ELKE AFSTAND OOIT

Ik zou nog één keer gaan rijden. Niet ver, niet lang – net genoeg om de motor door zijn winterdip heen te helpen. Dunne jas, snelle schoenen, blote ogen. Mijn koude vingers draaien de gashendel open. Een lichte sputter, dan ben ik weg.

Hoe anders was dat anderhalf jaar geleden. De zomer liep tegen zijn einde toen Mart voor het eerst bij mij achterop zat, in plaats van andersom. Een toeziend oog terwijl ik de draaicirkel verkende, mijn rechterslipper verloor, steeds wat meer gas durfde te geven. Daarna liet hij me gaan.

Ik vond het niets voor mij en ik was niet de enige. Misschien voelde de vrijheid daardoor extra groot – groter dan die eerste rit langs de weilanden mogelijkerwijs kon veroorzaken. Het was meer dan de warmte die zon, asfalt en uitlaat samen produceerden. Het was meer dan het gedonder in mijn oren, overstemd door de motor, overstemd door een stem die riep dat ik mijn knipperlicht aan had laten staan.

Het was meer dan de afstand die we aflegden, slechts van het ene dorp naar het ander. Het was elke afstand die ooit zou kunnen bestaan, door de combinatie van nergens heen hoeven maar overal heen kunnen gaan – met slechts een paar sleutels en een zonnebril.

(Het was de verbazing dat ik daar zo van kon genieten.)

Ook nu heb ik niets bij me – geen telefoon, geen portemonnee en dus geen rijbewijs. Alleen dat laatste doet me omkeren, na langer dan verwacht. Terug over de eeuwige weg, waar aan het einde Ruud staat te wachten. Ruud-van-Marktplaats, maar vooral zijn zoon-van-bijna-zestien. Ik zie hem gluren, het verlangen brandt rood op zijn wangen. Ze is in goede handen.

width=

LIEF

Het ene moment maak je je druk om een foundationvlek op een wit shirt, het andere moment zet een levende foundationvlek zijn handtekening onder meerdere waanzinnige decreten. Schijnbaar moeiteloos drukt hij zijn zin door. Wie denkt die man wel niet dat hij is?

De president van Amerika.

Oh ja. Fuck.

In deze grote chaos die de wereld heet, focus ik me soms liever op kleine dingen. Ik spaar situaties. Momenten waarop mensen iets doen of juist laten, ze mij onwillekeurig laten glimlachen. Vandaag lijkt me een goed moment om ze te delen. Uit de categorie ‘lief’.

De jongen die over Utrecht Centraal loopt met een mega-bos rozen.

De mevrouw die zachtjes meezingt met een liedje in de supermarkt.

De man in pak op de fiets, met een aktetas vol chips.

De buschauffeur die de uitstappers bij elke halte een fijn weekend wenst.

Automobilisten die in Amsterdam stoppen voor duiven op de weg.

De – mij totaal onbekende – meneer naast me in de trein, die met een schuin oog meekijkt terwijl ik foto’s aan het bewerken ben, en me vervolgens complimentjes geeft over de compositie en de kleuren. En dat ik zeker door moet gaan met fotograferen. (Dit alles in het Limburgs. Extra lief.)

De jongens die op zondagochtend in hockeytenue door de stad sjouwen met bierkratten – gevuld met chocomel.

Het meisje tegenover me met zichtbare binnenpretjes.

De kassajongen bij de Appie die vriendelijk naar me glimlacht als ik vraag of ik mag pinnen, in plaats van met zijn ogen te rollen, omdat ik sowieso al bij de pinkassa sta.

Lief.

Omdat ik begrijp dat je de grote zaken des levens niet zomaar kan negeren, maken de tips een comeback.  Ik snap dat ik nog jong ben, er vast allemaal niets van snap of je dingen vertel die je allang weet. Maar dat kan me niet zoveel schelen – even iets minder lief. Om de ellende in de wereld enigszins te beperken:

1. Draag bij aan dit soort momenten. Geef mij situaties om te sparen.  Wijs mensen de weg, leen hen je powerbank, help oude omaatjes de trein uit. Bel je eigen oma. Houd complimenten niet in je hoofd. Wens de caissière een fijne dag, ook al is ze een stuk chagrijn. Misschien heeft ze gewoon een kutdag. Weet jij veel. 

