Persoonlijk

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies. 

JE EIGEN LEVENTJE

FullSizeRender

Eind januari besloot ik dat het tijd werd om mijn eenpersoonspaleis in te ruilen voor een kamer in een studentenhuis. Door een combinatie van kieskeurigheid en een overvolle markt, heeft het even geduurd. Achttien mails, negen Facebookmessages, zeven berichten via Kamernet. Negentien uitnodigingen, elf afmeldingen, acht hospiteeravonden. Acht kamers vol glimlachjes, giechelende meisjes en chips waarvan nooit iemand eet. Zes keer een sms krijgen. ‘We vonden je supergezellig, maar helaas niet gezellig genoeg.’ Soms balen, soms niet echt. Maar sowieso denken: ik houd er leuke verhalen aan over. Bij deze.

FullSizeRender-1

‘Huize *** is op zoek naar een nieuwe huisgenootje! Per 30 februari komt er een kamer vrij in het allerleukste huis van Utrecht. Wij zoeken een meisje van minimaal 19 jaar – maar liever ouder – die weet wat het is om in een studentenhuis te wonen. We willen namelijk geen jonkie die we nog moeten leren koken of schoonmaken en bovendien moet je wel lekker op tempo mee kunnen zuipen. We zoeken iemand die enthousiast, gezellig, spontaan, sportief, knap en hilarisch is. Je drinkt graag wijntjes, doet graag drankjes en dansjes en je bent een beetje verslaafd aan Netflix. (Verder heb je hopelijk nog wel een authentieke hobby die jou er op de hospi uit laat springen, anders zijn we je aan het einde van de avond alweer vergeten.) We zijn een heel hecht huis met elke week een huisavond, maar ook huisweekenden, tripjes naar Berlijn en een kerstdiner in maart. We zoeken dus iemand die hiervoor in is, maar ook al écht haar eigen leventje heeft opgebouwd in Utrecht.’
FullSizeRender-4

In de voorstelronde probeer je een balans te vinden tussen deze ideale huisgenoot en de persoon die je echt bent. Want je danst inderdaad graag tijdens het uitgaan, liefst op foute hitjes die je hard en vals kan meezingen. Maar soms heb je het om twee uur wel gezien, val je half in slaap in een wc-hokje en besluit je maar naar huis te gaan. Daar heb je vrede mee. Je hebt geen pertinente hekel aan studeren. De favoriete huisseries heb je niet gezien. Prison Break niet. Breaking Bad niet. House of Cards niet. Je volgde wel trouw Wie is de Mol en van Modern Family kan je sommige afleveringen meepraten. Een deel vertel je, een deel besluit je strategisch te verzwijgen, afgaand op het soort avond waar je terecht bent gekomen. Om je een idee te geven:

Het onderonsje. Iedereen kent iedereen en anders op zijn minst één iemand. (‘Bij wie zit jij in de club dan? Bij Annabel? Nouuuu, wat toevallig! Ik heb met haar op de basisschool gezeten!’)

Het huis waar de overloop (3m2) ook de keuken en de woonkamer blijkt te zijn.

Het ongemakkelijke half uur. Na tien minuten loopt de secuur geprepareerde vragenlijst ten einde en beginnen er stiltes te vallen. Een zeldzaamheid op een hospiteeravond vol meiden. Maar hier is de helft niet komen opdagen. Er staan geen bierflesjes in de hoek, geen teksten op de muur, geen vaat op het aanrecht. Er is geen muziek – het enige geluid komt van de hamster die rondrent in zijn kooi. Je denkt wel kans te maken op de kamer, maar zegt het af, omdat je het gevoel hebt dat je anders bij twee veertigjarigen komt te wonen.

FullSizeRender-3

Het feest. Iedereen neemt bier mee, van kennismaken komt het niet echt – daarvoor staat de muziek te hard. Wie de kamer krijgt, wordt bepaald middels een rietadtcompetitie.

De bovenverdieping met de huisbaas die daaronder woont. (‘Hij heeft oorsuizen, dus je mag niet te veel met de stoelen schuiven. Hij wil alleen meisjes, omdat de toonhoogte van onze stemmen hem beter bevalt. Soms staat hij ineens in de gang. Wil ‘ie even babbelen. Ja, hij is echt heel geïnteresseerd in onze levens. Daarom wil hij ook eerst uitgebreid met je praten, voordat je hier komt wonen. Oh, en vanuit jouw kamer zie je hem soms halfnaakt yoga’en op het balkon. Maar verder is hij heel oké hoor. Echt.)

De diepe teleurstelling. Alles klopt: gezellig, licht, schoon zelfs. Het klikt. Het lijkt te mooi om waar te zijn – en dat is het ook. Je eindigt als derde. Hierna wil je nooit meer hospiteren.

Het semi-verenigingshuis. (‘Eigenlijk is alleen Noor lid, maar wij vinden het ook superlachen allemaal. Als je onze HJ wordt moet je trouwens wel een jaar lang alle afwas doen. Vo.’)

De kamer die eigenlijk een kast is.

