Clubs

NASHVILLE | MET JE PRINCIPES OP DE BORST

Voor een paar dagen woonde ik op een haast lege campus. Mijn verdieping was verlaten, op een sporadische schoonmaakster na. Ik hoefde niet te wachten op de lift, er was geen rij in de kantine, maar pas met de aankomst van andere studenten begint Vanderbilt te leven. Het blijkt een divers gezelschap, anders dan de overwegend witte universiteit die ik uit Nederland ken. In andere opzichten is het juist een uniforme groep – en dat mag je letterlijk nemen. De meesten van hen zijn in een standaard tenue uit te tekenen: sneakers, shorts en een t-shirt. Natuurlijk zijn er ook meisjes in jurken, jongens in overhemden, maar ze zijn niet in de meerderheid. Over het algemeen zien de studenten hier eruit alsof ze naar de sportschool gaan, of net zijn geweest.

(Ik heb één keer de fout gemaakt het te vragen. ‘Did you have a nice work out?’ Dat gebeurt me niet nog eens.)

Een ontdekking die ik deed: elk shirt moet iets betekenen. Waar ik doorgaans opteer voor zwart, misschien een printje als ik in een gewaagde bui ben, moet er hier tekst op staan, of op z’n minst een symbolisch teken.

Toon me je t-shirts en ik zeg je wie je bent. Move in crew, freshman mentor, Vanderbilt student. Je zou zeggen dat dat laatste wel duidelijk is als je überhaupt op de campus rondloopt, maar zo werkt het niet blijkbaar. Het helpt dat je voor elke minimale prestatie een t-shirt krijgt uitgereikt: als je komt kijken bij een voetbalwedstrijd, aan het einde van de oriëntatieweek. ‘You made it,’ je hoort erbij.

Supporter van het footballteam, lid van de literary society, class of 2020. Thuis moet je raden in welk jaar iemand zit. Hier loopt men rond met identiteit, interesses en principes op de borst. Ook de bestickerde laptops en waterflessen verkondigen een duidelijke boodschap: dit is waar ik voor sta.

(Ik moet denken aan de spijkerjasjes die ik met mijn jaarclub liet maken. Er mocht absoluut geen jaartal of verenigingsnaam op staan – we wilden ze nog wel ‘gewoon’ kunnen dragen.)

Donderdag was het voor ons newcomers tijd om een keuze te maken. In een immense sporthal hadden zich alle denkbare clubs verzameld om een goede eerste indruk te maken op een stuk of zestienhonderd transfers en eerstejaars.

(De hal zelf, bekleed met meters en meters aan plastic gras, droeg daar niet echt aan bij.

‘It smells like feet, aldus een van mijn nieuw verworven vrienden. Ze had gelijk.)

Lichtelijk overweldigd baande ik mijn weg langs de tafels, terwijl me steeds dezelfde vraag gesteld werd:

‘Do you like math/puppies/God/…?’

Vul maar in – voor alles een club. Lacrosse, roeien, frisbee. Mock trial, robotics, trivia. Women in Computing, African Student Union, Europeans in America. Allemaal hadden ze snacks en goodies die je mee kon nemen. Maar geen t-shirts – die moest je verdienen.