Column

CENTRUM VAN DE WERELD

Ik ben opgegroeid in het centrum van de wereld. Tien jaar lang woonde ik op de plek waar iedereen zich bevond en waar alles gebeurde. Mijn vriendinnetjes woonden er ook. Ik kende hen van school of van de sportclub. Onze huizen waren op spuugafstand van elkaar. We vonden dezelfde dingen leuk en leidden eenzelfde soort leven.

Het was een veilige en vooral vertrouwde omgeving. De mensen leefden volgens een vast stramien. Er was de man op de hoek, die van zijn huis een tweedehandswinkel had gemaakt. Iedere dag stalde hij zijn spullen uit op zijn oprit. Soms hield hij koopzondag. De jeugd ging elke zaterdag naar hetzelfde café. Op het informatiebord werd eens in de zoveel tijd een bingoavond aangekondigd.

Nog steeds woon ik op die plek, een dorpje vlakbij Eindhoven. Het was voor mij lange tijd ondenkbaar dat ik er ooit weg zou gaan. Alles was daar goed en fijn, dus waarom zou ik? Toen ik naar de middelbare school ging, kwam ik erachter. Sindsdien is mijn wereld gegroeid. Ik realiseerde me dat mijn dorp niet meer het centrum was. Nooit geweest, zelfs. ‘Iedereen’ had voor mij uit zestienduizend mensen bestaan, terwijl het er in werkelijkheid zeven miljard waren.

Langzaam maakte ik me los van het dorp. Ik begon te zien dat de mensen al jaren dezelfde dingen deden. En vooral dat ze die nog jaren zouden blijven doen. Veilig en vertrouwd werd suf en saai. Soms ergerde ik me eraan, soms lachte ik erom. Ik wist in ieder geval zeker: dit was precies wat ik níét wilde. Ik was klaar met de ons-kent-ons-cultuur en had genoeg van de vraag: ‘Bende gij d’r één van…’ Ik wilde mijn eigen ding gaan doen.

Op dat punt bevind ik me nu. Ik kijk ernaar uit om over anderhalf jaar het dorp achter me te laten. Waar precies ik terecht zal komen, weet ik nog niet. Wat ik wel weet, is dat wat er ook gebeurt – in de wereld, in mijn leven – er een plek is waar alles nog hetzelfde zal zijn. Waar de man op de hoek zijn spullen uitstalt en op het informatiebord een bingoavond is aangekondigd. Ergens vind ik dat een geruststellende gedachte. Maar het zal een gedachte blijven. Want in de praktijk ga ik vertrekken. Over anderhalf jaar ben ik weg. De wereld roept.

Deze column verscheen ook in De Nuenense Krant.

 

WAAR HET SCHUURT

Het was vrijdagmiddag, het op-één-na-laatste lesuur. Henk van Straten, een columnist van onder andere de Volkskrant, gaf een presentatie over het schrijven van columns. Dat betekende bijna tachtig VWO-4 studenten samen in een collegezaal, inclusief de niet-alledaagse verleiding van klapstoeltjes en –tafeltjes die – het woord zegt het al – lekker luidruchtig kunnen klapperen. Dat gebeurde dan ook. Daarnaast was het dus bijna weekend, met de gebruikelijke extra drukte tot gevolg. Ik had op voorhand al medelijden met de man.

Dat bleek niet nodig te zijn. Henk van Straten was cool en bovendien had hij ons door. ‘Vroeger haalde ik mijn boekverslagen ook van internet, hoor.’ Ik luisterde geboeid naar hem, tot er op een bepaald moment een andere stem klonk. ‘We hebben trouwens een columnist in ons midden,’ sprak de lerares Nederlands.

Ze had het niet over Henk van Straten.