2. Spreek je uit met je stem. Lees je in, kijk #POLERTIEK, koop een (online) krant. Er komt een initiatief aan voor jonge kiezers, tussen de 18 en 25 jaar (klik), om hen te helpen een goede keuze te maken.

3. Spreek je uit met je stem – je échte stem, niet alleen door op 15 maart een hokje in te kleuren. Dit is het moment om vooral niet je schouders op te halen. Laat je horen over racisme, seksisme, al is het op kleine schaal. Heeft dat zin, kan je je afvragen – wie heeft er een boodschap aan mij? Je kan het ook omdraaien: als jij het niet doet, wie dan wel?

GROEN EN GOUD

fullsizeoutput_2a4

Het was een winterdag zoals ieder die wenst: zon, strakblauwe hemel en rijp die kraakt onder je schoenen. Kortom, de perfecte gelegenheid om ons door de vrijdagmiddagmenigte de stad in te werken, op zoek naar outfits die na één feestelijke avond het daglicht niet meer zouden kunnen verdragen. Een themadiner in Leiden – mijn focus was groen.

Bestemming één: So Low – ik ben er nog niet helemaal uit of die naam duidt op de prijs van de spullen, of de kwaliteit ervan. Focus is van groot belang in dit soort winkels, waar ze feestartikelen verkopen, maar ook afwasteiltjes, huidkleurige Spanx en hondenhalsbanden met swarovskikristallen.

(‘Swarovskikristallen’)

Mijn groene filter resulteerde in een mandje vol nepwimpers en glinsterende rokjes (zie boven), maar zorgde er ook voor dat ik regelmatig enthousiast op een item af dook, wat vervolgens wel groen bleek te zijn, maar niet echt bruikbaar, omdat het inderdaad een hondenhalsband met swarovskikristallen was. Of een afwasteiltje.

Dan naar Primark, ontmoetingsplaats van behoorlijk wat ellende. Passief-aggressieve vriendjes en echtgenoten, verkoopsters met lege blikken, jengelende kinderen, oranje foundationvlekken op elk wit t-shirt. Dit alles, omgeven door een symbolische zweetlucht, resulteert in een lusteloze meligheid waar geen ontkomen aan is.

We struinden langs de volle rekken. Lakleren rode rokjes. Shirts – kriebelige stof. Een push-up sportbeha bungelde aan een hanger tussen de goudkleurige sieraden – daar zijn keuzes gemaakt. Tweede verdieping. Warm. Waarom is het hier zo druk? Camouflageleggings voor mannen, bontjassen voor baby’s. Kelder, strings zover het oog reikt. Toch maar zo’n flubberig t-shirt? Lagen die niet hier? Honderden roze pakjes panty’s, neonkleurige bikini’s, peutershirts met de kreet ‘Believe in yourself’. Wat doen al die mensen hier?

We raakten onze focus enigszins kwijt.

Moe. ‘Deze winkel zuigt alle energie uit me,’ verzuchtte ik tegen Mienke. Ze herinnerde me er liefjes aan dat ik de afgelopen nacht om vijf uur nog wakker was, ik door de verstilde nacht naar huis fietste, elk poging tot geluid gedempt door de winter.

Naar huis in eenzelfde roes. Achterbank vol tassen, wij voorin. Ik dacht aan wat ik nog moest doen. Koffers pakken, bijles geven, een verloren uurtje slapen. Leiden, Schiphol, Parijs. Beyoncé zong Etta James, wij zongen mee terwijl we tussen de bomen door de bocht om draaiden, richting de laaghangende zon. Een groene dag met een gouden randje.

WEEK 5 | (TUSSEN)TIJD

IMG_8029.JPG

Een week na mijn uitschrijving bevind ik me alweer tussen de ballonnen en brochures bij de Universiteit Utrecht. Verschil met twee jaar geleden is dat ik er nu in drie minuten naartoe kan fietsen – met mam achterop. Posters met foto’s van modelstudenten tekenen de muren, echte studenten in rode jassen wijzen ons de weg. We schuiven aan in volle zalen, waar norse vaders vragen stellen voor hun dochters, alsof nog niet besloten is wie van hen er eigenlijk gaat studeren.

