Column

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

CHILL

Ik draag oortjes, maar luister nergens naar. Zoals de kast opentrekken, maar niet weten wat je wil pakken. Gapen zonder moe te zijn. Een handeling uit automatisme, halfslachtig uitgevoerd omdat ik – in ieder geval in mijn hoofd – ergens anders mee bezig ben.

Zo ook nu, zijdelings zittend op een stoel voorin de bus. Naast me een zachte stinkberg als cadeautje voor thuis, erbovenop een rugzak waarin ik graai naar de OV-chipkaart die ik een minuut geleden nog in mijn hand had.

Ik merk pas dat er geen muziek aanstaat wanneer ik achter me gemompel hoor. Het is een oudere dame, murmelend tegen niemand in het bijzonder. Hard genoeg om haar afkeurende toon op te vangen, te zacht om te verstaan wat ze letterlijk zegt. Zo niet het meisje dat weer achter haar zit. Sneakers en een rokje, zonnebril terwijl de zon niet schijnt. Ze voert een telefoongesprek op kroegvolume.

‘Waar was je heen dan?’

‘Met Mimi?’

‘Chill.’

‘Ja.’

‘Nee, nee.’

‘Chill.’

‘Chill.’

‘Chill.’

Een blik achterom, de oudere dame kijkt me aan. Plots ontcijfer ik haar gemompel. ‘Chill,’ zegt ze kribbig, ‘ja, chill.’ Ik kan mijn lach niet geheel verbergen. En ze ziet het. Zonder woorden probeert ze me aan haar kant te krijgen, bij de groep die zich verheven voelt omdat ze woorden als deze niet gebruiken.

Ik kijk weg, gebruik mijn telefoon als ontsnapping. Het eerste gesprek dat ik open, het eerste bericht dat ik zie: ‘Heel chill.’

IN MINIMAAL 30 WOORDEN

scan0017

Na twee dagen vind ik mezelf ervaren genoeg om iets te schrijven over hetgeen waar al het gehele schooljaar naartoe geleefd wordt: het Centraal Schriftelijk. Wanneer ik een examen maak, blijk ik me in een concentratievacuüm te bevinden. Daarin bestaan alleen vragen en antwoorden, sporadisch een graai in een bakje druiven. Of zoals ze het in de Volkskrant zouden verwoorden: ik begeef me in het epicentrum van mijn bewustzijn.

Deze hyperconcentratie resulteert erin dat ik na drie uur niet meer weet waar de eerste opgave over ging. Hulde dan ook voor de mensen die om vijf uur ’s middags al een scherpe poll op Facebook hebben geplaatst. Zoals Colette zei: ‘Het leukste aan examens is dat ik de grapjes op social media snap dit jaar.’

Je kan je voorstellen dat ik met een overvolle hersenpan thuiskom na zo’n zitting. Ik voel sterk de behoefte om tegen iemand aan te kletsen over de essentie van tekst vier of de bedoeling van vraag twintig, mocht ik nog weten waar die over ging. Mijn familie kan ik hier maar tot op zekere hoogte mee lastigvallen, dus doe ik mijn woordje hier.

Het examen Nederlands verliep zoals ik verwacht had. Ik markeerde er lustig op los, goochelde wat met functiewoorden. Door Martin Heidegger werd ik even verleid te gaan twijfelen aan het nut van het leven (en dus de examens). Maar ik trapte er niet in. Ik probeerde alles wat op creativiteit of een eigen mening leek te onderdrukken. En dat ging eigenlijk prima.

Dan scheikunde. Dat was… Tsja. Scheikunde. Daar wil ik het graag bij laten.

Nee, natuurlijk niet. Bij Nederlands heb ik de oplossing voor de wereldcrisis al moeten samenvatten in dertig woorden, rekening houdend met de aspecten die deze crisis kenmerken en de partijen die ervoor verantwoordelijk zijn. (Of zoiets.) Dan ga ik me in mijn eigen eindexamensamenvatting niet nóg eens zo beperken.

Ik weet dat ik wat betreft scheikunde nooit beter ga worden dan ‘gemiddeld’, vanwege een gebrek aan interesse en kundigheid. En dat is oké – het is het me niet meer waard me er druk over te maken. Dat heeft me misschien nog wel het meest verbaasd de eerste examendagen: mijn eigen gemoedstoestand. Zo nu en dan een vlaagje zenuwen en een vrij zonnig humeur – dat is niet wat ik verwacht had deze periode.