Dus daar zat ik dan, in het middelpunt van de aandacht. Precies waar ik niet wilde zijn. Hoewel ik het meestal niet erg vind: spreken voor groepen is geen probleem, mijn ongezouten mening geven ook niet. Vorige week stond ik voor honderd man op het toneel, op hoge hakken en gekleed in een minuscuul glitterjurkje. (Als je wilt weten waarom, had je maar moeten komen kijken.) Zelfs bij die gedachte voelde ik me nog behoorlijk comfortabel. Maar toen, daar in de collegezaal, was ik het liefst onder mijn klaptafel verdwenen.

Wat ik niet deed, overigens.

Het moment ging eigenlijk heel snel voorbij. Ik sputterde wat, iedereen lachte, meneer Van Straten ging verder met zijn verhaal. Al met al duurde het zo’n dertig seconden. Maar zo beleefde ik het niet. Ik voelde al die ogen kijken. Mijn hoofd werd rood. Pas echt gênant werd het toen de lerares de situatie als zodanig bestempelde: ‘Oh, ik zie dat Milou zich er niet helemaal gemakkelijk bij voelt.’

Dat had ze goed gezien.

In luttele seconden was ik van een zelfverzekerd persoon veranderd in een verlegen meisje. En dat vond ik achteraf gezien raar. Want ik schaamde me niet voor wat ik schreef. Bovendien wisten een boel mensen er al langer vanaf, en vond ik het ook leuk als ik er reacties op kreeg. Alleen niet op deze manier, blijkbaar. Waarom niet? Omdat het nu leek alsof ik die aandacht zelf graag wilde. Alsof ik het geweldig vond wat ik deed, en daarmee mezelf ook. Terwijl ik in feite maar gewoon schrijf over hele gewone dingen uit mijn hele gewone leventje. Het is leuk als mensen daarop reageren. Als ze erom lachen, huilen of het op een andere manier iets met ze doet. Maar ik wil niet dat mensen gaan denken dat ik het heel knap vind van mezelf.

En als ik heel eerlijk ben: zeker niet als één van die mensen Henk van Straten heet. Een man van wie ik de hele zomer mooie columns heb gelezen, die me laten denken: ‘Ja, dat wil ik ook kunnen. Ooit. Want op dit moment ben ik daar echt nog niet.’

Dus daarom kreeg ik een rood hoofd. Daarom kon ik niet gewoon zeggen: ‘Ja, ik schrijf dingen voor mijn blog.’ Maar dit was niet voor niets gebeurd. ‘Zoek waar het schuurt,’ had Henk van Straten namelijk gezegd. Dat heb ik door deze ervaring wel ontdekt.

Deze column verscheen eerder in mijn schrijfdossier voor Nederlands.

NOWHERE ELSE

IMG_8370

Wanneer je ‘curaçao’ googelt, kom je plaatjes tegen van witte zandstranden, blauwe zeeën en prachtige zonsondergangen. Deze dingen zijn er ook, dus daar is niks aan gelogen. Maar wie daardoor denkt dat Curaçao hetzelfde is als ieder willekeurig bounty-eiland, die heeft het mis. Want er zijn een paar dingen die bij dit eiland horen als bij geen enkele andere plek ter wereld.

De weersvoorspellingen van Curaçao vind ik heel grappig, want elke dag om en nabij hetzelfde. Een zonnetje, een wolkje, een drupje en zo’n 30 graden. Het is een beetje een familiegrapje geworden: wij stellen ons voor dat er één persoon is die de weersvoorspellingen van Curaçao doorgeeft. Op één januari vult diegene gewoon voor het hele jaar zo’n beetje hetzelfde in, om vervolgens lekker naar het strand te gaan.