FullSizeRender-2

De laatste. Je probeert op niets meer te hopen, en dat bevalt eigenlijk wel. Ook hier is het mooi, schoon, nieuw – de woonkamer is nog een lege ruimte, de tuin (!) slechts een gat in de nacht. Ook de kamer is donker – met een telefoon wordt bijgeschenen, maar je vergeet hoe het er eigenlijk uitzag. Op tafel staan chips die daadwerkelijk gegeten worden. Je praat zonder al te veel na te denken. Over het fijnste park van de stad, over Barcelona, over creativiteit. Je geeft toe dat je geen biertje openkrijgt met een aansteker. Je vertelt dat je het belangrijk vindt om ook elkaars ochtendhumeur, studiestress of irritante verliefdheid de ruimte te geven. Je loopt naar buiten. Misschien is dit het – de plek waar je eigen leventje zich zal gaan afspelen.

Twintig minuten later word je gebeld. Ondanks het feit dat je Eline Iris noemde en Kelly Amber, ondanks je ietwat zweverige verhaal over filosofie en het feit dat je nooit weet wat je moet koken. ‘Je bent het geworden. We vonden je een topwijf.’

WEEK 5 | (TUSSEN)TIJD

IMG_8029.JPG

Een week na mijn uitschrijving bevind ik me alweer tussen de ballonnen en brochures bij de Universiteit Utrecht. Verschil met twee jaar geleden is dat ik er nu in drie minuten naartoe kan fietsen – met mam achterop. Posters met foto’s van modelstudenten tekenen de muren, echte studenten in rode jassen wijzen ons de weg. We schuiven aan in volle zalen, waar norse vaders vragen stellen voor hun dochters, alsof nog niet besloten is wie van hen er eigenlijk gaat studeren.

(Mijn moeder gaat voor de gezelligheid mee, zoveel is duidelijk.)

Ik blijk nog steeds verliefd op de witte bibliotheek, waar duizenden boeken de planken kleuren en als vanzelf een fluistertoon afdwingen. Tezamen met andere nog-niet-studenten loop ik tussen de al-wel-studenten, die eruitzien alsof ze hele serieuze dingen doen op laptops, maar waarvan vast wel een deel Bubble Shooter speelt – het is tenslotte zaterdag.

Er is eigenlijk maar één rake opmerking en een goed gevoel voor nodig. Een week later heb ik een meeloopdag en is het besloten. Ik zal wel doen alsof ik nog open sta voor andere opleidingen, andere steden, maar in feite staat het vast: in september begin ik met Taal- en cultuurstudies in Utrecht.

Dan nog de tussentijd.

Wanneer alle verwachtingen wegvallen, blijft er één ding over: wat verwacht je van jezelf? Niet erg veel, in eerste instantie – het liefst wilde ik slapen tot het september was. Ik hoefde maar een halve keer te denken aan de film die ik twee jaar geleden maakte, om te snappen dat ik daar niet erg gelukkig van zou worden. Op zoek dus, naar nieuwe dingen om te willen.

Er zijn geen structuren om me op te beroepen, geen lessen, deadlines of verplichtingen meer. Er is niemand die eveneens geen lessen, deadlines of verplichtingen heeft. En dus trek ik mijn eigen plan, los van alles en iedereen. Ik ga mijn eigen structuur creëren – ik zorg wel dat het past.

Ik wil nog één keer verdwalen in Parijs, me verkijken op de lange straten die uitzichten bieden die dichterbij lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Toch geregeld andermans leven binnenstormen, hun kamers met of zonder deur, voor een bed of een feest of gewoon voor hen, omdat we nog steeds graag naar elkaars verhalen luisteren. Ik wil met Mart prijswinnende hamburgers eten tussen de homokroegen. Ik wil minder zooi in mijn leven. Ik wil dingen leren omdat ik die behoefte voel, ook wanneer niemand dat van me verwacht. Ik wil niet gaan backpacken in Azië, hoewel sommige mensen dat wel schijnen te verwachten. Ik wil vliegen, in mijn eentje naar het grootste vliegveld ter wereld, naar een nieuwe staat waar een oude vriendin op me zal wachten. Ik wil dingen leren aan anderen, omdat ik daar zelf heel blij van word.

Ik wil weer ongeremd enthousiast zijn, middernachtelijke schrijfsessies toelaten, voice-overs inspreken in mijn koptelefoontjes. Films blijven maken, omdat het zonder school ook kan. Ik wil uit met mensen die ik eigenlijk niet goed genoeg ken. Ik wil muziek draaien, het volume opvoeren tot het klinkt als een liveconcert in mijn hoofd, totdat ik elke hum en klik en klap kan scheiden, de meerstemmigheid kan ontleden. Ik wil muziek maken, richels in mijn vingers spelen, mijn stem als instrument ontdekken.

Ik wil om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden, me in gedachten verontschuldigen tegenover mijn buren. Ik wil mijn kansen iets meer spreiden. Weer gaan studeren, maar óók iets meer het leven leiden dat daarbij hoort (en daardoor om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden). Misschien zelfs mijn  paleisje verlaten voor een studentenkamer, inclusief leuke huisgenoten (en een keuken waar niemand kookt, een badkamer waar de schimmels welig tieren). Misschien ook nog even niet.

Ik wil over stations rennen, richting treinen die ik wel of niet zal halen. Rennen om het rennen, want in feite heb ik de tijd. Tijd die ik geen tussentijd meer zal noemen, omdat zoiets niet bestaat – het is tijd op zich, net als anders.