(Mijn moeder gaat voor de gezelligheid mee, zoveel is duidelijk.)

Ik blijk nog steeds verliefd op de witte bibliotheek, waar duizenden boeken de planken kleuren en als vanzelf een fluistertoon afdwingen. Tezamen met andere nog-niet-studenten loop ik tussen de al-wel-studenten, die eruitzien alsof ze hele serieuze dingen doen op laptops, maar waarvan vast wel een deel Bubble Shooter speelt – het is tenslotte zaterdag.

Er is eigenlijk maar één rake opmerking en een goed gevoel voor nodig. Een week later heb ik een meeloopdag en is het besloten. Ik zal wel doen alsof ik nog open sta voor andere opleidingen, andere steden, maar in feite staat het vast: in september begin ik met Taal- en cultuurstudies in Utrecht.

Dan nog de tussentijd.

Wanneer alle verwachtingen wegvallen, blijft er één ding over: wat verwacht je van jezelf? Niet erg veel, in eerste instantie – het liefst wilde ik slapen tot het september was. Ik hoefde maar een halve keer te denken aan de film die ik twee jaar geleden maakte, om te snappen dat ik daar niet erg gelukkig van zou worden. Op zoek dus, naar nieuwe dingen om te willen.

Er zijn geen structuren om me op te beroepen, geen lessen, deadlines of verplichtingen meer. Er is niemand die eveneens geen lessen, deadlines of verplichtingen heeft. En dus trek ik mijn eigen plan, los van alles en iedereen. Ik ga mijn eigen structuur creëren – ik zorg wel dat het past.

Ik wil nog één keer verdwalen in Parijs, me verkijken op de lange straten die uitzichten bieden die dichterbij lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Toch geregeld andermans leven binnenstormen, hun kamers met of zonder deur, voor een bed of een feest of gewoon voor hen, omdat we nog steeds graag naar elkaars verhalen luisteren. Ik wil met Mart prijswinnende hamburgers eten tussen de homokroegen. Ik wil minder zooi in mijn leven. Ik wil dingen leren omdat ik die behoefte voel, ook wanneer niemand dat van me verwacht. Ik wil niet gaan backpacken in Azië, hoewel sommige mensen dat wel schijnen te verwachten. Ik wil vliegen, in mijn eentje naar het grootste vliegveld ter wereld, naar een nieuwe staat waar een oude vriendin op me zal wachten. Ik wil dingen leren aan anderen, omdat ik daar zelf heel blij van word.

Ik wil weer ongeremd enthousiast zijn, middernachtelijke schrijfsessies toelaten, voice-overs inspreken in mijn koptelefoontjes. Films blijven maken, omdat het zonder school ook kan. Ik wil uit met mensen die ik eigenlijk niet goed genoeg ken. Ik wil muziek draaien, het volume opvoeren tot het klinkt als een liveconcert in mijn hoofd, totdat ik elke hum en klik en klap kan scheiden, de meerstemmigheid kan ontleden. Ik wil muziek maken, richels in mijn vingers spelen, mijn stem als instrument ontdekken.

Ik wil om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden, me in gedachten verontschuldigen tegenover mijn buren. Ik wil mijn kansen iets meer spreiden. Weer gaan studeren, maar óók iets meer het leven leiden dat daarbij hoort (en daardoor om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden). Misschien zelfs mijn  paleisje verlaten voor een studentenkamer, inclusief leuke huisgenoten (en een keuken waar niemand kookt, een badkamer waar de schimmels welig tieren). Misschien ook nog even niet.

Ik wil over stations rennen, richting treinen die ik wel of niet zal halen. Rennen om het rennen, want in feite heb ik de tijd. Tijd die ik geen tussentijd meer zal noemen, omdat zoiets niet bestaat – het is tijd op zich, net als anders.

