JE VERZINT HET NIET

Processed with VSCO with f2 preset

Voor een ander ben ik een optimist, maar wanneer het aankomt op mijn eigen leven, ben ik erg goed in het uitgaan van de slechte afloop. Het heeft te maken met controle, denk ik – zolang ik maar op elk doemscenario voorbereid ben. Feit is dat je sommige dingen nu eenmaal niet in de hand hebt. Zo bleek ook op maandag drie april.

Ik zou niet eens weten hoe vaak ik al in een vliegtuig heb gezeten. Maar nog nooit eerder vloog ik alleen – zo’n vijfduizend kilometer. De overstap, dat was het heikele punt dat regelmatig door mijn hoofd jende. Er waren zeker vijf manieren waarop ik dacht mijn aansluiting te kunnen missen. Maar het scenario dat de werkelijkheid werd, had zelfs ik niet kunnen verzinnen.

Na negen uur stond ik bij de douane in Atlanta. (‘Zitten er dingen in je koffer die je er niet zelf ingestopt hebt?’ Eh, nee? Denk ik? Als dat wel zo was, zou ik het waarschijnlijk niet weten, toch?) Met een metro begaf ik me richting de gates, om daar te ontdekken dat mijn tweede vlucht vertraagd was. De acht uur die volgden spendeerde ik in rijen voor balies, hopend op nieuwe tickets, vriendelijk blijvend tegen chagrijnige medewerkers. Enerzijds begripvol, maar ook denkend: hoort dat niet andersom? Ik zat om het uur in de metro vanwege gatewijzingen en bezette talrijke harde stoeltjes naast de – goddank – aanwezige oplaadpunten voor je telefoon.

width=

Vlucht na vlucht werd gecanceled. Thunderstorms. In eerste instantie leek het idee van een overnachting op het vliegveld mij erg onaantrekkelijk, maar toen ik de grens van 24 uur geen slaap had overschreden, maakte het me niets meer uit. Er ging nog één vlucht, om tien voor twaalf ‘s avonds. Ik was te moe voor nieuwe doemscenario’s. Het zou hoe dan ook goedkomen: of het ging door, zodat ik naar Colette kon, om daar te slapen. Of het ging niet door, zodat ik naar een motel kon, om te slapen. Hoe dan ook zou ik slapen, binnen twee uur.

Of toch niet.

width=

We moesten wachten op een piloot, wat me de tijd gaf om nog wat te kletsen met de mensen die ik die dag ontmoet had. Stuk voor stuk wilden ze naar Roanoke Airport, sommigen al vanaf negen uur die ochtend. Gedeelde ellende verbindt, blijkbaar. Ik sprak een vrouw die terugkwam van de bruiloft van haar dochter, midden in Central Park, New York City. Een vrouw die Duitse les gaf op een universiteit, en er stiekem een lang weekend tussenuit was gegaan. Het meisje dat op en neer was gevlogen naar California, voor een begrafenis. Gezamenlijk staarden we naar de informatieborden, tot die de verlossende woorden toonden: now boarding.

Ik durfde pas opgelucht te zijn toen we vlogen – daadwerkelijk waren opgestegen, niet langer gehinderd door onweer en regen. We bereikten Roanoke, daalden, daalden, daalden – en stegen toen weer op, in een hoek die onnatuurlijk verticaal voelde. De krakerige stem van de piloot beantwoordde de waarom-vraag in mijn hoofd: teveel wolken. We konden niet landen. Wat volgde was een half uur gecirkel op verschillende hoogtes. Eigenlijk ben ik nooit bang in een vliegtuig, maar de combinatie van slaaptekort en stress nekte me. Ik was naarstig op zoek naar iemand die me zou vertellen dat het wel goed zou komen. Ik vond deze persoon in de man naast me, zo’n zestig jaar oud en met een stevig southern accent. Whatever happens, we’ll get you home.’

Processed with VSCO with g3 preset

Whatever happens‘, dat bleek het volgende te zijn. De wolken weken niet. Vanwege een gebrek aan brandstof zouden we naar Ralley vliegen, in North Carolina. Eenmaal daar kregen we te horen dat er maar één ding op zat: tanken, en dan terug naar Atlanta. We apologize and thank you for your patience. Ik belde voor de tiende keer met pap, die me er opnieuw van verzekerde dat het niet erg was dat ik hem continu wakker maakte vanaf de andere kant van de wereld. Colette vertelde ik dat zij en haar welkomstcomité maar moesten gaan slapen, na uren stand-by staan en wachten op het vliegveld. De helft van de passagiers verliet het vliegtuig, zonder koffers en met hoop op een huurauto. Ik pakte mijn kans en schoof wat armleuningen omhoog. Drie vliegtuigstoelen hebben nog nooit zo lekker gelegen.