En zo werden al die plannen dan uiteindelijk realiteit. Voor de nieuwsgierige aagjes, een concreet lijstje in willekeurige volgorde:

  • Op bezoek bij Colette – in Amerika (!)
  • Een cursus camerajournalistiek, omdat ik mezelf niet alles kan leren.
  • Een tijdje lesgeven op mijn oude school, over filosofie en kunst en creativiteit. Niet dat ik daar opeens een diploma voor heb, maar het mocht.
  • Verhuizen – misschien, want ik ben redelijk verknocht geraakt aan mijn plekje in de binnenstad. Maar als iemand nog een kamer weet? In het centrum of zo? Ik houd me aanbevolen.
  • Lid worden bij een vereniging in Utrecht (Histos). Vorig jaar aangemeld en ingeloot, maar ik deed het uiteindelijk niet, want te druk. Pfft. Dus als iemand een goed woordje voor me wil doen?
  • Nog weinig concreet, maar toch: films maken, laten mislukken, weggooien, alsnog het internet op slingeren. Schrijven, tekenen, spelen. Fotograferen, op zangles. Creatief zijn omdat het me blij maakt. (Behalve die zangles. Doodeng vind ik het. Maar ik ga toch.)
  • Na het schrijven van dit stuk onder de douche gaan staan. Het is halftwee ’s nachts. Sorry buren.

Lieve allemaal, bedankt voor het lezen. En voor de gesprekken en berichten vol vertrouwen, toen ik dat zelf een beetje kwijt was. Ik doel op meer vrolijke verhalen de komende tijd. Al heeft deze reeks ook een goed einde.

WEEK 4 | DANSEN OP TAFEL

9r7a9763

Voor mijn zevende verjaardag kreeg ik het boek ‘Matilda’ cadeau. Ik leek een klein beetje op haar. Ik had geen hysterische bingomoeder of een corrupte vader, geen chubby broer en geen tiran als schoolhoofd. Ik was geen rekenwonder, verstopte nooit papegaaien in de schoorsteen. Het telefoonboek was niet het enige boek dat we in huis hadden.

Al met al was ik geen kindergenie met een traumatische jeugd. Maar ik las wel graag, vlug en veel, net als Matilda. Ik wílde vooral graag op haar lijken. Een heldin was ze, stoer en vol grootse plannen – wie weet ligt bij haar het begin van mijn feministische inborst. Met al haar overtuiging kon ze voorwerpen laten bewegen met haar ogen. Reken maar dat ik verscheidene minuten van mijn leven starend heb doorgebracht, in de ijdele hoop een potlood te kunnen laten vliegen. Toen ik de verfilming ontdekte, was mijn favoriete scène dan ook die waarin Matilda dansend op tafel de hele huisraad de lucht in tovert. Ook vanwege de vrolijkste soundtrack ooit (klik). Kom ik zo op terug.

Eerst naar het nu, bijna twaalf jaar later. Op l’autoroute laten we suikerspinroze luchten achter ons terwijl we richting het noorden rijden. Het was fijn in Parijs. Alleen even auto’s op de weg om de lucht te klaren. Een supermarkt met lift, vissen op ijs en bijbehorende geur. Een restaurant met koud licht en ijsberenstickers op de ramen, want het is bijna kerst. De eigenaar geeft me een hand, ik eet toast met foie gras tegen mijn principes in. Mierzoete wijn en dan naar huis, door de stad waar alles zeshoog in het rond loopt – en ik dus ook.

Waar de bakkers tot acht uur ’s avonds nog de geur van stokbrood door de straten sturen. Tussen de pubers met een dubbele portie ‘je ne sais quoi’ (want Parijs én puber). Langs hekken vol stepjes aan een kettingslot – steppen is het nieuwe scooteren, let maar op. Een weekend waarin mijn familie dichterbij dan ooit was – op zo’n Frans terras delen we maximaal twee vierkante meter.

Maar nu dus op de terugweg. Mam rijdt, ik doe de muziek. Al is er van ‘doen’ niet echt sprake – ik schud enkel mijn afspeellijst met favorieten. We naderen de geruisloze Nederlandse wegen, en daarmee ook mijn deadline. De get-your-shit-enigszins-together-deadline. Ga-nou-genieten-van-je-vrije-half-jaar-deadline. We praten, vooruit starend naar het Belgische asfalt. En dan klinkt dat ene liedje. ‘Je kan alles in beweging zetten,’ zegt mam, met een knikje naar de radio. ‘Dat doet zij ook.’

Met die woorden kan ik nog steeds niets laten vliegen. Maar naar Matilda’s voorbeeld zal ik dansen op tafel.

En dus ging ik aan de slag. Ik struinde het internet af, begon langzaam mijn notitieboek weer te vullen, regelde vliegtickets en maakte eindeloos veel lijstjes. Wat daarop staat lees je volgende week, in de laatste van de reeks!

WEEK 3 | TIJD EN RUIMTE

Om halfzeven besluit ik uit bed te gaan. Al vanaf halfvijf lig ik naar het plafond te staren en zelfs op dit uur is dat verspilde tijd. Dus bind ik mijn haren in een poging-tot-staartje en klik ik een lichtgevende band vast rond mijn bovenarm – speciaal voor jou, mam. Met enkel mijn huissleutel in het ritsvakje boven mijn billen trek ik de voordeur achter me dicht.

