Persoonlijk

WEEK 5 | (TUSSEN)TIJD

IMG_8029.JPG

Een week na mijn uitschrijving bevind ik me alweer tussen de ballonnen en brochures bij de Universiteit Utrecht. Verschil met twee jaar geleden is dat ik er nu in drie minuten naartoe kan fietsen – met mam achterop. Posters met foto’s van modelstudenten tekenen de muren, echte studenten in rode jassen wijzen ons de weg. We schuiven aan in volle zalen, waar norse vaders vragen stellen voor hun dochters, alsof nog niet besloten is wie van hen er eigenlijk gaat studeren.

(Mijn moeder gaat voor de gezelligheid mee, zoveel is duidelijk.)

Ik blijk nog steeds verliefd op de witte bibliotheek, waar duizenden boeken de planken kleuren en als vanzelf een fluistertoon afdwingen. Tezamen met andere nog-niet-studenten loop ik tussen de al-wel-studenten, die eruitzien alsof ze hele serieuze dingen doen op laptops, maar waarvan vast wel een deel Bubble Shooter speelt – het is tenslotte zaterdag.

Er is eigenlijk maar één rake opmerking en een goed gevoel voor nodig. Een week later heb ik een meeloopdag en is het besloten. Ik zal wel doen alsof ik nog open sta voor andere opleidingen, andere steden, maar in feite staat het vast: in september begin ik met Taal- en cultuurstudies in Utrecht.

Dan nog de tussentijd.

Wanneer alle verwachtingen wegvallen, blijft er één ding over: wat verwacht je van jezelf? Niet erg veel, in eerste instantie – het liefst wilde ik slapen tot het september was. Ik hoefde maar een halve keer te denken aan de film die ik twee jaar geleden maakte, om te snappen dat ik daar niet erg gelukkig van zou worden. Op zoek dus, naar nieuwe dingen om te willen.

Er zijn geen structuren om me op te beroepen, geen lessen, deadlines of verplichtingen meer. Er is niemand die eveneens geen lessen, deadlines of verplichtingen heeft. En dus trek ik mijn eigen plan, los van alles en iedereen. Ik ga mijn eigen structuur creëren – ik zorg wel dat het past.

Ik wil nog één keer verdwalen in Parijs, me verkijken op de lange straten die uitzichten bieden die dichterbij lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Toch geregeld andermans leven binnenstormen, hun kamers met of zonder deur, voor een bed of een feest of gewoon voor hen, omdat we nog steeds graag naar elkaars verhalen luisteren. Ik wil met Mart prijswinnende hamburgers eten tussen de homokroegen. Ik wil minder zooi in mijn leven. Ik wil dingen leren omdat ik die behoefte voel, ook wanneer niemand dat van me verwacht. Ik wil niet gaan backpacken in Azië, hoewel sommige mensen dat wel schijnen te verwachten. Ik wil vliegen, in mijn eentje naar het grootste vliegveld ter wereld, naar een nieuwe staat waar een oude vriendin op me zal wachten. Ik wil dingen leren aan anderen, omdat ik daar zelf heel blij van word.

Ik wil weer ongeremd enthousiast zijn, middernachtelijke schrijfsessies toelaten, voice-overs inspreken in mijn koptelefoontjes. Films blijven maken, omdat het zonder school ook kan. Ik wil uit met mensen die ik eigenlijk niet goed genoeg ken. Ik wil muziek draaien, het volume opvoeren tot het klinkt als een liveconcert in mijn hoofd, totdat ik elke hum en klik en klap kan scheiden, de meerstemmigheid kan ontleden. Ik wil muziek maken, richels in mijn vingers spelen, mijn stem als instrument ontdekken.

Ik wil om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden, me in gedachten verontschuldigen tegenover mijn buren. Ik wil mijn kansen iets meer spreiden. Weer gaan studeren, maar óók iets meer het leven leiden dat daarbij hoort (en daardoor om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden). Misschien zelfs mijn  paleisje verlaten voor een studentenkamer, inclusief leuke huisgenoten (en een keuken waar niemand kookt, een badkamer waar de schimmels welig tieren). Misschien ook nog even niet.

Ik wil over stations rennen, richting treinen die ik wel of niet zal halen. Rennen om het rennen, want in feite heb ik de tijd. Tijd die ik geen tussentijd meer zal noemen, omdat zoiets niet bestaat – het is tijd op zich, net als anders.

En zo werden al die plannen dan uiteindelijk realiteit. Voor de nieuwsgierige aagjes, een concreet lijstje in willekeurige volgorde:

  • Op bezoek bij Colette – in Amerika (!)
  • Een cursus camerajournalistiek, omdat ik mezelf niet alles kan leren.
  • Een tijdje lesgeven op mijn oude school, over filosofie en kunst en creativiteit. Niet dat ik daar opeens een diploma voor heb, maar het mocht.
  • Verhuizen – misschien, want ik ben redelijk verknocht geraakt aan mijn plekje in de binnenstad. Maar als iemand nog een kamer weet? In het centrum of zo? Ik houd me aanbevolen.
  • Lid worden bij een vereniging in Utrecht (Histos). Vorig jaar aangemeld en ingeloot, maar ik deed het uiteindelijk niet, want te druk. Pfft. Dus als iemand een goed woordje voor me wil doen?
  • Nog weinig concreet, maar toch: films maken, laten mislukken, weggooien, alsnog het internet op slingeren. Schrijven, tekenen, spelen. Fotograferen, op zangles. Creatief zijn omdat het me blij maakt. (Behalve die zangles. Doodeng vind ik het. Maar ik ga toch.)
  • Na het schrijven van dit stuk onder de douche gaan staan. Het is halftwee ’s nachts. Sorry buren.