Verder blijken mijn ideeën over de examentijd wel te kloppen. Een gymzaal gevuld met lichte nervositeit. Een tafel vol paperassen, waar na twee uur schrijven geen systeem meer in te ontdekken is. De bemoedigende glimlachjes van docenten. (En dat je dan lief terugknikt, maar stiekem denkt: ‘Ja, lach maar. Jij hoeft dit niet te doen.’)

Dat naar de wc gaan een uitje wordt, wanneer je je al twee uur op één vierkante meter bevindt. Je vangt de blik van je klasgenoot op wanneer je terugkomt van je plaspauze. Waarin je niet eens hebt geplast, overigens – je wilde gewoon even je benen strekken. Op weg naar je tafel herkennen jullie wat melodramatische wanhoop in elkaars ogen, waar je nogal de slappe lach van krijgt. Je beseft dat dat totaal niet handig is, in deze gymzaal waar alleen het geritsel van papieren en het gekraak van waterflesjes klinkt. We glimlachen elkaar bemoedigend toe. Wij mogen dat, want we zitten in hetzelfde scheikundeschuitje. Het is een glimlach die voortkomt uit één geruststellend gegeven: in dit schuitje zitten we waarschijnlijk nooit meer.

Dit was de eindexamensamenvatting (ja, ja) van week 1. In week 2 maak ik Engels, dat wordt een makkie. Dan wiskunde en op vrijdag ga ik aan het zwarte gat natuurkunde proberen te ontsnappen. Misschien komt daar ook een samenvatting van. Misschien ook niet – wie zal het zeggen. Wat je kan doen om met mijn wispelturigheid om te gaan, is de Facebookpagina van Picture this by Milou liken. Zo blijf je zeker op de hoogte wat betreft examenupdates en verhalen over andere zaken. Want die schrijf ik ook heus wel. Maar nu even niet.

FOR MEN

For men

Vanaf het moment dat ik kon lezen, heb ik een onschuldige afwijking ontwikkeld: ik lees alles wat ik zie, of ik het nu wil of niet. Vandaag was dat onder andere de tekst op een fles douchegel. Het was er één van mijn broer – die gebruik ik het liefst. Dat begon een paar jaar geleden, in de tijd dat hij behoorlijk fan was van Abercrombie & Fitch. In de winkels van dit kledingmerk lopen regelmatig knappe halfnaakte mannen rond, het is er zo donker dat je een zaklamp nodig hebt om de kleding te bekijken – en het ruikt er naar de hemel.

(Niet dat ik daar ooit geweest ben, natuurlijk.  Maar mocht het bestaan, dan denk ik dat het ruikt als ‘Fierce’ van Abercrombie.)

Op een goede dag bleek er ook Fierce-douchegel te bestaan, waar direct een voorraad van werd ingeslagen. De Abercrombie-manie is inmiddels weggeëbd, en dus ook de heerlijke geur die ermee gepaard ging. Maar nog steeds gebruik ik de douchegels van mijn broer, omdat ze simpelweg lekkerder ruiken dan die van mij.

Momenteel staat er Nivea for Men in onze badkamer. Wel gek eigenlijk: douchegel for women bestaat niet. Alsof mannen – mocht de specificatie for men op de fles ontbreken – vergeten dat ook zíj af en toe moeten douchen. Wat wil die term überhaupt zeggen? Nadere inspectie leerde mij dat Nivea for Men was ontwikkeld ‘especially for mens skin’. Ik heb zo’n vijf jaar biologie gehad en kan allerlei fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen noemen, maar dit is toch langs mij heen gegaan.

Wat is er zo speciaal aan douchegel voor mannen? Uit een kleinschalig onderzoek kon ik de volgende generieke eigenschappen afleiden. Ten eerste de kleur van de fles: grijs, blauw of zwart. Dan de geur: douchegels voor mannen ruiken naar mannen – op een andere manier kan ik het niet omschrijven. Deze associatie ontstaat natuurlijk doordat het voornamelijk mannen zijn, die douchegels voor mannen gebruiken. Volg je me nog? Een typisch gevalletje kip en ei.

Natuurlijk weet ik dat douchegel for men maar bestaat om één reden: geld. Het is pure marketing, die gericht is op mannen die stuurloos voor het schap met toiletartikelen staan, overdonderd door ál die keuzes. In hun ooghoek zien ze een rijtje donkerblauwe flessen, waar in blokletters FOR MEN opstaat. Daar grijpen ze natuurlijk naar, opgelucht dat de keuze al voor hen gemaakt is. Vrouwen gebruiken het vervolgens niet, want het is for men en het ruikt ook naar men. Zij kopen dus hun eigen fles, die waarschijnlijk ook nog duurder is dan een vergelijkbaar ‘mannelijk’ product. Er zijn allerlei onderzoeken gedaan naar deze zogeheten Pink Tax, waardoor een roze scheermes meer kost dan een blauw exemplaar. Bij de producent rinkelt de kassa.