Processed with VSCO with f2 preset

Vier uur ’s nachts en ik was weer terug bij af. Het vliegveld was verlaten, de inmiddels vertrouwde balies waren onbemand. Ik moest het doen met een muurtelefoon, waar ik een mevrouw aan de lijn kreeg die er hélemaal niks van snapte. ‘I’m sorry, what happened? Oh my god, you poor thing. We’re going to get this right. When I’m trying to get on a flight, I always say: you can even put me up on the wing, I’ll comb my hair when we get there.’

Processed with VSCO with f2 preset

De vlucht van kwart over acht, dat moest ‘m worden. Ik wilde nergens meer op hopen, maar we vertrokken. De zon scheen, maar ik wantrouwde elke wolk die ik door het vliegtuigraam zag. Elke vertraging, versnelling, stijging of daling wekte mijn argwaan. Ik kon maar aan één ding denken en probeerde deze gedachte richting de cockpit te sturen: zorg alsjeblieft dat we landen.

Processed with VSCO with g3 preset

En dat deden we. Het was half tien ’s ochtends, de zon scheen in een idyllisch Roanoke. Mijn koffer was (wonder boven wonder) met me meegereisd, ondanks de logistieke chaos. Nog een kwartier in de taxi, en toen stond ik voor de Crawford Hall. Na dertig uur, maar eigenlijk na acht maanden, konden Colette en ik elkaar tegemoet rennen en in de armen sluiten. Veel kleffer dan onze vriendschap ooit geweest was, maar nu voelde het geheel op z’n plaats.

Processed with VSCO with f2 preset

Dit was geen denderend begin, maar ik schreef er toch maar over. Want dat is wat ik altijd doe, en bovendien had ik de tijd, terwijl Colette haar midterm aan het maken was. Vrolijke verhalen vanuit Sunny Salem zullen zeker volgen!

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies. 

JE EIGEN LEVENTJE

FullSizeRender

Eind januari besloot ik dat het tijd werd om mijn eenpersoonspaleis in te ruilen voor een kamer in een studentenhuis. Door een combinatie van kieskeurigheid en een overvolle markt, heeft het even geduurd. Achttien mails, negen Facebookmessages, zeven berichten via Kamernet. Negentien uitnodigingen, elf afmeldingen, acht hospiteeravonden. Acht kamers vol glimlachjes, giechelende meisjes en chips waarvan nooit iemand eet. Zes keer een sms krijgen. ‘We vonden je supergezellig, maar helaas niet gezellig genoeg.’ Soms balen, soms niet echt. Maar sowieso denken: ik houd er leuke verhalen aan over. Bij deze.

FullSizeRender-1

‘Huize *** is op zoek naar een nieuwe huisgenootje! Per 30 februari komt er een kamer vrij in het allerleukste huis van Utrecht. Wij zoeken een meisje van minimaal 19 jaar – maar liever ouder – die weet wat het is om in een studentenhuis te wonen. We willen namelijk geen jonkie die we nog moeten leren koken of schoonmaken en bovendien moet je wel lekker op tempo mee kunnen zuipen. We zoeken iemand die enthousiast, gezellig, spontaan, sportief, knap en hilarisch is. Je drinkt graag wijntjes, doet graag drankjes en dansjes en je bent een beetje verslaafd aan Netflix. (Verder heb je hopelijk nog wel een authentieke hobby die jou er op de hospi uit laat springen, anders zijn we je aan het einde van de avond alweer vergeten.) We zijn een heel hecht huis met elke week een huisavond, maar ook huisweekenden, tripjes naar Berlijn en een kerstdiner in maart. We zoeken dus iemand die hiervoor in is, maar ook al écht haar eigen leventje heeft opgebouwd in Utrecht.’
FullSizeRender-4

In de voorstelronde probeer je een balans te vinden tussen deze ideale huisgenoot en de persoon die je echt bent. Want je danst inderdaad graag tijdens het uitgaan, liefst op foute hitjes die je hard en vals kan meezingen. Maar soms heb je het om twee uur wel gezien, val je half in slaap in een wc-hokje en besluit je maar naar huis te gaan. Daar heb je vrede mee. Je hebt geen pertinente hekel aan studeren. De favoriete huisseries heb je niet gezien. Prison Break niet. Breaking Bad niet. House of Cards niet. Je volgde wel trouw Wie is de Mol en van Modern Family kan je sommige afleveringen meepraten. Een deel vertel je, een deel besluit je strategisch te verzwijgen, afgaand op het soort avond waar je terecht bent gekomen. Om je een idee te geven:

Het onderonsje. Iedereen kent iedereen en anders op zijn minst één iemand. (‘Bij wie zit jij in de club dan? Bij Annabel? Nouuuu, wat toevallig! Ik heb met haar op de basisschool gezeten!’)