En zo werden al die plannen dan uiteindelijk realiteit. Voor de nieuwsgierige aagjes, een concreet lijstje in willekeurige volgorde:

  • Op bezoek bij Colette – in Amerika (!)
  • Een cursus camerajournalistiek, omdat ik mezelf niet alles kan leren.
  • Een tijdje lesgeven op mijn oude school, over filosofie en kunst en creativiteit. Niet dat ik daar opeens een diploma voor heb, maar het mocht.
  • Verhuizen – misschien, want ik ben redelijk verknocht geraakt aan mijn plekje in de binnenstad. Maar als iemand nog een kamer weet? In het centrum of zo? Ik houd me aanbevolen.
  • Lid worden bij een vereniging in Utrecht (Histos). Vorig jaar aangemeld en ingeloot, maar ik deed het uiteindelijk niet, want te druk. Pfft. Dus als iemand een goed woordje voor me wil doen?
  • Nog weinig concreet, maar toch: films maken, laten mislukken, weggooien, alsnog het internet op slingeren. Schrijven, tekenen, spelen. Fotograferen, op zangles. Creatief zijn omdat het me blij maakt. (Behalve die zangles. Doodeng vind ik het. Maar ik ga toch.)
  • Na het schrijven van dit stuk onder de douche gaan staan. Het is halftwee ’s nachts. Sorry buren.

Lieve allemaal, bedankt voor het lezen. En voor de gesprekken en berichten vol vertrouwen, toen ik dat zelf een beetje kwijt was. Ik doel op meer vrolijke verhalen de komende tijd. Al heeft deze reeks ook een goed einde.

WEEK 4 | DANSEN OP TAFEL

9r7a9763

Voor mijn zevende verjaardag kreeg ik het boek ‘Matilda’ cadeau. Ik leek een klein beetje op haar. Ik had geen hysterische bingomoeder of een corrupte vader, geen chubby broer en geen tiran als schoolhoofd. Ik was geen rekenwonder, verstopte nooit papegaaien in de schoorsteen. Het telefoonboek was niet het enige boek dat we in huis hadden.

Al met al was ik geen kindergenie met een traumatische jeugd. Maar ik las wel graag, vlug en veel, net als Matilda. Ik wílde vooral graag op haar lijken. Een heldin was ze, stoer en vol grootse plannen – wie weet ligt bij haar het begin van mijn feministische inborst. Met al haar overtuiging kon ze voorwerpen laten bewegen met haar ogen. Reken maar dat ik verscheidene minuten van mijn leven starend heb doorgebracht, in de ijdele hoop een potlood te kunnen laten vliegen. Toen ik de verfilming ontdekte, was mijn favoriete scène dan ook die waarin Matilda dansend op tafel de hele huisraad de lucht in tovert. Ook vanwege de vrolijkste soundtrack ooit (klik). Kom ik zo op terug.

Eerst naar het nu, bijna twaalf jaar later. Op l’autoroute laten we suikerspinroze luchten achter ons terwijl we richting het noorden rijden. Het was fijn in Parijs. Alleen even auto’s op de weg om de lucht te klaren. Een supermarkt met lift, vissen op ijs en bijbehorende geur. Een restaurant met koud licht en ijsberenstickers op de ramen, want het is bijna kerst. De eigenaar geeft me een hand, ik eet toast met foie gras tegen mijn principes in. Mierzoete wijn en dan naar huis, door de stad waar alles zeshoog in het rond loopt – en ik dus ook.

Waar de bakkers tot acht uur ’s avonds nog de geur van stokbrood door de straten sturen. Tussen de pubers met een dubbele portie ‘je ne sais quoi’ (want Parijs én puber). Langs hekken vol stepjes aan een kettingslot – steppen is het nieuwe scooteren, let maar op. Een weekend waarin mijn familie dichterbij dan ooit was – op zo’n Frans terras delen we maximaal twee vierkante meter.

Maar nu dus op de terugweg. Mam rijdt, ik doe de muziek. Al is er van ‘doen’ niet echt sprake – ik schud enkel mijn afspeellijst met favorieten. We naderen de geruisloze Nederlandse wegen, en daarmee ook mijn deadline. De get-your-shit-enigszins-together-deadline. Ga-nou-genieten-van-je-vrije-half-jaar-deadline. We praten, vooruit starend naar het Belgische asfalt. En dan klinkt dat ene liedje. ‘Je kan alles in beweging zetten,’ zegt mam, met een knikje naar de radio. ‘Dat doet zij ook.’