Lieve allemaal, bedankt voor het lezen. En voor de gesprekken en berichten vol vertrouwen, toen ik dat zelf een beetje kwijt was. Ik doel op meer vrolijke verhalen de komende tijd. Al heeft deze reeks ook een goed einde.

WEEK 4 | DANSEN OP TAFEL

9r7a9763

Voor mijn zevende verjaardag kreeg ik het boek ‘Matilda’ cadeau. Ik leek een klein beetje op haar. Ik had geen hysterische bingomoeder of een corrupte vader, geen chubby broer en geen tiran als schoolhoofd. Ik was geen rekenwonder, verstopte nooit papegaaien in de schoorsteen. Het telefoonboek was niet het enige boek dat we in huis hadden.

Al met al was ik geen kindergenie met een traumatische jeugd. Maar ik las wel graag, vlug en veel, net als Matilda. Ik wílde vooral graag op haar lijken. Een heldin was ze, stoer en vol grootse plannen – wie weet ligt bij haar het begin van mijn feministische inborst. Met al haar overtuiging kon ze voorwerpen laten bewegen met haar ogen. Reken maar dat ik verscheidene minuten van mijn leven starend heb doorgebracht, in de ijdele hoop een potlood te kunnen laten vliegen. Toen ik de verfilming ontdekte, was mijn favoriete scène dan ook die waarin Matilda dansend op tafel de hele huisraad de lucht in tovert. Ook vanwege de vrolijkste soundtrack ooit (klik). Kom ik zo op terug.

Eerst naar het nu, bijna twaalf jaar later. Op l’autoroute laten we suikerspinroze luchten achter ons terwijl we richting het noorden rijden. Het was fijn in Parijs. Alleen even auto’s op de weg om de lucht te klaren. Een supermarkt met lift, vissen op ijs en bijbehorende geur. Een restaurant met koud licht en ijsberenstickers op de ramen, want het is bijna kerst. De eigenaar geeft me een hand, ik eet toast met foie gras tegen mijn principes in. Mierzoete wijn en dan naar huis, door de stad waar alles zeshoog in het rond loopt – en ik dus ook.

Waar de bakkers tot acht uur ’s avonds nog de geur van stokbrood door de straten sturen. Tussen de pubers met een dubbele portie ‘je ne sais quoi’ (want Parijs én puber). Langs hekken vol stepjes aan een kettingslot – steppen is het nieuwe scooteren, let maar op. Een weekend waarin mijn familie dichterbij dan ooit was – op zo’n Frans terras delen we maximaal twee vierkante meter.

Maar nu dus op de terugweg. Mam rijdt, ik doe de muziek. Al is er van ‘doen’ niet echt sprake – ik schud enkel mijn afspeellijst met favorieten. We naderen de geruisloze Nederlandse wegen, en daarmee ook mijn deadline. De get-your-shit-enigszins-together-deadline. Ga-nou-genieten-van-je-vrije-half-jaar-deadline. We praten, vooruit starend naar het Belgische asfalt. En dan klinkt dat ene liedje. ‘Je kan alles in beweging zetten,’ zegt mam, met een knikje naar de radio. ‘Dat doet zij ook.’

Met die woorden kan ik nog steeds niets laten vliegen. Maar naar Matilda’s voorbeeld zal ik dansen op tafel.

En dus ging ik aan de slag. Ik struinde het internet af, begon langzaam mijn notitieboek weer te vullen, regelde vliegtickets en maakte eindeloos veel lijstjes. Wat daarop staat lees je volgende week, in de laatste van de reeks!

WEEK 3 | TIJD EN RUIMTE

Om halfzeven besluit ik uit bed te gaan. Al vanaf halfvijf lig ik naar het plafond te staren en zelfs op dit uur is dat verspilde tijd. Dus bind ik mijn haren in een poging-tot-staartje en klik ik een lichtgevende band vast rond mijn bovenarm – speciaal voor jou, mam. Met enkel mijn huissleutel in het ritsvakje boven mijn billen trek ik de voordeur achter me dicht.

Naar rechts in plaats van links. De straten zijn donker en verlaten – niemand die mijn rode hoofd zal zien. Ik zet koers richting de Dom.

Een enkele lege bus haalt me in, een veegmachine overstemt mijn muziek. Bij iedere passant vraag ik me af of ze al wakker zijn, of nog steeds. Soms is het overduidelijk, gezien de zigzaggende lijnen die worden afgelegd. Een meisje komt me tegemoet. Ze kijkt verdwaasd op van haar telefoon – vanwege alcohol, of toch dat rode hoofd van mij. Haar benen zijn bloot en haar jas lijkt gestolen. Tenminste – er staat ‘Willem’ op de rug. Ze kan hem natuurlijk geleend hebben. Gekregen, van Willem. Misschien heet zij wel Willem. Wie zal het zeggen.

Misschien loop ik volgend jaar ook door de stad om half zeven, zonder lichtgevende armband maar met een jas waarop niet-mijn-naam staat. Dit jaar behoorde ik tot een andere groep. Op weg naar school kon ik raden wie erbij hoorde en wie niet. Mensen met slechts een rugzak gingen rechtdoor naar de hogeschool. Mensen met tekeningenkokers, hutkoffers of totaal ondefinieerbare objecten onder hun snelbinders sloegen linksaf. (De mensen met blauw haar meestal ook.)

De school hing vol met woorden, beelden, installaties. De kunstacademie was daadwerkelijk vol kunst. Soms ontging het me – één keer dacht ik dat het afval was.

(Sorry.)

(Mijn eigen werk werd vervolgens tot twee keer toe weggegooid door de schoonmakers.)