Puffs

Vervolgens: Puffs! Gaat er een belletje rinkelen? Ik denk dat Puffs zich het beste laten omschrijven als knaloranje, dikke, vingerchips. Vroeger verkochten ze ze ook in Nederland, gewoon bij de supermarkt. Maar sinds een aantal jaar geleden zijn ze nergens meer te vinden. (En daar zal vast een reden voor zijn. Ik denk te veel schadelijke kleurstoffen, transvetten of calorieën per zak. Maar ik weet het niet zeker – ik heb nog nooit op het etiket durven kijken.) Hier op Curaçao hebben ze echter wel Puffs. Wat een feest. Niet bij de Albert Heijn – je moet ervoor naar de achterafsupermarkten van Curaçao. Maar ach, zo kom je nog eens ergens. Ik kan me voorstellen dat niet iedereen de liefde met me deelt: je  gaat er heel erg van uit je mond stinken, als je er één op je kleren laat vallen ben je de lul (vanwege aldie kleurstoffen) (‘Dit is eigenlijk een foute Puff-jurk’ is een uitspraak die ik laatst hoorde) en ze smaken eigenlijk te erg naar kaas. Maar ze zijn zo lekker.

IMG_8361

Waar je in Nederland alleen op de 31e van half twaalf tot half één vuurwerk mag afsteken, is het hier een week van tevoren al feest. Keten langs de weg schieten uit de grond, de één nog mooier beschilderd dan de ander. De avonden voorafgaand aan oudejaarsavond zijn er al vuurwerkshows te zien, als een soort voorproefjes voor het echte werk. Datum en plaats lijken algemeen bekend, want het halve eiland loopt er voor uit. Wanneer je vlak voor het begin van het spektakel toevallig op zo’n locatie terechtkomt, weet je niet wat je ziet. Ten eerste: auto’s, overal auto’s. Elke lege ruimte wordt gezien als parkeerplaats. Mensen zitten in, op of voor hun voertuig, in dat laatste geval zelfs op meegebrachte plastic tuinstoelen. Files vormen zich, en de politie komt erbij. Oma, de pasgeboren baby, zoons en dochters plus aanhang – ze gaan allemaal mee. En dan te bedenken dat het echte feest nog moet komen!

De mensen hier verdienen absoluut een eigen alinea. Sommigen wonen in huizen waar in Nederland niet eens iemand meer in zou mogen wonen, rijden in een auto die half uit elkaar valt en hebben twee banen om rond te kunnen komen. Maar je hoort niemand klagen. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar over het algemeen is iedereen hier zo vriendelijk en vrolijk.

Gisteravond bijvoorbeeld, gingen we eten in een restaurant. ‘Goeie avond’, sprak de serveerster. Een gouden tand blonk ons tegemoet. Ze was heel erg begaan met haar klanten en het restaurant, dat bleek wel. ‘Lekker!’ sprak ze nadat we onze bestelling hadden doorgegeven. Niets van de afstandelijkheid die je in Nederland vaak ziet. Het tegenovergestelde juist. ‘Smakelijk, dushi’s!’ sprak ze met een vet Antilliaans accent. Ter informatie: dushi betekent ongeveer hetzelfde als ‘schatje’. In Nederland zou men er denk ik niet van gediend zijn, schatje genoemd worden door iemand die ze pas tien minuten kennen. Maar hier kan dat, en gebeurt het ook. Verdere uitspraken waren: ‘Waar ga je, dushi?’ (toen mijn moeder opstond om naar het toilet te gaan), ‘Help me, schat,’ (toen ze een heet bord moest neerzetten terwijl ze haar handen nog vol had) en ‘Nee! Blijf bij mij tot sluit!’ (toen we vroegen om de rekening).

Tussendoor vertelde ze ons ook nog haar levensverhaal in een notendop. Ze had kinderen ‘en een man!’. Ja, dat merk je goed, daar werd de nadruk op gelegd. Er zijn namelijk heel wat vrouwen op Curaçao die kinderen van een paar verschillende mannen hebben, omdat laatstgenoemden er alweer vandoor zijn. Oud en nieuw kwam ter sprake. ‘’s Avonds ga ik naar de brug! Jullie ook? Misschien zien we elkaar daar!’ Aan het einde van de avond namen we afscheid. ‘Slaap lekker, dushi’s! Tot snel.’