Het huis waar de overloop (3m2) ook de keuken en de woonkamer blijkt te zijn.

Het ongemakkelijke half uur. Na tien minuten loopt de secuur geprepareerde vragenlijst ten einde en beginnen er stiltes te vallen. Een zeldzaamheid op een hospiteeravond vol meiden. Maar hier is de helft niet komen opdagen. Er staan geen bierflesjes in de hoek, geen teksten op de muur, geen vaat op het aanrecht. Er is geen muziek – het enige geluid komt van de hamster die rondrent in zijn kooi. Je denkt wel kans te maken op de kamer, maar zegt het af, omdat je het gevoel hebt dat je anders bij twee veertigjarigen komt te wonen.

FullSizeRender-3

Het feest. Iedereen neemt bier mee, van kennismaken komt het niet echt – daarvoor staat de muziek te hard. Wie de kamer krijgt, wordt bepaald middels een rietadtcompetitie.

De bovenverdieping met de huisbaas die daaronder woont. (‘Hij heeft oorsuizen, dus je mag niet te veel met de stoelen schuiven. Hij wil alleen meisjes, omdat de toonhoogte van onze stemmen hem beter bevalt. Soms staat hij ineens in de gang. Wil ‘ie even babbelen. Ja, hij is echt heel geïnteresseerd in onze levens. Daarom wil hij ook eerst uitgebreid met je praten, voordat je hier komt wonen. Oh, en vanuit jouw kamer zie je hem soms halfnaakt yoga’en op het balkon. Maar verder is hij heel oké hoor. Echt.)

De diepe teleurstelling. Alles klopt: gezellig, licht, schoon zelfs. Het klikt. Het lijkt te mooi om waar te zijn – en dat is het ook. Je eindigt als derde. Hierna wil je nooit meer hospiteren.

Het semi-verenigingshuis. (‘Eigenlijk is alleen Noor lid, maar wij vinden het ook superlachen allemaal. Als je onze HJ wordt moet je trouwens wel een jaar lang alle afwas doen. Vo.’)

De kamer die eigenlijk een kast is.

FullSizeRender-2

De laatste. Je probeert op niets meer te hopen, en dat bevalt eigenlijk wel. Ook hier is het mooi, schoon, nieuw – de woonkamer is nog een lege ruimte, de tuin (!) slechts een gat in de nacht. Ook de kamer is donker – met een telefoon wordt bijgeschenen, maar je vergeet hoe het er eigenlijk uitzag. Op tafel staan chips die daadwerkelijk gegeten worden. Je praat zonder al te veel na te denken. Over het fijnste park van de stad, over Barcelona, over creativiteit. Je geeft toe dat je geen biertje openkrijgt met een aansteker. Je vertelt dat je het belangrijk vindt om ook elkaars ochtendhumeur, studiestress of irritante verliefdheid de ruimte te geven. Je loopt naar buiten. Misschien is dit het – de plek waar je eigen leventje zich zal gaan afspelen.

Twintig minuten later word je gebeld. Ondanks het feit dat je Eline Iris noemde en Kelly Amber, ondanks je ietwat zweverige verhaal over filosofie en het feit dat je nooit weet wat je moet koken. ‘Je bent het geworden. We vonden je een topwijf.’

LICHTROZE

fullsizeoutput_2af

Het is noodgedwongen knus in de trein. Ik weet een zitplek te bemachtigen naast een meisje gehuld in alles lichtroze. Vanonder haar (lichtroze) pet bekijkt ze een vlog op haar (lichtroze) telefoon. Een filmpje waarin iemand autorijdt, kookt en de kak van de hond opruimt. Dikke zwarte wimpers rusten boven haar (lichtroze) wangen, doen haar ouder lijken dan ze waarschijnlijk is. Een voorzichtige glimlach speelt rond haar (lichtroze) lippen. Uit haar tas haalt ze een Rubik’s Cube.