De lessen gingen van technisch tot uiterst zweverig. Zo maakte ik continuïteitsmontages, maar ook collages met stukjes krant. Ik interviewde klasgenoten en reflecteerde als twee tegenovergestelde spiegels – tot in het oneindige. Ik liep rondjes door de buurt, op zoek naar schaduwen, kleuren en structuren. Ik ontdekte dat ik plezier had in het maken van een analoge powerpointpresentatie of een aquarel met kleuren die gedachtes verbeeldden, op mijn zelfbenoemde knutselmiddagen op dinsdag. Maar dat ik mezelf tegelijkertijd niet meer zo serieus kon nemen. Terwijl het hoe dan ook hard werken was.

Toch heb ik geen spijt, vanwege alles wat ik nu weet en een half jaar geleden nog niet. Vanwege de stad waar ik me, drie uur ’s middags of ’s nachts, dronken of nuchter, met of zonder jas, zo thuis voel. Ik heb leuke mensen leren kennen, quotes verzameld* en heus wel wat geleerd. Dat blijkt alleen al uit het feit dat ik niet meer naar een film kan kijken zonder te denken: dit is echt heel veel werk. Maar bovenal heb ik ontdekt dat de kunstacademie ook gewoon een school is – hoewel het woord ‘gewoon’ er niet lijkt te bestaan.

*Die uitspraken kan ik jullie natuurlijk niet onthouden. Een selectie:

‘De filmindustrie is ook een kwestie van hosselen.’

‘Dat is een heel interessant probleem. Maar daar gaan we het nu niet over hebben.’

‘Hoe dat komt? Daar zal ik vannacht eens van wakker liggen.’

‘Hoe hoog is het Plato-gehalte in jou?’

Bij de Moeder der Vage Vakken: ‘Maximaal één A4. Niet ouwehoeren.’

‘Verticale oriëntatie. Deze foto heeft er geen reet mee te maken, maar ik vind ‘m wel leuk.’

‘Wat is het probleem in de Titanic?’ ‘Dat ‘ie zinkt?’

‘Ik haal mijn inspiratie uit naakte lichamen. En fruit.’

En m’n favoriet, die me bijna doet terugverlangen: ‘Als filmmaker heb je tijd en ruimte in handen.’

Bijna.

Zo zag mijn afgelopen half jaar er dus ongeveer uit. Voor het komende half jaar zijn de plannen in de maak. Eind 2016 wilde ik mijn zaken weer enigszins op een rijtje hebben. Of dat me gelukt is?  Jullie lezen het volgende week. Het is verdorie net GTST. 

fullsizeoutput_10fullsizeoutput_fimg_7862

WEEK 2 | RELATIEVE SNELHEID

Het is één graden, maar dat is mijn enige excuus. De zon schijnt, het is droog, ik heb nieuwe schoenen. Ik zou ze omschrijven als ‘niet heel lelijk’ – zeeblauw met roze randjes. Uit Marts kast heb ik een trui gepakt die hij waarschijnlijk niet meer draagt. Anders had ‘ie er niet meer gelegen. Hier, thuis-thuis. Ik ben terug in het dorp en ik ren door het centrum.

Het maakt niet uit waar ik heenga. Een half uur is het doel, mijn weg terug vind ik toch wel. (Hier wel.) Langs het bevroren meer, waar binnen een paar dagen kinderen op zullen gaan staan, elkaar zonder woorden uitdagend om steeds verder te het ijs op te lopen. Langs een buitenproportioneel aantal kappers en Chinese restaurants. Door het bos, waar de bladeren recht naar beneden vallen bij een gebrek aan wind. Hardlopend door het dorp vlieg ik, terwijl de rest van de wereld net iets te langzaam om me heen beweegt.

(Niet dat ik nou zo hard ga. Het is een relatieve snelheid.)

Nergens naartoe, maar er vandaan. Weg van mijn knipperende cursor. Weg van Netflix, dat me vraagt ‘of ik nog steeds Modern Family aan het kijken ben?’ Weg van steeds hetzelfde verhaal.

Elke periode kent zijn eigen vraag. Als je zeven bent vraagt men wat je later wil worden. Met elf gaat het over de middelbare school. Vijftien is de profielkeuze, zeventien de studiekeuze. Achttien is de studie. Bijna dagelijks wordt gevraagd wat ik studeer.

Nou, helemaal niks.

(Komt dit nou als een verrassing, lees dan even het vorige stuk.)

Daar kan ik het bij laten, maar dat lukt me niet. Want ik ben niet ‘gewoon’ gestopt met mijn studie. Vol overtuiging dook ik in het kunstacademieleven, met lesdagen van negen tot negen, crashende portals en een sterke stroom aan deadlines. Een jaar aan overwegingen, toelatingen en samenwerkingen, beëindigd met één klik op een roze kruisje.

Maar in feite dus gewoon gestopt met m’n studie. Of zoals Mart het samenvatte: je hebt opeens een half jaar vakantie!

Was het maar waar. Nee – dat ís waar. Zo’n zeven maanden aan vrije tijd, maar als vrijheid voelt het niet. Nog niet. Plannen genoeg, maar het blijven slechts plannen. En dus begon ik met rennen, om maar iets te dóén. Iets concreets, meetbaar in afstand en tijd – om het vervolgens vooral niet te meten. Niet te veel willen nu. Alleen de ene voet voor de andere.

Het zwarte gat kreeg me zelfs aan het hardlopen, en dan niet eens als gedoemd-te-mislukken-nieuwjaars-voornemen. Is dit alles toch nog ergens goed voor. Maar ook in de kunstacademieperiode daarvoor heb ik dingen geleerd – en een hoop leuke quotes verzameld. Waarover meer, je raadt het al: volgende week.

img_8417

WEEK 1 | VEEL LAWAAI

Mijn thee is op en mijn hoofd zit vol. Het is maandagmorgen. Ik bivakkeer al sinds halfnegen in een cafétje aangezien thuis (Utrecht-thuis) de verwarming uit de muur gesloopt wordt. Dit in de hoop dat ‘ie ophoudt met tikken. (Hoewel ‘tikken’ zacht uitgedrukt is. Het begint vaak met ‘wiehiehiehiehie’, vervolgens ‘toektoektoektoektoektoektoek’, dan ‘TOEK. TOEK. TOEK’. Dan even rust, dan weer opnieuw. Bij voorkeur om drie uur ’s nachts. Maar dit geheel terzijde.)