GIRLY GIRL

IMG_7457

Vandaag zat ik bij economie. Met mijn gedachten was ik echter bij alles behalve dat. Mijn ogen dwaalden de klas rond. Rechts van me was een vriendin opdrachten aan het maken uit een roze multomap. Links van me markeerde een meisje iets met een felroze stift. Ik haalde een roze potlood uit mijn roze etui en tekende een lijn in een grafiek uit de lesbrief. Die stevig vastzat in een roze snelhechter. Mijn gedachten waren echter nog steeds ergens anders, dus enig verband constateerde ik niet. Pas toen ik een antwoord noteerde in mijn roze schrift, vroeg ik me af: wat is dat toch met meisjes en hun roze frutsels?

Ik zal toegeven, voor sommige dingen op bovenstaande foto heb ik behoorlijk diep moeten graven (die roze haarelastiekjes bijvoorbeeld, hebben denk ik minstens vijf jaar geen daglicht meer gezien). De kleur roze is al zeker 6 jaar niet meer mijn favoriet, roze kleding is nauwelijks in mijn kast te vinden. Aan de andere kant wordt ik wel omringd door een hoop roze gebruiksvoorwerpen. Waarom? Gewoon, omdat het kan, denk ik. Verder ben ik niet zo’n meisjes meisje. Toch?

Om dat te kunnen bepalen, zal ik eerst de definitie van ‘meisjes meisje’ moeten vinden. Daar zullen de meningen ongetwijfeld over verschillen, maar hier volgt de mijne. Ik zou een ‘meisje meisje’ omschrijven als iemand die een beetje giechelig is, wel behoorlijk wat tijd besteed aan haar uiterlijk (of er in ieder geval altijd verzorgd uitziet: nageltjes gelakt, haren in de plooi), bezig is met mode, graag jurkjes en rokjes draagt, af en toe een gilletje slaakt, absoluut niet vies wil worden, altijd ruikt naar een wolkje parfum en natuurlijk houdt van de kleur roze.

Als ik mezelf vergelijk met deze (door mezelf opgestelde) definitie, kan ik er heel kort over zijn. Ik ben wél een meisjes meisje. Maar, een andere eigenschap van mij (en van mijn blog), is dat ik nooit ergens kort over ben. Dus hieronder een wat uitgebreidere analyse.

Een beetje giechelig, dat klopt wel. Ik heb zo mijn momentjes en kan dan echt extreem hard lachen met vriendinnen, om de onnozelste dingen. (Dat ik er later aan terugdenk, met mijn ogen rol en tegen mezelf zeg: ‘Dûh, Milou.’)  Dan, besteed ik veel tijd aan mijn uiterlijk? Tsja, wat is veel? ’s Ochtends kan ik er soms lang over doen om mezelf klaar te maken. Ik kijk misschien iets te vaak in de spiegel. Bezig met mode: check. Draagt graag jurkjes en rokjes: check.

Maar. (‘Pfoeeee is dit verhaal nou nog niet afgelopen?’ Nee, je bent ongeveer op de helft.)

Ik zei dat ik lang bezig kán zijn ’s ochtends. Het lukt me ook wel in tien minuutjes. Daarnaast stap ik stiekem wel eens op de fiets met hetzelfde kapsel als toen ik wakker werd (niet verder vertellen), en zijn mijn nageltjes nooit netjes gelakt. (Al ligt dat misschien meer aan het feit dat ik daar gewoon erg slecht in ben.) Ik heb regelmatig een ladder in m’n panty, mijn haren hebben de neiging om zich nogal wild te gedragen en draag ik wel eens een broek met een vlekje erop, hopend dat ik de enige ben die het was opgevallen. Ik draag graag rokjes en jurkjes, maar geen ‘rokjes’ en ‘jurkjes’ (lees: franjes, kantjes en andere frutseltjes). Comfort gaat altijd boven ‘er leuk uitzien’, trouwens. Of eigenlijk probeer ik een gulden middenweg te vinden. Maar als iets prikt of kriebelt of schuurt, dan is het helaas.