Met die woorden kan ik nog steeds niets laten vliegen. Maar naar Matilda’s voorbeeld zal ik dansen op tafel.

En dus ging ik aan de slag. Ik struinde het internet af, begon langzaam mijn notitieboek weer te vullen, regelde vliegtickets en maakte eindeloos veel lijstjes. Wat daarop staat lees je volgende week, in de laatste van de reeks!

VANDAAG KOCHT IK EEN MUTS

fullsizeoutput_57

Vandaag kocht ik een muts.

Ik fietste naar het station en de ijzige wind leek zich volledig op mijn voorhoofd te concentreren. De kou legde zowel mijn brein als mijn fronsspieren lam.* ‘Kou is een emotie,’ aldus een vriendin van me, en emoties kunnen uitgeschakeld worden. Nu werkt dat voor mij eerder andersom en schakelen de emoties mij soms uit. Zo geldt dat ook voor de kou.

Mijn gevoelens stop ik niet meer weg, maar wat betreft de winter hanteer ik één remedie: ontkenning. Doen alsof het niet vriest en hopen dat ik het vervolgens daadwerkelijk niet zal voelen. Mijn benen kleuren rood onder mijn panty’s, de wind giert door mijn jas-die-maar-met-een-knoop-dicht-kan en als de zon schijnt is het tijd voor een lentejack. Niet dat het werkt, behalve bij het oplopen van een verkoudheid, maar ik moet iets. Zeker aangezien ik nog ingesteld ben op het zevenentwintig-graden-met-een-briesje-klimaat van Curaçao, waar het aantrekken van een broek al onnatuurlijk voel, laat staan het opzetten van een muts. Binnen een dag ging ik van een bikini als volwaardige outfit naar de behoefte om mijn dekbed mee naar buiten te nemen.

Daar tussenin zat een vliegreis. Ik weet dat ik niet mag klagen omdat ik zojuist een hele fijne vakantie heb gehad en dat het hartstikke fijn is dat het ding me in luttele uren naar de andere kant van de wereld brengt, maar afgezien daarvan: doffe ellende. Met als hoogtepunt de familie die naast me in het gangpad een conferentie besluit te houden over een blik pinda’s dat iemand al dan niet meegenomen zou hebben, terwijl de jongste van het gezin constant ‘Papa. Pap. Pap. Papa!’ roept, als de geëmancipeerde versie van Family Guy. Vraag me niet waarom, ik was niet uitgenodigd. Desondanks kon ik het prima verstaan. Ondertussen voelde ik hoe mijn zorgvuldig opgebouwde vakantiekleurtje door de airco van mijn gezicht af geblazen werd. Gelukkig werd ik vanochtend wakker in een besneeuwd Nederland. Wat betreft het ontkennen van de kou hielp dit niet mee, maar mijn gezicht leek haast oranje te midden van al dat wit.

Totdat ik er dus een pas gekochte muts overheen trok. Er ging twijfel aan vooraf: zou ik doorzetten, mijn fiets parkeren, over de gracht naar de winkels glibberen, daardoor extra kou lijden maar wel eindigen met een muts voor de lange termijn? Of ging ik voor het snelle succes, haastig door naar het station waar er hopelijk een warme trein op me zou wachten, om de volgende dag mijn voorhoofd weer te voelen kraken als een ijsklontje? (Dit zijn de dilemma’s waar ik me zoal mee bezighoud.) Ik besloot te investeren in een stoffelijk pensioen, dat zich de rest van de winter zou terugbetalen in de vorm van warmte en – echt wel – geluk.

Vandaag kocht ik een muts.

*Is dit ooit onderzocht? Met je rimpels in een bak ijs gaan liggen lijkt mij een prima alternatief voor botox.

WEEK 3 | TIJD EN RUIMTE

Om halfzeven besluit ik uit bed te gaan. Al vanaf halfvijf lig ik naar het plafond te staren en zelfs op dit uur is dat verspilde tijd. Dus bind ik mijn haren in een poging-tot-staartje en klik ik een lichtgevende band vast rond mijn bovenarm – speciaal voor jou, mam. Met enkel mijn huissleutel in het ritsvakje boven mijn billen trek ik de voordeur achter me dicht.

