Dorp

STADS

De fietsenmaker had geen pinapparaat en ik had geen fiets, dus liep ik afgelopen woensdag naar de ING-bank op de Nachtegaalstraat. Ietwat onwennig trok ik mijn briefjes uit de muur – wie doet er tegenwoordig nog aan pinnen? Op de terugweg sloeg ik een straat te vroeg rechtsaf. Wanneer je leeft zonder richtingsgevoel, ontdek je vanzelf dat dit je op verrassende plekken kan brengen. Ook nu ging ik er maar gewoon in mee.

Mijn misser bracht me in een knusse wijk, met smalle straten en lage rijtjeshuizen van rood baksteen. Er middenin stond een basisschool, die in Utrecht altijd aangekondigd worden met een reeks afwisselend rode en gele paaltjes. Er was geen sprake van een plein, dus de smalle stoepen stonden vol ouders die hannesten met fietszitjes en felgekleurde rugzakken. Er tussendoor schoten oudere kinderen, haastig op weg naar hun vrije woensdagmiddag.

Het was een herkenbaar tafereel, maar toch bestond er een groot contrast met mijn eigen ervaringen. Mijn basisschool stond op een groot terrein vlakbij een bos. Er waren struiken om je in te verstoppen, wortels om over te struikelen. Bomen om in te klimmen en weer uit te flikkeren. Er was zand en gras, er waren dorre bladeren en ontelbaar veel dennenappels. Onderweg kwam ik niet één stoplicht tegen.

(Het ene stoplicht dat het dorp telde, lag niet op mijn route.)

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in een stenen stad op te groeien. Leren fietsen tussen de gele bussen, die zelfs voor jou geen genade kennen; jij en je net-iets-te-grote-mensen-gazelle worden zonder pardon van de baan af getoeterd. Elke winkel is om de hoek, het park is je achtertuin. De bewakers van de coffeeshops werpen je vriendelijke knikjes toe terwijl je langs hen huppelt, broodtrommel in de hand. Op weg naar school kom je soms een plas braaksel tegen, waar je dan gedecideerd omheen loopt. In de Albert Heijn sluit je geregeld aan achter een stel twintigers in joggingbroek, op slippers. Zonder blikken of blozen rekenen ze twintig kratten bier af, samen met een lopende band aan chips. Je kijkt niet op of om van mensen zonder shirt, met groen haar, op blote voeten. Als vanzelfsprekend begrijp je welke straten te mijden. Het lukt je zwervers af te wimpelen, zonder schuldgevoel. Je weet al hoe wiet ruikt. Wat die slagroompatronen op jouw stoep doen.

Zo ben je achttien en heb je alles al eens gezien. Ik vermoed dat het zo gaat, althans. Ik denk het gemerkt te hebben, de afgelopen twee jaar – wie er uit de stad kwam. Iets grotere mond, wat minder bang. Geen ruimte of tijd voor twijfel.

Rond de zomer vierde de processierups hoogtij in Brabant. Van de ene op de andere dag waren alle eiken op het schoolplein met een wit weefsel omsponnen. Bomen als buitenproportionele suikerspinnen, minus de roze kleurstof. ‘Absoluut niet aanraken’, zo spraken de A4-tjes, die tegen de stammen geniet waren. ‘Je krijgt dan bultjes en die jeuken gruwelijk.’

Zo is kent elke jeugd haar eigen waarschuwingen.

#120 SON CITY

Son heeft iets meer dan vijftienduizend inwoners en ik ben er één van. Het is niet het spannendste dorp van Nederland: we hebben wat winkels, een paar sportverenigingen, maar vooral een heleboel kappers en bejaardenflats. We hebben geen stoplichten, leuke kledingwinkels maar sinds kort wel een HEMA en dat is toch al een hele vooruitgang. Er staan drie elektrische borden aan de rand van het dorp die de aankomende evenementen aankondigen. Kienavonden, exposities in het gemeentehuis, speurtochten van het IVN, van alles komt er voorbij. Ondanks dit alles wil ik er voorlopig nog niet weg. Toen we gingen verhuizen hadden Mart en ik maar één eis: we blijven in Son wonen. Het dorp zelf is misschien niet heel speciaal, maar veel van de mensen die er wonen wil ik echt niet kwijt.