Naar rechts in plaats van links. De straten zijn donker en verlaten – niemand die mijn rode hoofd zal zien. Ik zet koers richting de Dom.

Een enkele lege bus haalt me in, een veegmachine overstemt mijn muziek. Bij iedere passant vraag ik me af of ze al wakker zijn, of nog steeds. Soms is het overduidelijk, gezien de zigzaggende lijnen die worden afgelegd. Een meisje komt me tegemoet. Ze kijkt verdwaasd op van haar telefoon – vanwege alcohol, of toch dat rode hoofd van mij. Haar benen zijn bloot en haar jas lijkt gestolen. Tenminste – er staat ‘Willem’ op de rug. Ze kan hem natuurlijk geleend hebben. Gekregen, van Willem. Misschien heet zij wel Willem. Wie zal het zeggen.

Misschien loop ik volgend jaar ook door de stad om half zeven, zonder lichtgevende armband maar met een jas waarop niet-mijn-naam staat. Dit jaar behoorde ik tot een andere groep. Op weg naar school kon ik raden wie erbij hoorde en wie niet. Mensen met slechts een rugzak gingen rechtdoor naar de hogeschool. Mensen met tekeningenkokers, hutkoffers of totaal ondefinieerbare objecten onder hun snelbinders sloegen linksaf. (De mensen met blauw haar meestal ook.)

De school hing vol met woorden, beelden, installaties. De kunstacademie was daadwerkelijk vol kunst. Soms ontging het me – één keer dacht ik dat het afval was.

(Sorry.)

(Mijn eigen werk werd vervolgens tot twee keer toe weggegooid door de schoonmakers.)

De lessen gingen van technisch tot uiterst zweverig. Zo maakte ik continuïteitsmontages, maar ook collages met stukjes krant. Ik interviewde klasgenoten en reflecteerde als twee tegenovergestelde spiegels – tot in het oneindige. Ik liep rondjes door de buurt, op zoek naar schaduwen, kleuren en structuren. Ik ontdekte dat ik plezier had in het maken van een analoge powerpointpresentatie of een aquarel met kleuren die gedachtes verbeeldden, op mijn zelfbenoemde knutselmiddagen op dinsdag. Maar dat ik mezelf tegelijkertijd niet meer zo serieus kon nemen. Terwijl het hoe dan ook hard werken was.

Toch heb ik geen spijt, vanwege alles wat ik nu weet en een half jaar geleden nog niet. Vanwege de stad waar ik me, drie uur ’s middags of ’s nachts, dronken of nuchter, met of zonder jas, zo thuis voel. Ik heb leuke mensen leren kennen, quotes verzameld* en heus wel wat geleerd. Dat blijkt alleen al uit het feit dat ik niet meer naar een film kan kijken zonder te denken: dit is echt heel veel werk. Maar bovenal heb ik ontdekt dat de kunstacademie ook gewoon een school is – hoewel het woord ‘gewoon’ er niet lijkt te bestaan.

*Die uitspraken kan ik jullie natuurlijk niet onthouden. Een selectie:

‘De filmindustrie is ook een kwestie van hosselen.’

‘Dat is een heel interessant probleem. Maar daar gaan we het nu niet over hebben.’

‘Hoe dat komt? Daar zal ik vannacht eens van wakker liggen.’

‘Hoe hoog is het Plato-gehalte in jou?’

Bij de Moeder der Vage Vakken: ‘Maximaal één A4. Niet ouwehoeren.’

‘Verticale oriëntatie. Deze foto heeft er geen reet mee te maken, maar ik vind ‘m wel leuk.’

‘Wat is het probleem in de Titanic?’ ‘Dat ‘ie zinkt?’

‘Ik haal mijn inspiratie uit naakte lichamen. En fruit.’

En m’n favoriet, die me bijna doet terugverlangen: ‘Als filmmaker heb je tijd en ruimte in handen.’

Bijna.

Zo zag mijn afgelopen half jaar er dus ongeveer uit. Voor het komende half jaar zijn de plannen in de maak. Eind 2016 wilde ik mijn zaken weer enigszins op een rijtje hebben. Of dat me gelukt is?  Jullie lezen het volgende week. Het is verdorie net GTST. 

fullsizeoutput_10fullsizeoutput_fimg_7862

WEEK 2 | RELATIEVE SNELHEID

Het is één graden, maar dat is mijn enige excuus. De zon schijnt, het is droog, ik heb nieuwe schoenen. Ik zou ze omschrijven als ‘niet heel lelijk’ – zeeblauw met roze randjes. Uit Marts kast heb ik een trui gepakt die hij waarschijnlijk niet meer draagt. Anders had ‘ie er niet meer gelegen. Hier, thuis-thuis. Ik ben terug in het dorp en ik ren door het centrum.

Het maakt niet uit waar ik heenga. Een half uur is het doel, mijn weg terug vind ik toch wel. (Hier wel.) Langs het bevroren meer, waar binnen een paar dagen kinderen op zullen gaan staan, elkaar zonder woorden uitdagend om steeds verder te het ijs op te lopen. Langs een buitenproportioneel aantal kappers en Chinese restaurants. Door het bos, waar de bladeren recht naar beneden vallen bij een gebrek aan wind. Hardlopend door het dorp vlieg ik, terwijl de rest van de wereld net iets te langzaam om me heen beweegt.