Ik ben aan het spijbelen, officieel gezien. Ik heb een les en een presentatie en ik heb niets voorbereid, dus ik ben er niet. Ik ben gestopt met m’n studie, officieus gezien.

(Hier een rustmoment om over de schok heen te komen, zij het voor mezelf.)

Naar de kunstacademie gaan betekende kiezen voor datgene waar ik enthousiast van werd. Totdat ik er niet meer enthousiast van werd. Ik raakte verstrikt in organisatie, techniek en vastgelegde thema’s. En zo kwamen de twijfels. En twijfels over de twijfels – het zál ook eens niet. Ik vroeg me af of ik niet wat meer geduld moest hebben, of iets minder eigenwijs kon zijn.

(Spoiler: kon ik niet.)

Niet met dit. Wat betreft creativiteit, waarbij het behoud van eigenheid de enige manier is waarop ik tot iets kom dat ik de moeite waard vind. En zo besloot ik, na uitvoerig overleg met iedereen en mezelf, om te stoppen.

En nu zit ik hier, op maandagochtend in een café, met een hoofd vol ideeën en de tijd om ze uit te voeren. Maar het is als die verwarming: veel lawaai, weinig effect.

Mijn vingers houden zich angstvallig stil boven mijn notitieboek, zich afvragend hoe nu verder. ‘In den beginne was het woord’, aldus het populairste geschrift ter wereld. Misschien is dat niet zo’n slecht begin.

Na twee maanden kunstacademie stopte ik ermee. Wie had dat gedacht? Ik in ieder geval niet. Om het toch-wel-enigszins-gevreesde zwarte gat te omzeilen, schreef ik erover. Ongeveer een stukje per week, tot het einde van het jaar. Over de momenten dat ik het hilarisch vond dat juist ik de eerste drop-out was van iedereen. De momenten waarop ik anderen wel kon slaan, wanneer zij er grapjes over maakten. Over de momenten dat ik dacht: wat heb ik gedáán? En de momenten waarop ik in volledige vrijheid door de stad fietste, als het einde van een voorspelbare feelgood film – muziekje van Natasha Beddingfield erbij en klaar ben je

Misschien is het niet interessant of relevant, maar dat risico loop je natuurlijk altijd. Er komen vast ook weer foto’s en filmpjes en teksten over wat ik vind van het leven en zo. Maar voor nu even dit – stukje één. Stukje twee volgt! Want je gelooft nooit waar dit alles toe geleid heeft. (Ik maak er een soort soap van, denk ik, inclusief cliffhangers. Maar dan met meer tekst.)

EEN WEEKEND IN PARIJS

9r7a9121

We zijn nu op het moment waar ik vaak aan gedacht heb, deze zomer. Met zicht op hoe het gaat lopen, hoe de ritmes van onze levens gaan samenvallen – en soms niet. Dit weekend treffen we elkaar in Parijs.

9r7a9056

De vrijdag begint in Utrecht, met twee colleges. De docente geeft aan te begrijpen dat we vaak in brakke staat naar haar zullen luisteren, vanwege de nodige feestjes op donderdagavond. Een paar uur later sluiten we onze ogen. Er wordt een filmfragment afgespeeld en wij beelden ons in hoe het eruit ziet, aan de hand van de muziek. En zo geldt voor alles op de HKU: het had kunnen lijken op een normale school, maar dat is het niet.

9r7a8961

En dus noem je iedereen bij de voornaam. Krijg je huiswerk toegestuurd via Facebook en beginnen de lessen soms om zeven minuten over twaalf. Er wordt gestrooid met tegenstrijdigheden, die weer allemaal teniet worden gedaan door één en dezelfde kreet: doe vooral ook wat jouzelf juist lijkt. Daar kan ik iets mee.

Tussen de colleges door eten we pepernoten uit de kantine (plus- danwel minpunt). Na een gehaast applaus ren ik de zaal uit, richting Parijs.

9r7a9129

De straatverlichting kleurt de avond geel. We eten vroeg voor daar en laat voor hier. Een restaurant met een krijtbord als kaart en eieren met mayonaise op het menu. Om de hoek een bed, een bank en De Wereld Draait door. Ook in Frankrijk.

9r7a8974

Op zaterdag ben ik in het park, voor foto’s van het gewone maar absurde Parijse leven. Een vrouw in sportkloffie spreekt me aan. Alles aan haar zegt me dat ze die kans maar zelden krijgt: praten tegen iemand anders dan zichzelf. Dus ik luister, terwijl ik eigenlijk schuil voor de regen, met kans op een foto. Met Fransen valt prima te praten, merk ik. Zolang je maar niet laat blijken dat je er niets van verstaat.

9r7a9218

Aan ‘merci’ heb je genoeg. Ik koop nectarines bij de Turkse winkel, we geven onze merci over en weer, net als het plastic zakje en het wisselgeld. Nog een ‘au revoir’ toe en klaar ben je.

9r7a9203

Volgende dag. Pap zegt bonjour bij binnenkomst, stokbroden en kranten in het Frans. Maar het idee is hetzelfde: wij vieren aan een lange houten tafel op zondagochtend.

9r7a9031

Weer in de trein. Een vrouw met een last-minute kaartje zit met een buggy in het tussengedeelte. Ze neemt een slok wijn uit een fles terwijl ik wacht voor de wc. Wankelend door het gangpad is iedereen dronken. Ik loop door de wagon tegen de richting in – toch brengt de Thalys me terug.

