een steeds later tijdstip.) Maar op de terugweg waren we nog altijd samen: de meisjes uit Son. We bespraken weekendplannen, wiskundeproefwerken en de orde van alledag. Af en toe was het stil, doken we weg in onze capuchons vanwege regen of sneeuw.

Begin dit jaar verruilde ik mijn fiets voor een scooter. Elke dag rijd ik langs de jongens van de havo, het verliefde stelletje en het racemeisje. Soms haal ik mijn vriendinnen in, soms gaat één van hen bij me achterop. Ook wij gaan binnenkort onze eigen weg kiezen. Maar voor nu nemen we nog even die naar Eindhoven.

LIST: HELLO SUNSHINE

IMG_2259

We kunnen met z’n allen wel zeggen dat de winter óók heel gezellig is, met kaarsjes en dekentjes en andere knusheid, maar eigenlijk houden we onszelf voor de gek. Constant koude tenen en droge lippen, kilo’s zakdoeken volsnuiten – het is de dagelijkse gang van zaken. Naast koude tenen heb ik ook behoorlijk lánge tenen in de winter. Laten we zeggen door gebrek aan zonlicht. Toen ik vandaag van les wisselde en de zon op mijn gezicht voelde, droomde ik weg en dacht ik aan de lente en de zon en waarom ik er zo van houdt.

– Niet meer in het donker naar school hoeven fietsen – sterker nog, vaak zie ik de zon opkomen en de hemel roze kleuren.

– Dat ik weer rokjes kan gaan dragen op door de weekse dagen. In de winter begin ik daar niet aan – wanneer ik een panty draag, is dat alleen met een broek eroverheen.

– Hete, glanzende fietszadels en een warme rug als ik thuis kom – zwarte dingen die verwarmd worden door de zon.

– Het ’s ochtends koud hebben in mijn lentejasje en hem ’s middags over mijn fietsstuur draperen.

– Mijn zonnebril weer zonder schaamte kunnen dragen (want ik draag ‘m in de winter ook wel… Maar dat levert toch soms scheve blikken op).

– Hele leuke lentecollecties in de winkels

f00002765

– De zon die het klaslokaal binnen schijnt. (Al wordt het dan soms wel een beetje muf daarbinnen…)

– Lange schaduwen door de laagstaande zon laat in de middag.

– Meteen naar buiten kunnen lopen wanneer je dat wilt, zonder tien laagjes kleding toe te hoeven voegen. Vest, dunne sjaal, jas, dikke sjaal, muts, handschoenen…

– Dat het langer licht blijft ’s avonds. Ben ik de enige die het idee heeft dat de dag veel langer duur en je dus meer gedaan krijgt?

Note to self: het wordt tijd om je teennagels weer te gaan lakken!

– Dat iedereen vrolijker lijkt te zijn, en dat je altijd kan zeggen: ‘Ja, maar het weer is wel mooi!’

– De bloemetjes die bloeien en de lammetjes in de wei. Nee, grapje, dan wordt het wel erg zoetsappig allemaal. Maar ik kan er niets aan doen. Ik voel dat de lente eraan komt, en daar wordt ik gewoon erg blij van.

#278 PASSING BY

Vandaag fietste ik na een mentoruur alleen naar huis. Een beetje saai, mijn iPod was mijn enige gezelschap. En dan is er nog iets. Wanneer je met een hele groep fietst ben je altijd druk in gesprek. Zo druk, dat eventuele voorbijgangers je ongemerkt passeren. Als je alleen bent ligt dit heel anders. Je blik is gericht op de weg voor je, een tegenligger zie je al een halve minuut van tevoren aankomen (tenminste, wel op de eindeloze, lange weg die ik iedere dag fiets). Je nadert elkaar, steeds dichterbij, totdat je elkaars gezicht duidelijk kan onderscheiden. Dat vind ik altijd zo’n stom moment: ik weet nooit hoe ik moet kijken! Ik beschik niet over een pokerface, dus rest mij de keuze tussen een lach (kan creepy overkomen) of het compleet negeren (kan asociaal overkomen). Mocht je de tegenligger in kwestie kennen, kan je ook nog hallo zeggen. Bij mij gaat dit vaak fout. Na twintig minuten niet gepraat te hebben kunnen mijn stembanden zo’n plotselinge uitroep niet aan. ‘Hghiooj!’ klinkt het dan. Door een groet wordt het ook alleen maar lastiger eigenlijk, want wanneer spreek je hem uit? ‘Heeeeee!’ vanaf 200 meter afstand is niet zo handig. De ander roept iets terug en dan volgen er nog een hoop doodse seconden voor je gepasseerd bent. Of erger nog: de ander roept níets terug, kijkt een beetje raar zelfs. En dan kruis je elkaar en blijkt het iemand te zijn die je nog nooit eerder hebt gezien.