Ik zou twijfelen. Ik zou denken dat één verkeerde wending de oplossing onmogelijk zou maken. Ik zou de vierkanten liever ongeschonden laten, en anders zou ik voorzichtig zijn. Mijn zetten proberen te onthouden, om ze vervolgens achterwaarts weer uit te voeren.

Maar zij – met een jaloersmakende vastberadenheid draait ze de blokjes in het rond. Schijnbaar achteloos, buitengewoon effectief. Binnen drie minuten vertoont haar kubus weer zes egaal gekleurde vlakken. Rood, geel, groen. Blauw, wit, oranje.

(Alleen hier ontbreekt lichtroze.)

Ik zou het ding nooit meer aanraken. Hem op een zichtbare plaats zetten, als een trofee van doorzettingsvermogen. Ik zou uitermate tevreden zijn met mezelf.

Zij is dat niet – niet hierom, in ieder geval. Elke nieuwe oplossing resulteert slechts in een zucht en een blik op de vlog, waarin iemand netflixt of tandenpoetst. Vervolgens creëert ze automatisch een nieuw probleem, met een paar gedecideerde wendingen van haar vingers – haar nagels lichtroze gelakt.

fullsizeoutput_2b2

ELKE AFSTAND OOIT

Ik zou nog één keer gaan rijden. Niet ver, niet lang – net genoeg om de motor door zijn winterdip heen te helpen. Dunne jas, snelle schoenen, blote ogen. Mijn koude vingers draaien de gashendel open. Een lichte sputter, dan ben ik weg.

Hoe anders was dat anderhalf jaar geleden. De zomer liep tegen zijn einde toen Mart voor het eerst bij mij achterop zat, in plaats van andersom. Een toeziend oog terwijl ik de draaicirkel verkende, mijn rechterslipper verloor, steeds wat meer gas durfde te geven. Daarna liet hij me gaan.

Ik vond het niets voor mij en ik was niet de enige. Misschien voelde de vrijheid daardoor extra groot – groter dan die eerste rit langs de weilanden mogelijkerwijs kon veroorzaken. Het was meer dan de warmte die zon, asfalt en uitlaat samen produceerden. Het was meer dan het gedonder in mijn oren, overstemd door de motor, overstemd door een stem die riep dat ik mijn knipperlicht aan had laten staan.

Het was meer dan de afstand die we aflegden, slechts van het ene dorp naar het ander. Het was elke afstand die ooit zou kunnen bestaan, door de combinatie van nergens heen hoeven maar overal heen kunnen gaan – met slechts een paar sleutels en een zonnebril.

(Het was de verbazing dat ik daar zo van kon genieten.)

Ook nu heb ik niets bij me – geen telefoon, geen portemonnee en dus geen rijbewijs. Alleen dat laatste doet me omkeren, na langer dan verwacht. Terug over de eeuwige weg, waar aan het einde Ruud staat te wachten. Ruud-van-Marktplaats, maar vooral zijn zoon-van-bijna-zestien. Ik zie hem gluren, het verlangen brandt rood op zijn wangen. Ze is in goede handen.

width=

LIEF

Het ene moment maak je je druk om een foundationvlek op een wit shirt, het andere moment zet een levende foundationvlek zijn handtekening onder meerdere waanzinnige decreten. Schijnbaar moeiteloos drukt hij zijn zin door. Wie denkt die man wel niet dat hij is?

De president van Amerika.

Oh ja. Fuck.

In deze grote chaos die de wereld heet, focus ik me soms liever op kleine dingen. Ik spaar situaties. Momenten waarop mensen iets doen of juist laten, ze mij onwillekeurig laten glimlachen. Vandaag lijkt me een goed moment om ze te delen. Uit de categorie ‘lief’.

De jongen die over Utrecht Centraal loopt met een mega-bos rozen.

De mevrouw die zachtjes meezingt met een liedje in de supermarkt.

De man in pak op de fiets, met een aktetas vol chips.

De buschauffeur die de uitstappers bij elke halte een fijn weekend wenst.

Automobilisten die in Amsterdam stoppen voor duiven op de weg.

De – mij totaal onbekende – meneer naast me in de trein, die met een schuin oog meekijkt terwijl ik foto’s aan het bewerken ben, en me vervolgens complimentjes geeft over de compositie en de kleuren. En dat ik zeker door moet gaan met fotograferen. (Dit alles in het Limburgs. Extra lief.)

De jongens die op zondagochtend in hockeytenue door de stad sjouwen met bierkratten – gevuld met chocomel.

Het meisje tegenover me met zichtbare binnenpretjes.