9r7a9217

Eerst was alles automatisch verbonden. School met vrienden, vrienden met het dorp en het dorp met thuis. Een leven als compleet bouwpakket. Momenteel zijn het losse legoblokjes, verspreid door de kamer. Soms is er één kwijt of vergeten, word ik er pas aan herinnerd wanneer ik er met mijn blote voet in ga staan. De vanzelfsprekende samenhang is dat niet meer. Maar via de rails rijg ik het geheel aan elkaar.

OVER WISSELTRUCS, VERENIGINGSPERIKELEN EN HET KEBABPALEIS

Processed with VSCO with c1 preset

Nog voor de week is begonnen, besluiten we al te negeren wat de bedoeling is. Om negen uur staan we dus niet met de eerste shift bij Tivoli – we liggen nog in bed. We worden wakker op mijn slaapzolder die voor de gelegenheid in één groot matras veranderd is. Ik heb twee logees: oud-klasgenootje Mélina en nieuw-klasgenootje Sophie. Op tijd voor shift twee parkeren we onze fietsen. Een regenboogkleurig zebrapad leidt ons naar het gebouw waar het studentenleven dan echt moet gaan beginnen, middels de Utrechtse Introductie Tijd.

We krijgen een bandje, een nummer (allemaal een ander) en een tas vol met flyers die we de hele week nog toegestopt zullen krijgen. Al na één dag had ik een full-time horecabaan en een semi-gratis sportabonnement kunnen hebben. Maar omdat ik weet dat sommige dingen nu eenmaal té mooi zijn, eindig ik slechts met reclamefolders en een sletterige sticker. (‘Bezet? We zullen zien…’)

In het Wilhelminapark begint de zoektocht naar mijn groep. Het is een zee van in rode shirts gehulde mentoren, in hun hand een bordje met het groepsnummer. Het brugklas déjà vu is onvermijdelijk, alleen al vanwege de obligate en licht ongemakkelijke voorstelronde. Mélina en ik voeren een wisseltruc uit en komen terecht in Sophie’s groep, waardoor we maandag na een geslaagd karaokefeestje met z’n drieën de Utrechtse nacht door fietsen.

UIT20163

Dinsdagochtend ontmoet ik mijn nieuwe groepsleden in de afwezigheid van alcohol en harde muziek, waardoor ik een beter idee krijg met wie ik nu eigenlijk de week ga doorbrengen. Tijdens een workshop rugby komt ieders ware aard naar boven. Sommigen zijn te lief, anderen te hard en een deel ligt nog met een brak hoofd in bed. Ik behoor zelf tot de tweede groep. Na een uur ben ik zo’n vijf tackles en een broek vol grasvlekken verder. Tot grote hilariteit van de echte rugbyers, die de workshop organiseren. ‘Alleen nog de schouder erin en ze kan meedoen.’ Ik wijt het aan een combinatie van een tikje te lomp en een tikje te fanatiek. De verleiding om me direct in te schrijven is dan ook zeer groot, maar ik besluit toch nog even verder te kijken.

Er valt een hoop te kiezen wat betreft verenigingen, en iedereen gaat ergens bij – zo lijkt het. Ik ga mee naar rondleidingen en lach mee om bizarre paklijsten die na inschrijving in een fiks tempo bij elkaar gesprokkeld moeten worden. (‘Een uilenbal. Een blauwe kameel. Een handdoek voor als je eventueel kan douchen.’) Ook vanuit andere steden krijg ik wat mee van het verenigingsgeweld. Broerlief is al twee weken van de aardbodem verdwenen. Een vriendin uit Leiden doet een beroep op mijn creativiteit, in de hoop een invulling te vinden voor alle non-existente voorwerpen die ze dient te verzamelen.

We komen terecht in typische net-het-huis-uit-situaties. Dat we zowel fris als sinaasappelsap als wijn uit wijnglazen drinken, want die zijn nog schoon en afwassen kost moeite. Dat ik opeens saaie dingen koop als schoonmaakmiddel en wc-papier (zoveel soorten!). Dat we de Olympische Spelen heel goed kunnen volgen, omdat ons leefritme prima past bij de Braziliaanse tijdzone. Dat we om weet-ik-veel-hoe-laat in een bushokje friet zitten te eten, omdat ik de smerigheid binnen in het kebabpaleis niet aankan. En dat er dan daadwerkelijk nog een bus langskomt, want zo gaat dat in een grote stad.

(Je merkt, ik ben niets gewend.)

UIT20162

Maar de grootste bijdrage aan dat gevoel wordt geleverd door de studenten zelf, die de stad domineren deze week. Daarbij verbaas ik me over de enorme hoeveelheid knappe mensen die er in Utrecht woont. Wachten bij het stoplicht is niet meer erg en naar de supermarkt gaan is één grote datingshow. Flirten en boodschappen op een band laden gaat verrassend goed samen. Dan heb ik het niet echt over mijzelf, overigens. Nog even inkomen.

(Mocht je nu denken: lekker oppervlakkig, Milou – het is nog vakantie, hè. Inhoud volgt daarna weer.)

Het lijkt ook alsof we op vakantie zijn in Utrecht, inclusief overnachtingen in mijn eigen huis. De avonden beginnen met Thirty Seconds, waarbij de nodige memorabele quotes ontstaan. (‘Mercurius, is dat bier of een voetbalclub?’) Bovendien blijkt Mélina een waar topografisch wonder – de hoofdstad van Litouwen, anyone? We zetten de nacht voort op het dakterras van een studentenhuis, beklimmen honderden treden in Tivoli en dansen daarna ergens verder.