Ik moet altijd niezen van zoete parfums, sla gerust een beest dood (dan heb ik het over een insect, hè. Geen konijntjes of zo), en wanneer ik er een beetje op voorbereid ben, schrik ik niet van modder op mijn broek. Ik draag vaak zwart, wat zo’n beetje tegenovergestelde is van roze.

Ten slotte ben ik niet lief genoeg om door te gaan voor meisjes meisje. Zij is een persoon met een eeuwige glimlach, waar ik bij sommigen bekend sta om mijn sarcastische opmerkingen. (Waarvan het sarcasme niet altijd door iedereen gezien wordt. Sorry als je je ooit beledigd hebt gevoeld. Ik meende het niet zo.) Conclusie van dit hele verhaal: ik ben lang van stof en geen meisjes meisje. Ik houd gewoon van roze frutsels.

WHAT’S UP

scan0001

Ik was bezig met het tikken van een blogje. Over vakantieplannen, schoolbezigheden en andere persoonlijke dingen. What’s up? wilde ik het noemen. Wel raar dat ik deze term gebruikte, terwijl er toch wat vragen bij heb. Twee jaar geleden was ik op vakantie in de Verenigde Staten. In winkels en hotels werd het door allerlei mensen gevraagd: ‘What’s up?’ Heel aardig bedoeld natuurlijk, maar ik kon in zo’n situatie niet veel anders dan een beetje stamelen. Want wat moet je in hemelsnaam antwoorden op zo’n vraag? ‘Not much’? Komt ook nogal onverschillig over, als je het mij vraagt. ‘I’m fine’ lijkt me niet helemaal de goede reactie – de vraag was niet ‘how are you?’ (al komt het natuurlijk wel op hetzelfde neer).  Ik heb het wel eens gegoogled. (Want dat doe ik met een vraagt waarop ik het antwoord niet weet!) En ik bleek niet de enige te zijn die met dit ‘probleem’ zat.

Schermafbeelding 2013-04-23 om 16.46.26

 

Er waren niet alleen veel vragen, maar ook veel antwoorden. ‘Some clouds, at this moment’ vond ik wel leuk gevonden.

Rest mij nog één vraag: what’s up with you?

PICTURE THIS: EARRINGS

IMG_8657

Wanneer ik een jaar of zeven was had ik één grote wens. De meeste kinderen van die leeftijd willen astronaut worden, zwemmen met dolfijnen of kunnen toveren, maar ik niet. Ik wilde gaatjes in mijn oren. Mij werd verteld dat het wel mocht, maar dat ik er eerst eens even goed over na moest denken. Ongeveer elke dag zei ik: ‘Mama, ik heb er echt héél goed over nagedacht.’ Op een bepaald moment was het zover: het mocht. Ik zie mezelf nog zitten, op de toonbank bij de juwelier. Ik koos mijn knopjes uit (witte bloemetjes met een roze hartje. Ahww….). Binnen drie seconden was het gepiept, dolblij sprong ik op de grond. Een dag later zat ik in een cabriolet, met mijn handen over mijn oren. Ik was bang dat mijn oorbellen uit zouden waaien.

Al snel merkte ik dat ze er echt niet zomaar uitgingen, en dat was ook de bedoeling: zes weken moest ik ze inhouden voor ik mocht wisselen. Zes weken waarin ik constant aan die bloemetjes zat te frunniken en elke avond braaf Sterilon op mijn oorlellen druppelde. In de winkels lonkten allerlei prachtige paren. En eindelijk was het zover.Toen barstte de bom natuurlijk los. Van mijn zakgeld kocht ik allerlei oorbellen: lieveheersbeestjes, ritssluitinkjes, kersen, regenboogjes. Allemaal heel schattig. Ik matchte mijn oorbellen met de kleuren van mijn kleding. Daarna volgden periodes van (nep)diamantjes, grote hangers en van die enorme ringen. Dat laatste mocht ik eigenlijk niet. ‘Is je papegaai weggevlogen?’ vroegen ze thuis. Gelukkig kwam ik er vrij snel achter dat het me niet echt stond, dus ging ik terug naar mijn brave knopjes.