Dit soort genderspecifieke marketing beperkt zich overigens niet tot toiletartikelen. Een uiterst irritant voorbeeld komt van Optimel. Momenteel word je doodgegooid met een spotje, waar Optimel wordt aangeprezen als vrouwenproduct. ‘Ik ben moeder, dochter en vriendin. (…) Ik ben lekker relaxed. Ik ben vrouw, maar ik ben vooral mezelf.’

En dus drink ik Optimel? Het verband ontgaat mij hier volledig. Bovendien: waarom zou je dit doen? Als marketing gericht is op geld verdienen, lijkt het me in veel gevallen helemaal niet lucratief je te richten tot één sekse. De helft van de wereldbevolking behoort dan opeens niet meer tot de doelgroep. Ik kan me voorstellen dat tampons lastig te verkopen zijn aan klanten zonder baarmoeder. Maar er zijn vast vrouwen die graag Snickers eten, of die met enige regelmaat een drilboor gebruiken. Er zijn genoeg mannen die houden van Optimel, misschien ook nog ‘lekker relaxed’ en ‘zichzelf’ zijn – maar geen moeder, dochter, vrouw.

AWKWARD

De jeugd van tegenwoordig maakt veelvuldig gebruik van Engelse woorden in hun dagelijkse conversaties. Afkortingen zijn populair: op WhatsApp zijn de lol’s, wtf’s en omg’s niet van de lucht, maar ook in het echte leven schromen tieners niet dit soort termen te gebruiken. Er is er één die het tienerbestaan perfect typeert. Bij voorkeur in een luide meisjesstem: awkward!

Want awkward, dat is het leven van een puber nu eenmaal vaak – ik spreek uit ervaring. Tussen mijn dertiende en vijftiende vond ik vrijwel alles gênant. Dat komt door een combinatie van factoren, denk ik. Ten eerste legt mijn brein voortdurend allerlei verbanden. Meestal best handig, maar soms zit er een verband tussen dat nergens op slaat. Dat flap ik er dan uit, en vaak midden in mijn zin denk ik al: néé! Hoe kan ik dit nu zeggen?

Me schamen voor andere mensen, daar was ik ook erg goed in. Als stereotype puber pretendeerde ik geen kind van mijn ouders te zijn, wanneer ze iets deden wat ik écht niet vond kunnen. Nog steeds ervaar ik regelmatig plaatsvervangende schaamte. Ongemakkelijke situaties op televisie, vreselijk acteerwerk in films; het maakt dat ik wegkijk, omdat ik het gewoon níét kan aanzien.

Ten slotte vul ik snel andermans gedachten in. Dan gebeurt er iets ongemakkelijks, en hóór ik de mensen om me heen haast denken hoe gênant het wel niet is. Met de jaren ben ik er wel achter gekomen dat iets wat voor jou heel opvallend leek, door een ander vaak nauwelijks is opgemerkt. Het is natuurlijk ook egoïstisch om te denken dat iedereen maar de hele dag op jou staat te letten. Echter, door zo’n uitroep – awkward! – vestig je wel degelijk de aandacht op wat je zojuist gedaan hebt. Zo graaf je dus je eigen graf.

Schermafbeelding 2016-03-09 om 21.05.03

Vriendin Marre stuurde me laatst bovenstaand plaatje. ‘Story of my life!‘ antwoordde ik. (In het Engels, ja. Ik behoor zelf ook tot de jeugd van tegenwoordig.) Schaamte over je vroegere zelf. Een vorm die ik als enige dacht te kennen, maar dat bleek dus niet het geval. Mocht dit wel nieuw zijn voor je, laat het me dan uitleggen. Het kan op elk willekeurig moment op komen zetten, maar mij overkomt het vaak als ik in bed lig. Ik ben rustig het leven aan het overdenken, mijn gedachten dwalen af en BAM! Daar is het: een ongemakkelijk moment uit het verleden. Iets wat ik deed of zei, en wat me zelfs nu nog – gerust vijf jaar later – onder mijn dekens doet kruipen, met de wens om niet meer te bestaan.

Een vraag aan de oudere lezer: gaat dit ooit voorbij? Is schaamte slechts een puber-ding? Ik denk het niet. Er komen waarschijnlijk nog genoeg momenten waarop ik graag even door de grond zou zakken. Wel ontwikkel je een gezonde dosis relativeringsvermogen, die maakt dat je sneller onder de grond (of dekens) vandaan durft te komen. Daarbij krijg je iets meer schijt aan de ongeschreven regels, iets meer bluf, en ontstaat het besef: het leven is zo awkward als je het zelf maakt.