UIT20164

De UIT valt tegelijk met de zomer. Enkel strakblauwe luchten en licht verbrande schouders. Ultiem weer om te hangen in het park, zoveel mogelijk gratis waterijsjes te scoren en gewoon door Utrecht te fietsen. De zon laag, de terrassen vol. En te bedenken: ik wóón hier. Dit is mijn stad. Na deze week weer wat meer.

Ten slotte nog wat praktische info – vrij zeldzaam hier op de blog, dus doe er je voordeel mee. Drie tips voor toekomstige UIT-lopers!

  1. Regel een fiets in Utrecht. Bijna belangrijker dan een kamer, tijdens de UIT-week. Utrecht is niet extreem groot, maar de activiteiten zijn verspreid door de hele stad. Daarnaast heeft iedereen een beetje een hekel aan je wanneer ze je een week lang achterop moeten nemen. Sta je meteen 1-0 achter. Een fiets, dus.
  2. Zeg ‘ja’ tegen alles. Oké, misschien niet álles. Probeer je verstand niet helemaal uit te schakelen. Maar de UIT-week is een kans om op plekken te komen waar je daarna waarschijnlijk niet meer komt. Dus pak die. Ga mee naar het dakterras van je groepsgenootje, naar de workshop rugbyen om elf uur ’s ochtends, hoe gaar je ook bent. Zeg sowieso ja tegen de rondleidingen die door alle verenigingen georganiseerd worden. Je ontdekt een hoop lachwekkende tradities en komt direct in studentikoze sferen. Al is het maar door de geur van verschraald bier die op elke sociëteit aanwezig is.
  3. En dan de ultieme tip, die ik zelf van meerdere UIT-lopers kreeg: wissel van groepje als het je niet zint. Hoe enthousiast je ook probeert te zijn, soms klikt het gewoon niet zo. Kan gebeuren, met vierduizend nieuwelingen die willekeurig worden ingedeeld. Bedank voor de geweldige eerste dag/ochtend/vijf minuten. En dan nokken. Voor iedereen beter.

ZOEKEN EN VINDEN

9R7A8511

Het was zoeken en vinden, de afgelopen dagen. Zoeken naar mijn fiets in Utrecht. Zoeken naar de juiste woorden voor de diploma-uitreiking. En zoeken naar Pokémon, natuurlijk, al heeft dat niet direct betrekking op mij. Dat wil zeggen, ik zie het niet als een levensdoel op zich om een Pikachu te vangen of gymmaster te worden. Maar verder vind ik het alleen maar grappig dat enkele vriendinnen, familieleden en eigenlijk de halve wereld in de ban is van Pokémon Go. Alleen al omdat het de maatschappij op een sympathieke manier ontregelt. Nachtelijke meetings in het park, en het aloude ‘Doe je voorzichtig?’ dat vervangen is door ‘Je gaat niet rijdend Pokémons vangen, hoor!’

(Maar serieus: zorg alsjeblieft dat je nergens tegenaan knalt.)

In Utrecht vind ik steeds beter mijn weg. Naar mijn idee bevindt alles zich aan dezelfde lange straat, al zal dat waarschijnlijk betekenen dat ik pas een fractie van de stad gezien heb. Toch is het in mijn geval (‘zeg ik links, ga dan vooral rechts’) telkens weer een kleine overwinning wanneer ik, zonder op mijn telefoon te kijken, mijn fiets op de juiste bestemming kan parkeren.

Het terugvinden van die fiets is weer een ander verhaal. Wanneer ik op de Oudegracht een plekje zie, prop ik mijn zwarte gevaarte daar gedachteloos in. Slot van drie kilo eromheen, niets meer aan doen. En dus struin ik enige tijd later op en neer langs de rekken, terwijl ik telkens weer versteld sta van mijn eigen onoplettendheid. Ik moet ‘m maar snel oranje gaan spuiten, die fiets. Of van die plastic mamabloemen kopen voor aan mijn stuur.

(Maak je geen zorgen, toekomstige stadsgenoten. Ik zal geen neonkleurig kratje voorop zetten. Ik ben me er van bewust dat dat – vooral bij fietsenrekkenschaarste – zeer asociaal is.)

De eerste nacht dat ik in Utrecht sliep, was ik met Mienke. We deden een poging tot het schrijven van een verhaal voor de diploma-uitreiking. Het feit dat die nog even op zich liet wachten, maakte dat de druk om daadwerkelijk iets te schrijven vrij laag was. Maar het begin was gemaakt.

Vorige week donderdag voelden we dan toch enige urgentie dat verhaal af te maken. Dus dat deden we. We schreven en schrapten. We overlegden uitvoerig over een gebrek aan samenhang, over momenten die per se vernoemd moesten worden en welke grappen we wel of niet konden maken.

Afgelopen maandag besloten we het geheel maar eens te oefenen. Precies op tijd voor de diploma-uitreiking, die avond. Voorzien van corsages en een gezonde dosis zenuwen liepen we de zaal binnen. Op de achtergrond klonk een heel Amerikaans deuntje, overstemd door het applaus van vrienden en familie. Wij leerlingen namen plaats in het midden en werden overladen met mooie woorden. Voor iedereen was er een mooi, grappig, maar vooral persoonlijk verhaal. En toen kwamen wij.

‘Daar ben ik weer,’ begon ik, mijn stem galmend door de gymzaal. Door een samenloop van omstandigheden stond ik voor de vijfde keer op het podium tijdens ons laatste woord. De insteek was ‘doen alsof’. Wij leerlingen waren daar behoorlijk goed in, maar aangezien we de school zouden verlaten, was het niet langer nodig. Ik voelde me lichtelijk bezwaard om te vertellen over spijbelpraktijken en alcoholaffaires, na alle lof die over me was uitgesproken. Maar na het delen van die ‘stoere verhalen’, hebben we hopelijk de juiste woorden weten te vinden. Aan de hand van vele herinneringen wilden we bovenal duidelijk maken dat we een enorm fijne tijd hebben gehad.