(Niet dat ik nou zo hard ga. Het is een relatieve snelheid.)

Nergens naartoe, maar er vandaan. Weg van mijn knipperende cursor. Weg van Netflix, dat me vraagt ‘of ik nog steeds Modern Family aan het kijken ben?’ Weg van steeds hetzelfde verhaal.

Elke periode kent zijn eigen vraag. Als je zeven bent vraagt men wat je later wil worden. Met elf gaat het over de middelbare school. Vijftien is de profielkeuze, zeventien de studiekeuze. Achttien is de studie. Bijna dagelijks wordt gevraagd wat ik studeer.

Nou, helemaal niks.

(Komt dit nou als een verrassing, lees dan even het vorige stuk.)

Daar kan ik het bij laten, maar dat lukt me niet. Want ik ben niet ‘gewoon’ gestopt met mijn studie. Vol overtuiging dook ik in het kunstacademieleven, met lesdagen van negen tot negen, crashende portals en een sterke stroom aan deadlines. Een jaar aan overwegingen, toelatingen en samenwerkingen, beëindigd met één klik op een roze kruisje.

Maar in feite dus gewoon gestopt met m’n studie. Of zoals Mart het samenvatte: je hebt opeens een half jaar vakantie!

Was het maar waar. Nee – dat ís waar. Zo’n zeven maanden aan vrije tijd, maar als vrijheid voelt het niet. Nog niet. Plannen genoeg, maar het blijven slechts plannen. En dus begon ik met rennen, om maar iets te dóén. Iets concreets, meetbaar in afstand en tijd – om het vervolgens vooral niet te meten. Niet te veel willen nu. Alleen de ene voet voor de andere.

Het zwarte gat kreeg me zelfs aan het hardlopen, en dan niet eens als gedoemd-te-mislukken-nieuwjaars-voornemen. Is dit alles toch nog ergens goed voor. Maar ook in de kunstacademieperiode daarvoor heb ik dingen geleerd – en een hoop leuke quotes verzameld. Waarover meer, je raadt het al: volgende week.

img_8417

WEEK 1 | VEEL LAWAAI

Mijn thee is op en mijn hoofd zit vol. Het is maandagmorgen. Ik bivakkeer al sinds halfnegen in een cafétje aangezien thuis (Utrecht-thuis) de verwarming uit de muur gesloopt wordt. Dit in de hoop dat ‘ie ophoudt met tikken. (Hoewel ‘tikken’ zacht uitgedrukt is. Het begint vaak met ‘wiehiehiehiehie’, vervolgens ‘toektoektoektoektoektoektoek’, dan ‘TOEK. TOEK. TOEK’. Dan even rust, dan weer opnieuw. Bij voorkeur om drie uur ’s nachts. Maar dit geheel terzijde.)

Ik ben aan het spijbelen, officieel gezien. Ik heb een les en een presentatie en ik heb niets voorbereid, dus ik ben er niet. Ik ben gestopt met m’n studie, officieus gezien.

(Hier een rustmoment om over de schok heen te komen, zij het voor mezelf.)

Naar de kunstacademie gaan betekende kiezen voor datgene waar ik enthousiast van werd. Totdat ik er niet meer enthousiast van werd. Ik raakte verstrikt in organisatie, techniek en vastgelegde thema’s. En zo kwamen de twijfels. En twijfels over de twijfels – het zál ook eens niet. Ik vroeg me af of ik niet wat meer geduld moest hebben, of iets minder eigenwijs kon zijn.

(Spoiler: kon ik niet.)

Niet met dit. Wat betreft creativiteit, waarbij het behoud van eigenheid de enige manier is waarop ik tot iets kom dat ik de moeite waard vind. En zo besloot ik, na uitvoerig overleg met iedereen en mezelf, om te stoppen.

En nu zit ik hier, op maandagochtend in een café, met een hoofd vol ideeën en de tijd om ze uit te voeren. Maar het is als die verwarming: veel lawaai, weinig effect.

Mijn vingers houden zich angstvallig stil boven mijn notitieboek, zich afvragend hoe nu verder. ‘In den beginne was het woord’, aldus het populairste geschrift ter wereld. Misschien is dat niet zo’n slecht begin.

Na twee maanden kunstacademie stopte ik ermee. Wie had dat gedacht? Ik in ieder geval niet. Om het toch-wel-enigszins-gevreesde zwarte gat te omzeilen, schreef ik erover. Ongeveer een stukje per week, tot het einde van het jaar. Over de momenten dat ik het hilarisch vond dat juist ik de eerste drop-out was van iedereen. De momenten waarop ik anderen wel kon slaan, wanneer zij er grapjes over maakten. Over de momenten dat ik dacht: wat heb ik gedáán? En de momenten waarop ik in volledige vrijheid door de stad fietste, als het einde van een voorspelbare feelgood film – muziekje van Natasha Beddingfield erbij en klaar ben je

Misschien is het niet interessant of relevant, maar dat risico loop je natuurlijk altijd. Er komen vast ook weer foto’s en filmpjes en teksten over wat ik vind van het leven en zo. Maar voor nu even dit – stukje één. Stukje twee volgt! Want je gelooft nooit waar dit alles toe geleid heeft. (Ik maak er een soort soap van, denk ik, inclusief cliffhangers. Maar dan met meer tekst.)