WAT WOORDEN OVER CIJFERS

Zeven uur, vrijdagochtend. De cijfers voor wiskunde staan op Magister. Met mijn slaaphoofd scrol ik de lange lijst getallen door. Onderaan prijkt – onder een 6,3 en een 5,5 – een dikke 7,8.

Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft ervoor gezorgd dat leerlingen die met een 8,0 of hoger slagen, de vermelding ‘cum laude’ op hun diploma krijgen. Voor mij was het tot en met de derde klas mogelijk, maar inmiddels heb ik het opgegeven. Mijn bèta-capaciteiten acht ik niet toereikend.

Waarom ik het zou willen is de vraag. Natuurlijk staat het mooi op mijn diploma, maar voor mijn vervolgstudie heb ik het niet nodig. Bovendien weiger ik te accepteren dat één rijtje getallen zou weerspiegelen hoe het met mijn intelligentie gesteld is. Maar toen ik vanochtend die 7,8 op Magister zag staan, schoot het toch door mijn hoofd: misschien kan het nog. Cijfers – ik hecht er meer waarde aan dan ik zou willen.

Onze gehele maatschappij is gebaseerd op getallen en statistiek. Ze vormen de basis voor beleid. Een stijging van dit? Dat resulteert in strengere maatregelen. Een daling van dat? Dan wordt de subsidie ingetrokken. We hebben cijfers nodig om een mate van objectiviteit te bereiken, waardoor we zaken met elkaar kunnen vergelijken en toetsen. Maar of dit op alles toegepast moet worden, vraag ik me af.

De middelbare school is hier een treffend voorbeeld van. Aangezien cijfers bepalen of je wel of geen diploma haalt, is dat hetgeen waar leerlingen op focussen. Bovendien zijn we het gewend; al vanaf de kleuterklas worden we getoetst en beoordeeld. Deze cijfergerichtheid resulteert in strategisch leren: niet om te willen weten, maar om een bepaald cijfer te halen. Dan heb ik het niet over de zogeheten ‘zesjescultuur’. Of je nu gaat voor een dikke acht of een nipte zes, je leert voor het resultaat – niet voor de kennis die daarachter schuilt. Pragmatisch is het zeker, wanneer je een diploma wilt na een aantal jaar middelbare school. In termen van kennis is het een minder geslaagde methode.

Per vak is er een eindexamenprogramma, overzichtelijk opgedeeld in domeinen. Dit zijn lange lijsten met begrippen en processen die er geleerd moeten worden. We moeten zo veel kennen dat de rode draad soms kwijt is, maar we investeren er geen tijd in deze terug te vinden. Iets echt begrijpen duurt nu eenmaal langer dan ‘simpelweg weten’. En een tienerleven bestaat uit meer dan school: er zijn bijbaantjes, hobby’s en eisen van toekomstige studies. Een sociaal leven, als het even kan.

In de lessen zelf komt het grotere geheel ook niet vaak aan bod – we hebben het al druk genoeg met die lange lijst. Bovendien is het zelden van belang. Want we leren voor één vak, één toets met één onderwerp. We leren voor het cijfer. En dus doen we alsof scheikunde en biologie niets met elkaar te maken hebben. We negeren dat Sartre en Camus filosofen én Franse schrijvers zijn. We stampen gewoon die lange lijst in ons hoofd – een kwestie van weten en vergeten, terwijl juist begrip van zaken veel meer waard is. Want wanneer je iets goed begrijpt, kan je het toepassen op meerdere situaties, zal je het waarschijnlijk langer onthouden en kan je verbanden leggen tussen verschillende vakgebieden.

School gaat momenteel om slagen, terwijl juist leren centraal zou moeten staan. Dan heb ik het over dat grote geheel, maar ook over het eigen maken van vaardigheden. Daar is momenteel te weinig ruimte voor. Laat me één ding duidelijk maken: ik wil niet zeggen dat ik op school niets geleerd heb. Het tegenovergestelde juist. Ik heb er mijn wiskundige kennis vanaf nul opgebouwd. Het menselijk lichaam heeft me geboeid, mijn interesse voor filosofie is met een factor honderd toegenomen. Van elk vak heb ik wel iets opgestoken.