De kassajongen bij de Appie die vriendelijk naar me glimlacht als ik vraag of ik mag pinnen, in plaats van met zijn ogen te rollen, omdat ik sowieso al bij de pinkassa sta.

Lief.

Omdat ik begrijp dat je de grote zaken des levens niet zomaar kan negeren, maken de tips een comeback.  Ik snap dat ik nog jong ben, er vast allemaal niets van snap of je dingen vertel die je allang weet. Maar dat kan me niet zoveel schelen – even iets minder lief. Om de ellende in de wereld enigszins te beperken:

1. Draag bij aan dit soort momenten. Geef mij situaties om te sparen.  Wijs mensen de weg, leen hen je powerbank, help oude omaatjes de trein uit. Bel je eigen oma. Houd complimenten niet in je hoofd. Wens de caissière een fijne dag, ook al is ze een stuk chagrijn. Misschien heeft ze gewoon een kutdag. Weet jij veel. 

2. Spreek je uit met je stem. Lees je in, kijk #POLERTIEK, koop een (online) krant. Er komt een initiatief aan voor jonge kiezers, tussen de 18 en 25 jaar (klik), om hen te helpen een goede keuze te maken.

3. Spreek je uit met je stem – je échte stem, niet alleen door op 15 maart een hokje in te kleuren. Dit is het moment om vooral niet je schouders op te halen. Laat je horen over racisme, seksisme, al is het op kleine schaal. Heeft dat zin, kan je je afvragen – wie heeft er een boodschap aan mij? Je kan het ook omdraaien: als jij het niet doet, wie dan wel?

GROEN EN GOUD

fullsizeoutput_2a4

Het was een winterdag zoals ieder die wenst: zon, strakblauwe hemel en rijp die kraakt onder je schoenen. Kortom, de perfecte gelegenheid om ons door de vrijdagmiddagmenigte de stad in te werken, op zoek naar outfits die na één feestelijke avond het daglicht niet meer zouden kunnen verdragen. Een themadiner in Leiden – mijn focus was groen.

Bestemming één: So Low – ik ben er nog niet helemaal uit of die naam duidt op de prijs van de spullen, of de kwaliteit ervan. Focus is van groot belang in dit soort winkels, waar ze feestartikelen verkopen, maar ook afwasteiltjes, huidkleurige Spanx en hondenhalsbanden met swarovskikristallen.

(‘Swarovskikristallen’)

Mijn groene filter resulteerde in een mandje vol nepwimpers en glinsterende rokjes (zie boven), maar zorgde er ook voor dat ik regelmatig enthousiast op een item af dook, wat vervolgens wel groen bleek te zijn, maar niet echt bruikbaar, omdat het inderdaad een hondenhalsband met swarovskikristallen was. Of een afwasteiltje.

Dan naar Primark, ontmoetingsplaats van behoorlijk wat ellende. Passief-aggressieve vriendjes en echtgenoten, verkoopsters met lege blikken, jengelende kinderen, oranje foundationvlekken op elk wit t-shirt. Dit alles, omgeven door een symbolische zweetlucht, resulteert in een lusteloze meligheid waar geen ontkomen aan is.

We struinden langs de volle rekken. Lakleren rode rokjes. Shirts – kriebelige stof. Een push-up sportbeha bungelde aan een hanger tussen de goudkleurige sieraden – daar zijn keuzes gemaakt. Tweede verdieping. Warm. Waarom is het hier zo druk? Camouflageleggings voor mannen, bontjassen voor baby’s. Kelder, strings zover het oog reikt. Toch maar zo’n flubberig t-shirt? Lagen die niet hier? Honderden roze pakjes panty’s, neonkleurige bikini’s, peutershirts met de kreet ‘Believe in yourself’. Wat doen al die mensen hier?

We raakten onze focus enigszins kwijt.

Moe. ‘Deze winkel zuigt alle energie uit me,’ verzuchtte ik tegen Mienke. Ze herinnerde me er liefjes aan dat ik de afgelopen nacht om vijf uur nog wakker was, ik door de verstilde nacht naar huis fietste, elk poging tot geluid gedempt door de winter.

Naar huis in eenzelfde roes. Achterbank vol tassen, wij voorin. Ik dacht aan wat ik nog moest doen. Koffers pakken, bijles geven, een verloren uurtje slapen. Leiden, Schiphol, Parijs. Beyoncé zong Etta James, wij zongen mee terwijl we tussen de bomen door de bocht om draaiden, richting de laaghangende zon. Een groene dag met een gouden randje.