Ik had twee oorbellenrekken op mijn kast staan, gevuld met wel vijftig paar. Elke dag koos ik andere uit. Maar plots was de liefde over. Misschien was het overkill, ik weet het niet. Maar ik droeg ze gewoon nooit meer. En nog steeds niet. Soms, als ik bang ben dat ze nu écht gaan dichtgroeien, doe ik ze eens in. Maar just to be sure: wanneer ik heb vastgesteld dat er wel degelijk nog een gaatje in mijn oor zit, haal ik ze er weer uit. Gisteren keek ik toevallig weer eens naar mijn rekjes. Ik een paar schattige bloemetjes hangen. Hé, die stonden eigenlijk wel leuk bij wat ik aanhad! Ook vandaag droeg ik weer een paar. Misschien moet ik het wat vaker doen – ik wil ze toch wel graag behouden, die gaatjes. Het zijn namelijk ‘de enige gaten waar ik toestemming voor krijg’ (aldus mama). En dat vind ik ook wel prima eigenlijk.

Tijdens de kerstvakantie op Curaçao moest ik bedenken wat ik graag wilde voor mijn verjaardag. Het hele jaar door kom ik leuke dingen tegen, die ik graag zou willen hebben. Wanneer ik de gelegenheid heb om iets te vragen, kan ik niets bedenken. Op een bepaald moment lagen we op het strand. Er kwam een meisje de zee uit lopen. Op haar buik schitterde iets in de zon. ‘Nu weet ik wat ik wil!’ sprak ik overtuigend. ‘Nou, vertel!’ Mijn ouders luisterden benieuwd. ‘Een navelpiercing!’ Ik lachte plagend. Nee, dat is niets voor mij. Daarnaast heb ik geen MTV-buik, geen normale navel en geen toestemming.  Voor nu laat ik het even bij twee ongebruikte gaatjes.

DRAMA QUEEN

Toneel Bank

Iedere dinsdag heb ik toneelrepetities, dus ook toen ik een uitwisseling had met school. Door een busreis vanuit België zou ik er niet op tijd kunnen zijn. Toch besloot ik maar te gaan – beter drie kwartier repeteren dan helemaal niet. Samen met een vriendin liep ik het repetitielokaal binnen, maar dat was helemaal leeg, net als de rest van de school. We bleken buiten te repeteren, wat er heel grappig uitzag. Ons belangrijkste (en enige) decorstuk, een grote, oude leren bank, stond midden op het sportveld. ‘Ja, wij dachten, het is zo’n mooi weer!’ (Stiekem had niemand zin om alle tafels uit het lokaal te sjouwen. Het zijn er tweeëndertig – dan heb je gefitnesst en gerepeteerd op één dag.)  Verspreid in het gras lagen een voetbal, een groene maillot, een hoed, een kartonnen bekertje en een extreem grote schaar. Wat deze dingen met elkaar te maken hebben? Dat mag ik je helaas niet vertellen.

Altijd al heb ik toneel heel leuk gevonden. Ik ben een paar keer bij een musical geweest. Wanneer het afgelopen is heb ik altijd het idee: ‘Dat wil ik ook!’ Het schooltoneel was altijd op een dag dat ik niet kon, maar dit jaar was het anders en besloot ik me op te geven. Mijn toneelervaring ging tot de musical van groep acht en niet verder, maar ik werd toch ingedeeld in een groep. En wát voor een groep. We zijn met zes meisjes en één jongen en de sfeer is echt heel goed. Je hoeft je niet te schamen wanneer je iets raars moet doen, het maakt niet uit als je je tekst eens vergeet. Omdat we elkaar allemaal graag mogen hebben we wel iets te vaak de slappe lach. Ach ja, beter dan cat fights om de hoofdrol. Die zouden we sowieso nooit kunnen hebben, aangezien iedereen ongeveer even veel tekst heeft. Sterker nog: we zijn allemaal hetzelfde personage. Het klinkt heel raar en verwarrend misschien, maar in de praktijk is het heel handig: wanneer je een bepaalde zin écht niet uit je strot krijgt (‘Mijn Candadese herder jankt vette tranen uit zijn trieste hondenogen.’) vraag je gewoon of iemand anders ‘m kan zeggen.