Maar net zo heb ik genoten van goede gesprekken die niets met de lesstof te maken hadden. Over veranderlijke zaken als actualiteit – niet te omschrijven in een curriculum, maar wel van groot belang. Hetzelfde geldt voor initiatief nemen, organiseren en discussiëren. Leren over jezelf, wie je bent en wat je belangrijk vindt in het leven. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden, maar niet toetsbaar. Die kennis heb ik ook op school opgedaan. Wat ik de afgelopen zes jaar echt geleerd heb – en de rest van mijn leven nog zal weten – valt niet in cijfers uit te drukken.

RECHT VAN SPREKEN

scan0001

Er is een hoop aan de hand in de wereld. Naar mijn idee gebeurt er ieder jaar meer. Waarschijnlijk is dat slechts een gevoel, veroorzaakt door twee ontwikkelingen. Ten eerste ben ik de afgelopen jaren ouder geworden, waardoor ik me meer ben gaan interesseren voor het nieuws. Mijn bronnen zijn niet meer beperkt tot de Kidsweek en het Jeugdjournaal. Dan iets wat niet alleen voor mij geldt: we hebben toegang tot steeds meer informatie. Vroeger hield het nieuws op na de avondkrant, nu kan een bericht van de andere kant van de wereld in luttele seconden bij ons zijn, zelfs om drie uur ’s nachts.

Het internet veroorzaakt een onophoudelijke nieuwsstroom. Dat zal ik niet goed of slecht noemen. Maar wat het internet ook biedt, is een kans om op al die gebeurtenissen te reageren. Over veel zaken heb ik een mening. Soms schroom ik niet deze (hier) te ventileren, maar vaak genoeg houd ik mijn mond. Natuurlijk vind ik iets van het vluchtelingenprobleem. Ik denk na over Keulen, Madaya, Parijs, maar laat me er niet altijd over uit. Ik vraag me soms af wat mijn mening toevoegt. En belangrijker: wie ben ik om er iets over te zeggen?

In de tijd waarin we leven, heeft vrijwel iedereen de kans om te vinden wat hij of zij wil. Op internet is hier eindeloos veel ruimte voor: op Facebook en Twitter verkondigen we aan de lopende band onze mening. Zonder helder standpunt lijk je niets voor te stellen. Nuance is nutteloos – statements maken, dat is van belang. We beroepen ons hierbij op de vrijheid van meningsuiting die in dit land geldt. In mijn hoofd klinkt geregeld de vraag: nemen wij niet veel te gemakkelijk de vrijheid om onze mening te uiten?

scan0002

Wat ik op internet steeds vaker tegenkom, zou ik willen omschrijven als ‘geschreeuw’: meningen in blokletters, die vooral heel erg tégen alles zijn. Wat we niet willen, wat we niet moeten doen, waarom iets niet goed is. Dit zijn allemaal meningen die volgens de wet uitgesproken mogen worden. Naar mijn idee zijn deze opinies hol en van weinig waarde. Soms vanwege een slechte argumentatie (‘Dat stond op Facebook!’), maar vaker vanwege een gebrek aan verdieping en verbreding. We kunnen in deze tijd putten uit enorm veel bronnen, ons baseren op allerlei visies en opinies. Maar we lijken selectiever dan ooit.

Er is behoefte aan duidelijkheid. ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons.’ Een midden lijkt uitgesloten. En dus worden mensen met heldere ideeën nagepraat, zonder dat men zich verdiept in een tegengeluid. Hoe kan je nu iets vinden, wanneer je niet weet hoe het alternatief klinkt? Ja, misschien luisteren we sporadisch naar de mening van een opponent. Maar dan luisteren we niet om te begrijpen, maar om te weerleggen. Of – nog treuriger – om te tweeten dat diegene “een teringlijer is die naar de hel moet”.

Dit lokt natuurlijk weer reacties uit van andersgezinden en uiteindelijk zijn we enkel bezig elkaar te overstemmen. We roepen steeds harder wat we vinden, zonder na te denken over het ‘waarom’ achter onze mening. Dat resulteert in leeg geschreeuw. Zo is onze vrijheid van meningsuiting op den duur niet veel meer waard.scan

Dit is een oproep om je open te stellen voor het alternatief. Om eens een andere krant te lezen. Om in gesprek te gaan met iemand waar je het niet mee eens bent – zonder vooroordelen, zonder vijandige houding. Of om een keer niets zeggen, wanneer je twijfelt over wat je vindt. Dat zou geen schande moeten zijn. Ik vraag niemand zijn mening voor zich te houden – slechts om deze op een andere manier te vormen. Zodat je steeds voor jezelf blijft denken. Volgens mij voeg je dan pas iets toe aan de discussie. Dan pas bezit je datgene wat een mening geldig maakt: recht van spreken.