(En toen kwam er opeens een filmpje voorbij dat vanuit de zaal werd gemaakt. Hierbij drie tips aan mezelf:

  1. Blijf van je haar af
  2. Minder boos kijken mag
  3. Blijf van je haar af.

Maar verder ging het best prima.)

Ten slotte wilde onze biologiedocent iets vragen aan onze gymdocente. Niet zomaar een vraag – hij ging ervoor op zijn knieën. Geklap en gejuich, een stiekem traantje en heel veel respect – je moet het maar durven. Mocht één van hen dit lezen: heel veel geluk samen!

In de aula zocht ik een hoop leraren die ik nog wilde bedanken. Niet allemaal gevonden, dus bij deze nog eens: bedankt voor alles. We zochten en vonden elkaar, de mensen met wie ik die mooie tijd beleefd heb. Een allerlaatste foto op het duistere schoolplein. Dertien meisjes in zomerse jurkjes, bloemen in de hand. Boven ons de leus waar we zo vaak de draak mee hebben gestoken, maar die voor ons toch waar geworden is. Zoals mijn mentor over me zei: mezelf gezocht en gevonden. Groot geworden op het Eckart.

Voor mijn gevoel ben ik al zo’n drie maanden afscheid aan het nemen van mijn middelbare school, en dat hier met jullie aan het delen. Hope you don’t mind. In ieder geval: hier houdt het echt op! On to the next one.

(DON’T) TAKE ME HOME

IMG_6372

Terwijl ik dit schrijf zit ik in de trein naar huis. Ik twijfel of dat nog wel de juiste verwoording is, ‘naar huis’. Ik ben op weg naar Son, maar daar woon ik niet meer. Niet meer helemaal.

Twee weken geleden reden we in een volgeladen Volkswagenbusje richting Utrecht. Mam en ik zaten nogal knus op het bijrijdersbankje, Mart zat achter het stuur alsof hij niet anders deed.

Twee weken geleden, maar het lijkt wel een maand. Dat komt omdat ik behoorlijk wat op en neer gereisd ben, de afgelopen tijd. Naar Amsterdam voor een concert en een videoklus. Naar Son voor feestjes en spullen. En naar Parijs, want daar staat tegenwoordig ook een bed waar ik in kan slapen.

Wanneer ik zeg ‘mijn ouders zijn geëmigreerd naar Frankrijk’ klinkt dat meteen heel drastisch. Maar mijn ouders zijn geëmigreerd naar Frankrijk. Mijn complete familie gaat dit jaar het huis uit.

Vorige week stapte ik in de Thalys om te kijken waar mijn vader de afgelopen maand nu eigenlijk geweest was. Het bleek een wijk waar typisch Franse mensen wonen. Die je dus écht met een stokbrood onder hun arm de straat over ziet steken. Die in rap Frans tegen je spreken, omdat ze er vanuit gaan dat jij één van hen bent.

(Dat beschouw ik natuurlijk als een compliment – wie wil er nu geen Parisienne zijn? Al moet ik zeggen dat de illusie gauw verbroken is, wanneer je even niet meer weet wat ‘stokbrood’ is in het Frans. ‘Ehm… Un pain comme ça, s’il vous plaît.’ ‘Une baguette?’ ‘Ah… Oui.’)

Met Mart en drie vrienden ging ik naar Champs de Mars. We keken een voetbalwedstrijd op een enorm scherm onder de Eiffeltoren, maar we zagen vooral veel zingende Engelsen. Ze bleken maar twee liedjes te kennen. In het ene kwam nogal vaak het woord ‘pussy’ voor. Van het andere lied – veruit het populairst – was eigenlijk maar één regel te verstaan. Die werd dan ook massaal meegebruld, en niet alleen door de Engelsen zelf. ‘Don’t take me home!’ galmde het door de Parijse straten. ‘Please don’t take me home.’

Vroeger wilde ik dat alles hetzelfde zou blijven. Het komende jaar zal er juist meer veranderen dan ik ooit verwacht had. Je mag me vragen hoe het allemaal gaat lopen, maar mijn antwoord komt steeds op hetzelfde neer: dat weet ik nog niet. Want ik weet het echt niet, nu vrijwel alles anders wordt. Nu ik twijfel welk huis ‘thuis’ is. Nu ik me regelmatig afvraag waar ik ben, wanneer ik ‘s ochtends wakker word. En soms vind ik het nog moeilijk. Nieuwe stad, nieuwe school, een nieuw familieleven. Een leven dat op allerlei plekken zal gaan plaatsvinden. Aan elkaar geregen via Whatsapp, door foto’s met als bijschrift: ‘Groetjes uit…’

Maar met de dag neemt de onzekerheid af. Kamer gevonden, diploma gehaald. (In die volgorde, ja.) Spullen verhuisd, IKEA-kasten in elkaar gezet. (Al is dat totaal niet mijn verdienste. Cum laude geslaagd voor het VWO, maar een handleiding volgen? Lukt me niet.) Met Colette leerde ik de Utrechtse kroegen kennen – ook niet onbelangrijk. Van haar broer wist ze waar we ongeveer moesten zijn. En volgens mij zijn we ongeveer overal geweest. Om half vijf ’s nachts renden we door een enorme regenbui naar huis, af en toe schuilend in portiekjes, wanneer een bliksemschicht de hemel oplichtte. ‘Over een jaar doen we dit weer,’ zei ze, ‘en dan laat jij me alles zien.’

Vroeger ging ik het onbekende uit de weg. Nu spreek ik de ene dag af in het Vondelpark, met een toekomstige klasgenoot, die ik alleen van internet ken. Ik rijd ’s nachts in m’n eentje door Parijs, zit dan weer met een rugzak vol cameraspullen op een kade in Amsterdam Oost. Ik trap op een vertrouwde fiets door onbekend Utrecht, waar ik me toch al behoorlijk thuis voel.