Naar rechts in plaats van links. De straten zijn donker en verlaten – niemand die mijn rode hoofd zal zien. Ik zet koers richting de Dom.

Een enkele lege bus haalt me in, een veegmachine overstemt mijn muziek. Bij iedere passant vraag ik me af of ze al wakker zijn, of nog steeds. Soms is het overduidelijk, gezien de zigzaggende lijnen die worden afgelegd. Een meisje komt me tegemoet. Ze kijkt verdwaasd op van haar telefoon – vanwege alcohol, of toch dat rode hoofd van mij. Haar benen zijn bloot en haar jas lijkt gestolen. Tenminste – er staat ‘Willem’ op de rug. Ze kan hem natuurlijk geleend hebben. Gekregen, van Willem. Misschien heet zij wel Willem. Wie zal het zeggen.

Misschien loop ik volgend jaar ook door de stad om half zeven, zonder lichtgevende armband maar met een jas waarop niet-mijn-naam staat. Dit jaar behoorde ik tot een andere groep. Op weg naar school kon ik raden wie erbij hoorde en wie niet. Mensen met slechts een rugzak gingen rechtdoor naar de hogeschool. Mensen met tekeningenkokers, hutkoffers of totaal ondefinieerbare objecten onder hun snelbinders sloegen linksaf. (De mensen met blauw haar meestal ook.)

De school hing vol met woorden, beelden, installaties. De kunstacademie was daadwerkelijk vol kunst. Soms ontging het me – één keer dacht ik dat het afval was.

(Sorry.)

(Mijn eigen werk werd vervolgens tot twee keer toe weggegooid door de schoonmakers.)

De lessen gingen van technisch tot uiterst zweverig. Zo maakte ik continuïteitsmontages, maar ook collages met stukjes krant. Ik interviewde klasgenoten en reflecteerde als twee tegenovergestelde spiegels – tot in het oneindige. Ik liep rondjes door de buurt, op zoek naar schaduwen, kleuren en structuren. Ik ontdekte dat ik plezier had in het maken van een analoge powerpointpresentatie of een aquarel met kleuren die gedachtes verbeeldden, op mijn zelfbenoemde knutselmiddagen op dinsdag. Maar dat ik mezelf tegelijkertijd niet meer zo serieus kon nemen. Terwijl het hoe dan ook hard werken was.

Toch heb ik geen spijt, vanwege alles wat ik nu weet en een half jaar geleden nog niet. Vanwege de stad waar ik me, drie uur ’s middags of ’s nachts, dronken of nuchter, met of zonder jas, zo thuis voel. Ik heb leuke mensen leren kennen, quotes verzameld* en heus wel wat geleerd. Dat blijkt alleen al uit het feit dat ik niet meer naar een film kan kijken zonder te denken: dit is echt heel veel werk. Maar bovenal heb ik ontdekt dat de kunstacademie ook gewoon een school is – hoewel het woord ‘gewoon’ er niet lijkt te bestaan.

*Die uitspraken kan ik jullie natuurlijk niet onthouden. Een selectie:

‘De filmindustrie is ook een kwestie van hosselen.’

‘Dat is een heel interessant probleem. Maar daar gaan we het nu niet over hebben.’

‘Hoe dat komt? Daar zal ik vannacht eens van wakker liggen.’

‘Hoe hoog is het Plato-gehalte in jou?’

Bij de Moeder der Vage Vakken: ‘Maximaal één A4. Niet ouwehoeren.’

‘Verticale oriëntatie. Deze foto heeft er geen reet mee te maken, maar ik vind ‘m wel leuk.’

‘Wat is het probleem in de Titanic?’ ‘Dat ‘ie zinkt?’

‘Ik haal mijn inspiratie uit naakte lichamen. En fruit.’

En m’n favoriet, die me bijna doet terugverlangen: ‘Als filmmaker heb je tijd en ruimte in handen.’

Bijna.

Zo zag mijn afgelopen half jaar er dus ongeveer uit. Voor het komende half jaar zijn de plannen in de maak. Eind 2016 wilde ik mijn zaken weer enigszins op een rijtje hebben. Of dat me gelukt is?  Jullie lezen het volgende week. Het is verdorie net GTST. 

fullsizeoutput_10fullsizeoutput_fimg_7862