EEN WEEKEND IN PARIJS

9r7a9121

We zijn nu op het moment waar ik vaak aan gedacht heb, deze zomer. Met zicht op hoe het gaat lopen, hoe de ritmes van onze levens gaan samenvallen – en soms niet. Dit weekend treffen we elkaar in Parijs.

9r7a9056

De vrijdag begint in Utrecht, met twee colleges. De docente geeft aan te begrijpen dat we vaak in brakke staat naar haar zullen luisteren, vanwege de nodige feestjes op donderdagavond. Een paar uur later sluiten we onze ogen. Er wordt een filmfragment afgespeeld en wij beelden ons in hoe het eruit ziet, aan de hand van de muziek. En zo geldt voor alles op de HKU: het had kunnen lijken op een normale school, maar dat is het niet.

9r7a8961

En dus noem je iedereen bij de voornaam. Krijg je huiswerk toegestuurd via Facebook en beginnen de lessen soms om zeven minuten over twaalf. Er wordt gestrooid met tegenstrijdigheden, die weer allemaal teniet worden gedaan door één en dezelfde kreet: doe vooral ook wat jouzelf juist lijkt. Daar kan ik iets mee.

Tussen de colleges door eten we pepernoten uit de kantine (plus- danwel minpunt). Na een gehaast applaus ren ik de zaal uit, richting Parijs.

9r7a9129

De straatverlichting kleurt de avond geel. We eten vroeg voor daar en laat voor hier. Een restaurant met een krijtbord als kaart en eieren met mayonaise op het menu. Om de hoek een bed, een bank en De Wereld Draait door. Ook in Frankrijk.

9r7a8974

Op zaterdag ben ik in het park, voor foto’s van het gewone maar absurde Parijse leven. Een vrouw in sportkloffie spreekt me aan. Alles aan haar zegt me dat ze die kans maar zelden krijgt: praten tegen iemand anders dan zichzelf. Dus ik luister, terwijl ik eigenlijk schuil voor de regen, met kans op een foto. Met Fransen valt prima te praten, merk ik. Zolang je maar niet laat blijken dat je er niets van verstaat.

9r7a9218

Aan ‘merci’ heb je genoeg. Ik koop nectarines bij de Turkse winkel, we geven onze merci over en weer, net als het plastic zakje en het wisselgeld. Nog een ‘au revoir’ toe en klaar ben je.

9r7a9203

Volgende dag. Pap zegt bonjour bij binnenkomst, stokbroden en kranten in het Frans. Maar het idee is hetzelfde: wij vieren aan een lange houten tafel op zondagochtend.

9r7a9031

Weer in de trein. Een vrouw met een last-minute kaartje zit met een buggy in het tussengedeelte. Ze neemt een slok wijn uit een fles terwijl ik wacht voor de wc. Wankelend door het gangpad is iedereen dronken. Ik loop door de wagon tegen de richting in – toch brengt de Thalys me terug.

9r7a9217

Eerst was alles automatisch verbonden. School met vrienden, vrienden met het dorp en het dorp met thuis. Een leven als compleet bouwpakket. Momenteel zijn het losse legoblokjes, verspreid door de kamer. Soms is er één kwijt of vergeten, word ik er pas aan herinnerd wanneer ik er met mijn blote voet in ga staan. De vanzelfsprekende samenhang is dat niet meer. Maar via de rails rijg ik het geheel aan elkaar.

OVER WISSELTRUCS, VERENIGINGSPERIKELEN EN HET KEBABPALEIS

Processed with VSCO with c1 preset

Nog voor de week is begonnen, besluiten we al te negeren wat de bedoeling is. Om negen uur staan we dus niet met de eerste shift bij Tivoli – we liggen nog in bed. We worden wakker op mijn slaapzolder die voor de gelegenheid in één groot matras veranderd is. Ik heb twee logees: oud-klasgenootje Mélina en nieuw-klasgenootje Sophie. Op tijd voor shift twee parkeren we onze fietsen. Een regenboogkleurig zebrapad leidt ons naar het gebouw waar het studentenleven dan echt moet gaan beginnen, middels de Utrechtse Introductie Tijd.

We krijgen een bandje, een nummer (allemaal een ander) en een tas vol met flyers die we de hele week nog toegestopt zullen krijgen. Al na één dag had ik een full-time horecabaan en een semi-gratis sportabonnement kunnen hebben. Maar omdat ik weet dat sommige dingen nu eenmaal té mooi zijn, eindig ik slechts met reclamefolders en een sletterige sticker. (‘Bezet? We zullen zien…’)

In het Wilhelminapark begint de zoektocht naar mijn groep. Het is een zee van in rode shirts gehulde mentoren, in hun hand een bordje met het groepsnummer. Het brugklas déjà vu is onvermijdelijk, alleen al vanwege de obligate en licht ongemakkelijke voorstelronde. Mélina en ik voeren een wisseltruc uit en komen terecht in Sophie’s groep, waardoor we maandag na een geslaagd karaokefeestje met z’n drieën de Utrechtse nacht door fietsen.