Dat gevoel wordt alleen maar versterkt wanneer ik met één van de tien sleutels mijn kamerdeur open. De kamer waar de kast staat die mijn opa veertig jaar geleden timmerde. Voor het raam de groene kist die meeging naar de Antillen. Een tafel en een bank uit Son. Aan de balustrade de lampjes die ik al op twee andere kamers heb opgehangen.

Soms was ik bang dat ik nergens meer thuis zou zijn. Maar het tegenovergestelde is waar: ik voel me overal wel op m’n plek. Al is het maar door al die mensen die in Brabant, Amsterdam, Parijs of Utrecht wonen en gezegd hebben: wat er ook is, je kan me altijd bellen.

“VOLWASSEN”

9R7A5485

Het lijkt een soort ongeschreven regel onder leeftijdsgenoten: op je verjaardag plaats je een schattige babyfoto van jezelf op Facebook of Instagram. Maar wanneer ik over weet-ik-hoeveel-jaar terugdenk aan mijn achttiende verjaardag, wil ik juist weten hoe ik er op die dag uitzag. Babyfoto’s heb ik al genoeg.

Vandaag ben ik jarig. Dinsdag was ik eens fotograaf en model tegelijk – ik maakte een serie zelfportretten, van toen ik nog net niet volwassen was.

9R7A5667
Sinds vandaag heb ik stemrecht, word ik verantwoordelijk gehouden voor mijn eigen acties. (Een vriendin gisteren: “Als ik jou was, zou ik vandaag nog even een bank overvallen.”) Ik hoef me niet meer naar binnen te bluffen bij cafés, mag mijn eigen drankjes halen aan de bar. Voortaan kan ik zelf absentiebriefjes schrijven. (“Hoi meneer! Ik was er niet want ik was ziek. Groetjes!”) Ik mag alleen autorijden, zonder goedbedoelde waarschuwingen vanaf de bijrijdersstoel –  helemaal zelfstandig tegen paaltjes opbotsen. Sinds vandaag ben ik geen kind meer.

Officieel gezien volwassen, maar voor mijn gevoel is het nog lang niet zo ver. Vroeger dacht ik dat ‘volwassen zijn’ samen ging met het begrijpen van alles. Wanneer ik volwassen was, zou ik weten waarom dingen liepen zoals ze liepen, waarom mensen deden zoals ze deden. Wat goed was, en wat slecht. Wat mijn plekje in de wereld was, of wat ik wilde dat het zou zijn. Hoe dichter ik die leeftijd naderde, hoe zekerder ik wist dat mijn ideeën niet klopten. Er was juist steeds meer wat ik niet wist.

9R7A58199R7A5597

Als kind is je wereld klein, je kennis beperkt. Wat er buiten jou bestaat is onbekend, en bovendien niet van belang. Je weet niet wat je niet weet. Dan word je ouder, je omgeving groeit. Je begint te snappen dat er meer is dan de mensen en plaatsen die jou bekend zijn. Je leert rollen kennen die je zou kunnen vervullen, plaatsen waar je heen zou kunnen gaan. Met die kennis over mogelijkheden, groeit onzekerheid over hoe ze in te vullen. ‘Volwassen zijn’ kan niet gelijk staan aan ‘alles weten’. Want dan zou ik met de jaren steeds minder volwassen worden.

Misschien is het een loos begrip, waar ik te veel waarde aan hecht. Feitelijk gezien betekent het weinig, afgezien van bovenstaande voordeeltjes*. In de nacht van 13 op 14 januari werd ik volwassen, maar veranderde er niets. Mijn ouders maken me nog steeds wakker ’s ochtends. Ik moet nog steeds naar school, waar ik luister naar wat anderen me zeggen. Ik kan nog steeds niet soepel inparkeren – behoorlijk onhandig, maar vooral irritant omdat ik clichés over vrouwen liever ontkracht dan bevestig. Over een half jaar ga ik het huis uit, maar ik zal geregeld terugkomen. In dit huis, op deze bank, met een kater en een zak vol was. De eerste lading al draaiend in de trommel, blij dat iemand me weer eens ‘kleine’ noemt.

9R7A54429R7A5794

Geen kind meer, maar nog niet echt volwassen. Door wetenschappers die niet houden van grijze gebieden is daar een begrip voor bedacht: adolescentie. “De overgang in de ontwikkeling tussen de jeugd en volledige volwassenheid, hetgeen een periode representeert waarin een persoon biologisch, maar niet emotioneel volgroeid is.” Ik betwijfel of ik die omschrijving ooit ga gebruiken – het dekt misschien de lading, maar klinkt ronduit kut. Als een excuus voor twintigers die niet op willen groeien. Die hun gedrag zo kunnen wijten aan de adolescente fase waarin ze verkeren.

Misschien horen sommige eigenschappen die we beschouwen als ‘kinderlijk’ gewoon bij onze persoonlijkheid. Terwijl je ouder wordt ontdek je wat die eigenschappen zijn, en hoe je ze kan inpassen in je leven. Je zal niet meer constant zeggen wat je denkt. Je zal niet hardop vragen meer stellen, puur uit verwondering over de wereld. Mogelijkerwijs zal je nooit perfect leren inparkeren. Wie weet is dat wel volwassen worden: leren omgaan met hoe je bent. En soms accepteren hoe het nu eenmaal is.

9R7A57579R7A5591

*N.B. Een deel van mij ziet dit ‘slechts’ als voordeeltjes. Voor een ander deel van mij zijn het dé redenen om überhaupt achttien te willen worden. Feesten! Roadtrippen! Drank! Uit huis! De wereld veroveren! (Etcetera.) Ga ik doen, ga ik doen. Geen zorgen.