Ongeveer twee weken geleden speelden we het eerst voor publiek, namelijk voor de andere toneelgroep. Nog niet heel serieus dus, maar alles beter dan een lege zaal. Zeker wanneer je het publiek veel betrekt bij de voorstelling  – dan vallen heel wat gaten in je doorloop, wanneer alle stoelen onbezet zijn. We vonden het allemaal behoorlijk spannend, misschien juist omdat het zo’n klein groepje was waarvoor we speelden. In het stuk moesten we heel cool overkomen: ‘niets aan de hand’, arrogant en extreem zelfverzekerd. Vanbuiten zag het er misschien zo uit, maar vanbinnen stuiterde ik van de opwinding. We speelden onder fel TL-licht en keken recht naar het publiek. Dat is toch wat anders dan een donkere zaal in staren (met nog steeds die arrogantie in je ogen). Het begin was dus spannend, maar al snel ging ik helemaal op in ons eigen stuk. De zinnen floepten mijn mond uit voor ik er erg in had, binnen tien minuten was het allemaal voorbij. Althans, zo leek het. Toen ik op de klok keek bleek het toch 40 minuten geduurd te hebben.

Nog twee weken en dan gaan we écht spelen, drie avonden voor een (hopelijk) volle zaal. Tot die tijd is het nog flink oefenen. En dat doe ik niet alleen tijdens de repetities. Laatst lag ik op de bank met behoorlijk wat spierpijn. Ik was er een beetje chagrijnig van en vond mezelf best zielig. ‘Ah, dit is echt niet meer leuk, hoor!’ kreunde ik. ‘Ja, Milou, nou weten we het wel, hè.’ Tsja, je bent een drama queen of je bent het niet.

PICTURE THIS: A LONELY SHOE ALONG THE ROAD

IMG_7776

(Oké, dit is eigenlijk geen eenzame schoen op straat. Hij heeft wel degelijk nog een rechtervriendje, en die woont bij mij in de kast.)

Stel je voor. Een lange fietstocht door de gure wind. Een verlaten weg, op af en toe een tegenligger na. Mijn oog valt op een voorwerp langs de weg. Wat het is is onduidelijk. Ik ben er ongeveer 20 meter van verwijderd. Een verpakking van iets? 10 meter. Nee, het is niet van karton. 5 meter. Hè? Ik rijd erlangs. Precies op de scheiding tussen de berm en de weg staat een schoen. Het lijkt wel of ik ze de laatste tijd vaker tegenkom. Terwijl ik juist zou denken dat er in de winter geen enkele reden is om ze uit te doen.

Kijk, met handschoenen is het een ander verhaal. Ik kan me precies voorstellen hoe dat gaat. Je zit op de fiets, omdat het koud is heb je handschoenen aangedaan. Maar nu beginnen ze toch enigszins plakkerig aan te voelen. Een beetje onhandig probeer je ze uit te trekken. (Onhandig, want je hebt of maar één hand aan het stuur (lekker wiebelen dus), of je doet het met de kracht van je lippen. En dat, kan ik je vertellen, ziet er nogal vreemd uit. Om het nog niet te hebben over wanneer je ze juist áán wilt trekken.) Dat loopt dus nooit zo soepel, waardoor het kan voorkomen dat je een handschoen laat vallen, wat je niet opmerkt omdat je al lang blij bent dat je ze uit hebt gekregen zonder op je smoel te gaan/ tegen iemand aan te rijden. (Of je merkt het wél, maar bent gewoon te lui om terug te rijden. Kan ook.) Die handschoenen langs de weg, daar kan ik nog wel een redelijke theorie voor bedenken. Maar een schoen?