UIT20163

Dinsdagochtend ontmoet ik mijn nieuwe groepsleden in de afwezigheid van alcohol en harde muziek, waardoor ik een beter idee krijg met wie ik nu eigenlijk de week ga doorbrengen. Tijdens een workshop rugby komt ieders ware aard naar boven. Sommigen zijn te lief, anderen te hard en een deel ligt nog met een brak hoofd in bed. Ik behoor zelf tot de tweede groep. Na een uur ben ik zo’n vijf tackles en een broek vol grasvlekken verder. Tot grote hilariteit van de echte rugbyers, die de workshop organiseren. ‘Alleen nog de schouder erin en ze kan meedoen.’ Ik wijt het aan een combinatie van een tikje te lomp en een tikje te fanatiek. De verleiding om me direct in te schrijven is dan ook zeer groot, maar ik besluit toch nog even verder te kijken.

Er valt een hoop te kiezen wat betreft verenigingen, en iedereen gaat ergens bij – zo lijkt het. Ik ga mee naar rondleidingen en lach mee om bizarre paklijsten die na inschrijving in een fiks tempo bij elkaar gesprokkeld moeten worden. (‘Een uilenbal. Een blauwe kameel. Een handdoek voor als je eventueel kan douchen.’) Ook vanuit andere steden krijg ik wat mee van het verenigingsgeweld. Broerlief is al twee weken van de aardbodem verdwenen. Een vriendin uit Leiden doet een beroep op mijn creativiteit, in de hoop een invulling te vinden voor alle non-existente voorwerpen die ze dient te verzamelen.

We komen terecht in typische net-het-huis-uit-situaties. Dat we zowel fris als sinaasappelsap als wijn uit wijnglazen drinken, want die zijn nog schoon en afwassen kost moeite. Dat ik opeens saaie dingen koop als schoonmaakmiddel en wc-papier (zoveel soorten!). Dat we de Olympische Spelen heel goed kunnen volgen, omdat ons leefritme prima past bij de Braziliaanse tijdzone. Dat we om weet-ik-veel-hoe-laat in een bushokje friet zitten te eten, omdat ik de smerigheid binnen in het kebabpaleis niet aankan. En dat er dan daadwerkelijk nog een bus langskomt, want zo gaat dat in een grote stad.

(Je merkt, ik ben niets gewend.)

UIT20162

Maar de grootste bijdrage aan dat gevoel wordt geleverd door de studenten zelf, die de stad domineren deze week. Daarbij verbaas ik me over de enorme hoeveelheid knappe mensen die er in Utrecht woont. Wachten bij het stoplicht is niet meer erg en naar de supermarkt gaan is één grote datingshow. Flirten en boodschappen op een band laden gaat verrassend goed samen. Dan heb ik het niet echt over mijzelf, overigens. Nog even inkomen.

(Mocht je nu denken: lekker oppervlakkig, Milou – het is nog vakantie, hè. Inhoud volgt daarna weer.)

Het lijkt ook alsof we op vakantie zijn in Utrecht, inclusief overnachtingen in mijn eigen huis. De avonden beginnen met Thirty Seconds, waarbij de nodige memorabele quotes ontstaan. (‘Mercurius, is dat bier of een voetbalclub?’) Bovendien blijkt Mélina een waar topografisch wonder – de hoofdstad van Litouwen, anyone? We zetten de nacht voort op het dakterras van een studentenhuis, beklimmen honderden treden in Tivoli en dansen daarna ergens verder.

UIT20164

De UIT valt tegelijk met de zomer. Enkel strakblauwe luchten en licht verbrande schouders. Ultiem weer om te hangen in het park, zoveel mogelijk gratis waterijsjes te scoren en gewoon door Utrecht te fietsen. De zon laag, de terrassen vol. En te bedenken: ik wóón hier. Dit is mijn stad. Na deze week weer wat meer.

Ten slotte nog wat praktische info – vrij zeldzaam hier op de blog, dus doe er je voordeel mee. Drie tips voor toekomstige UIT-lopers!

  1. Regel een fiets in Utrecht. Bijna belangrijker dan een kamer, tijdens de UIT-week. Utrecht is niet extreem groot, maar de activiteiten zijn verspreid door de hele stad. Daarnaast heeft iedereen een beetje een hekel aan je wanneer ze je een week lang achterop moeten nemen. Sta je meteen 1-0 achter. Een fiets, dus.
  2. Zeg ‘ja’ tegen alles. Oké, misschien niet álles. Probeer je verstand niet helemaal uit te schakelen. Maar de UIT-week is een kans om op plekken te komen waar je daarna waarschijnlijk niet meer komt. Dus pak die. Ga mee naar het dakterras van je groepsgenootje, naar de workshop rugbyen om elf uur ’s ochtends, hoe gaar je ook bent. Zeg sowieso ja tegen de rondleidingen die door alle verenigingen georganiseerd worden. Je ontdekt een hoop lachwekkende tradities en komt direct in studentikoze sferen. Al is het maar door de geur van verschraald bier die op elke sociëteit aanwezig is.
  3. En dan de ultieme tip, die ik zelf van meerdere UIT-lopers kreeg: wissel van groepje als het je niet zint. Hoe enthousiast je ook probeert te zijn, soms klikt het gewoon niet zo. Kan gebeuren, met vierduizend nieuwelingen die willekeurig worden ingedeeld. Bedank voor de geweldige eerste dag/ochtend/vijf minuten. En dan nokken. Voor iedereen beter.

ZOEKEN EN VINDEN

9R7A8511

Het was zoeken en vinden, de afgelopen dagen. Zoeken naar mijn fiets in Utrecht. Zoeken naar de juiste woorden voor de diploma-uitreiking. En zoeken naar Pokémon, natuurlijk, al heeft dat niet direct betrekking op mij. Dat wil zeggen, ik zie het niet als een levensdoel op zich om een Pikachu te vangen of gymmaster te worden. Maar verder vind ik het alleen maar grappig dat enkele vriendinnen, familieleden en eigenlijk de halve wereld in de ban is van Pokémon Go. Alleen al omdat het de maatschappij op een sympathieke manier ontregelt. Nachtelijke meetings in het park, en het aloude ‘Doe je voorzichtig?’ dat vervangen is door ‘Je gaat niet rijdend Pokémons vangen, hoor!’

(Maar serieus: zorg alsjeblieft dat je nergens tegenaan knalt.)

In Utrecht vind ik steeds beter mijn weg. Naar mijn idee bevindt alles zich aan dezelfde lange straat, al zal dat waarschijnlijk betekenen dat ik pas een fractie van de stad gezien heb. Toch is het in mijn geval (‘zeg ik links, ga dan vooral rechts’) telkens weer een kleine overwinning wanneer ik, zonder op mijn telefoon te kijken, mijn fiets op de juiste bestemming kan parkeren.

Het terugvinden van die fiets is weer een ander verhaal. Wanneer ik op de Oudegracht een plekje zie, prop ik mijn zwarte gevaarte daar gedachteloos in. Slot van drie kilo eromheen, niets meer aan doen. En dus struin ik enige tijd later op en neer langs de rekken, terwijl ik telkens weer versteld sta van mijn eigen onoplettendheid. Ik moet ‘m maar snel oranje gaan spuiten, die fiets. Of van die plastic mamabloemen kopen voor aan mijn stuur.

(Maak je geen zorgen, toekomstige stadsgenoten. Ik zal geen neonkleurig kratje voorop zetten. Ik ben me er van bewust dat dat – vooral bij fietsenrekkenschaarste – zeer asociaal is.)

De eerste nacht dat ik in Utrecht sliep, was ik met Mienke. We deden een poging tot het schrijven van een verhaal voor de diploma-uitreiking. Het feit dat die nog even op zich liet wachten, maakte dat de druk om daadwerkelijk iets te schrijven vrij laag was. Maar het begin was gemaakt.

Vorige week donderdag voelden we dan toch enige urgentie dat verhaal af te maken. Dus dat deden we. We schreven en schrapten. We overlegden uitvoerig over een gebrek aan samenhang, over momenten die per se vernoemd moesten worden en welke grappen we wel of niet konden maken.

Afgelopen maandag besloten we het geheel maar eens te oefenen. Precies op tijd voor de diploma-uitreiking, die avond. Voorzien van corsages en een gezonde dosis zenuwen liepen we de zaal binnen. Op de achtergrond klonk een heel Amerikaans deuntje, overstemd door het applaus van vrienden en familie. Wij leerlingen namen plaats in het midden en werden overladen met mooie woorden. Voor iedereen was er een mooi, grappig, maar vooral persoonlijk verhaal. En toen kwamen wij.

‘Daar ben ik weer,’ begon ik, mijn stem galmend door de gymzaal. Door een samenloop van omstandigheden stond ik voor de vijfde keer op het podium tijdens ons laatste woord. De insteek was ‘doen alsof’. Wij leerlingen waren daar behoorlijk goed in, maar aangezien we de school zouden verlaten, was het niet langer nodig. Ik voelde me lichtelijk bezwaard om te vertellen over spijbelpraktijken en alcoholaffaires, na alle lof die over me was uitgesproken. Maar na het delen van die ‘stoere verhalen’, hebben we hopelijk de juiste woorden weten te vinden. Aan de hand van vele herinneringen wilden we bovenal duidelijk maken dat we een enorm fijne tijd hebben gehad.

(En toen kwam er opeens een filmpje voorbij dat vanuit de zaal werd gemaakt. Hierbij drie tips aan mezelf:

  1. Blijf van je haar af
  2. Minder boos kijken mag
  3. Blijf van je haar af.

Maar verder ging het best prima.)

Ten slotte wilde onze biologiedocent iets vragen aan onze gymdocente. Niet zomaar een vraag – hij ging ervoor op zijn knieën. Geklap en gejuich, een stiekem traantje en heel veel respect – je moet het maar durven. Mocht één van hen dit lezen: heel veel geluk samen!

In de aula zocht ik een hoop leraren die ik nog wilde bedanken. Niet allemaal gevonden, dus bij deze nog eens: bedankt voor alles. We zochten en vonden elkaar, de mensen met wie ik die mooie tijd beleefd heb. Een allerlaatste foto op het duistere schoolplein. Dertien meisjes in zomerse jurkjes, bloemen in de hand. Boven ons de leus waar we zo vaak de draak mee hebben gestoken, maar die voor ons toch waar geworden is. Zoals mijn mentor over me zei: mezelf gezocht en gevonden. Groot geworden op het Eckart.

Voor mijn gevoel ben ik al zo’n drie maanden afscheid aan het nemen van mijn middelbare school, en dat hier met jullie aan het delen. Hope you don’t mind. In ieder geval: hier houdt het echt op! On to the next one.