Het zijn er ook nooit twee. Dat iemand dacht: ‘En nou ben ik er klaar mee.’ En dat hij dan zijn schoenen uittrekt, ze keurig naast elkaar in de berm zet en voortaan blootsvoets door het leven gaat. Ook dit zou ik niet snappen, mét schoenen heb ik al koude voeten, hoe moet dat dan zijn zonder? Maar wanneer ik zo’n eenzame schoen langs de weg zie staan, kan ik daar met mijn verstand niet bij. Een handschoen ongemerkt laten vallen, dat kan gebeuren. Maar schoenen vallen niet zo makkelijk van je voeten af, en wanneer ze dat wel zouden doen, zou ik ook niet te lui zijn om terug te rijden. En de meeste mensen met mij, denk ik, om eerdergenoemde redenen.

Ik rijd tien keer per week dezelfde route naar school, en soms ligt daar opeens zo’n vergeten schoen. Telkens wanneer ik erlangs rijd moet ik er naar kijken. En dan, na een keer of vijf, zes, passeren, is hij vaak weg. Niemand weet waarheen. Misschien gewoon opgehaald door de vuilnisdienst, maar dat vind ik wel een heel onromantisch einde van dit verhaal. Ik stel me liever voor dat er tóch iemand naar op zoek was. Schoen herenigd met eigenaar. Maar, misschien nog belangrijker: met zijn linker- of rechtervriendje. En ze leefden nog lang en gelukkig.

PICTURE THIS: THESE THINGS HAPPEN

IMG_7528

Een stem roept mijn naam, als een soort levende wekker. Het licht gaat aan, maar als ik mijn gordijnen open doe blijkt het buiten nog hartstikke donker. Met de slaap nog in mijn ogen kleed ik me aan. Ik ken mezelf en wéét inmiddels dat ik niet zo’n zonnestraaltje ben ’s ochtends. Een setje kleren ligt dus al keurig klaar (soms niet keurig, maar toch, het ligt er wel en daar gaat het om!). Ontbijt, een beetje leven op mijn gezicht aanbrengen en dan naar school. Testweek, wat een feest! Tijdens het studie uur leun ik tevreden achterover. Ik heb al mijn boeken bij me, ik ken de stof. Ik zag nog net op tijd dat ik mijn trui achterstevoren aanhad (en deed er iets aan), kreeg het voor elkaar om tandpasta in mijn haar te smeren – vraag me niet hoe – en niet zo’n beetje ook. Maar ook dat kwam allemaal goed. Naast me kwam de zon op. Ik weet dat het elke dag zou moeten gebeuren, maar als ik met -10 door het donker naar school fiets durf ik het soms te betwijfelen. Toch kleurde de hemel langzaam van inktblauw naar roze, oranje en geel. (Nee, dat is niet waar. Dat zou iets te perfect zijn.) Ik pakte mijn oordopjes, zette een vrolijk muziekje op en keek nog eens in het rond. Ik zag mijn klasgenootjes, sneeuw op het schoolplein en… Nee. @#$@! Dacht ik dat ik overal aan gedacht had. En dan blijk ik, met mijn suffe hoofd, in het holst van de nacht, hartjessokken aangetrokken te hebben. (En nee, dat is in principe niet erg. Maar wel als je lage schoenen draagt en een vrij korte broek aanhebt. En je die sokken vervolgens de hele dag kunt zien, al helemaal als je op de fiets zit. En ja, dat valt mensen blijkbaar dus wél op. Had ik ook niet gedacht, maar ik werd er de hele dag vriendelijk aan herinnerd.) Maar ja. De dag begint niet altijd met een felgekleurde hemel. Soms kom je erachter dat je rare sokken draagt. Die dingen gebeuren.