Persoonlijk

IK STOND DUS EEN TIJDJE VOOR DE KLAS | EINDHOVEN

Wanneer je terugkomt op een plek waar je een tijd niet geweest bent, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Zo kwam ik twee jaar na een verhuizing terug in het huis waar ik was opgegroeid, verbaasd over hoe kléín alles was – niet stilstaand bij het feit dat ik zelf een behoorlijke groeispurt had doorgemaakt.

Anderzijds kom je soms ergens terug, om te ontdekken dat alles hetzelfde is gebleven. Zoals op mijn middelbare school in Eindhoven – van de puberstroom in de pauze tot de gifgroene vloerbedekking in de gang. En een jaar na mijn eindexamens begint het eerste uur nog steeds – excuseer – fucking vroeg.

Een donderdagmorgen in april, gapend laat ik heet water in een kopje stromen. ‘Hier mogen eigenlijk geen leerlingen komen, hè.’ Als je met genoeg zelfvertrouwen de docentenkamer binnenloopt, gaat men er vanzelf vanuit dat je daar hoort. Andersom hoef je maar enigszins twijfelend om je heen te kijken, en de conciërge pikt je er zo uit.

Voor iemand die stopte met haar opleiding, bracht ik nog heel wat tijd in de klas door. Beter gezegd: voor de klas. Ik gaf een paar weken les over filosofie, kunst en creativiteit. Bladerend door boeken en kranten, struinend over het internet vond ik mijn thema’s. In koffietentjes vond ik mijn concentratie.

(Deze lessenreeks wordt mede mogelijk gemaakt door Coffee Company Nachtegaalstraat).

Het vierde blok, de vierde klas. Met een kleine twintig leerlingen filosofeerde ik over kunst in de allerbreedste zin van het woord. Wanneer is iets kunst? Wat is het nut ervan?  Wat is het verband tussen Aristoteles en GTST? Welk kunstwerk ken je al jaren, zonder het te weten?  En waarom gaat het steeds weer over dat omgekeerde urinoir?

Veel vragen, weinig antwoorden. Mijn doel met de lessenreeks was niet zozeer duizend jaar kunstgeschiedenis oprakelen. Veel liever wilde ik een nieuwe manier laten zien om naar kunst te kunnen kijken.

(Ik ga nu even mijn eigen lesplan quoten. Sorry daarvoor.)

‘Wanneer je probeert kunst alleen maar te ervaren vanuit je gevoel, ga je voorbij aan een context vol betekenis. Dat lijkt mij zonde. Want juist in die context zal je ontdekken dat kunst ontroerend kan zijn, grappig, bijzonder, irritant of gewoon heel raar. Dat makers hun tijd soms ver vooruit waren, dat ze gedurfde dingen deden, die zelfs nu nog invloed kunnen hebben op hoe wij de wereld zien.

Wél nadenken dus – met al die vragen en antwoorden in je hoofd zal je vanzelf een gevoel ontwikkelen bij bepaalde kunstwerken. En een mening erover. Dat is het leuke: kunst heeft altijd te maken met je eigen interpretatie. Het is als het leren drinken van wijn: hoe meer soorten je proeft, hoe beter je ontdekt wat de verschillen zijn en wat je eigen smaak is. Alleen word je van kunst niet dronken.’

Dat dus. Maar waarschijnlijk heb ik zelf nog het meest geleerd van deze ervaring. Om een paar dingen te noemen:

  • Misschien wel het moeilijkste deel van een les: het begin. Al snel kwam ik erachter dat ik een soort kreet nodig had om de aandacht te krijgen, wilde het niet heel ongemakkelijk worden.

(‘Ehh, jongens!

Jongens?

Jongens…?

Kunnen jullie heel even…?

Ja?

Dankje – hallo?

Ja.

Dankjewel.’)

  • Maar als ik eenmaal begonnen was, voor het bord met een kop thee in mijn hand, voelde het al snel vertrouwd. Binnen een week hoorde ik mezelf dingen zeggen als ‘Ga je ook nog even aan het werk? Als je het nu doet, heb je het straks thuis eerder af.’ ‘Zou het misschien verstandiger zijn als jullie niet naast elkaar gingen zitten?’ En dan deden ze dat nog ook. Het was dan wel een kleine klas met goede manieren. Maar tóch. Toch verwachtte ik stiekem dat op een bepaald moment de pleuris uit zou breken, omdat ze erachter waren gekomen dat ik geen échte docent was.

(Al wisten ze dat vanaf les één natuurlijk al. Vorig jaar spendeerde ik mijn pauzes nog naast hen in hal B.)

(Bovendien was er steeds wel een échte docent bij, mocht het dan toch uit de hand lopen.)

  • Het is leuk. Al zo’n vijf jaar geef ik bijles, met veel plezier. Ik wist dus dat het overdragen van kennis me blij maakte. Maar zo’n hele reeks opzetten, van onderwerpkeuze tot nakijkwerk, bracht nog veel meer met zich mee. Meer verantwoordelijkheid, meer organisatie, meer voldoening. Meer leuke, slimme leerlingen vol verrassende uitspraken. Hoe cool is het als je het idee hebt dat er mensen zijn die echt iets gedaan hebben met je verhalen – omdat je dat in hun zelfgeschreven essays kan terugzien.
  • Ten slotte het besef dat het me misschien wel iets lijkt – voor als ik later groot ben.

Verder in Brabant: examenfeestjes vieren. Genieten van het ouderlijk huis – met name de tuin, waar het ruikt naar warme dennenbomen en waar de vogels je ’s ochtends wakker maken. Avonden bij de buitenhaard – niet tot het te koud wordt, maar tot het hout op is. Woorden hangen nog in de lucht, maar niemand voelt zich geroepen ze te vangen. De knapperende vlammen voeren de boventoon, tot er slechts kooltjes resteren en het vuur nagloeit in mijn ogen.

Stad drie uit de reeks van steden. Amsterdam, Rotterdam en nu dus Eindhoven. Mijn favoriet bewaarde ik tot het laatst. Ergens over een paar dagen: Utrecht!

TECHNISCH GEZIEN | AMSTERDAM

Processed with VSCO with f2 preset

‘Maar wat doe je dan de hele dag?’

Dit moet wel de meest gestelde vraag zijn aan mensen in een tussenjaar. De antwoorden zijn wisselend, van niks tot kinderen helpen in een weeshuis tot carrière maken bij Albert Heijn. Ikzelf zit vooral veel in de trein. Nu zou ik dat niet echt als een activiteit bestempelen, maar het is de realiteit: mijn leven heeft zich de afgelopen tijd in drie verschillende steden afgespeeld, met nog een vierde in het verschiet. Stad voor stad maak ik de balans op.

De woensdag was voor Amsterdam. Niet de grachten en de pleinen die ik voorheen op een slot-met-fiets passeerde, maar een bedrijventerrein aan de Amstel. Bij een pastelkleurig metrostation stapte ik uit. De omgeving kleurde er met de weken beter bij, terwijl de bomen groener werden, de lucht blauwer. Langs een berm vol narcissen bereikte ik Open Studio.

Het dak was van glas. Op zonnige dagen rook het naar donkere vloerbedekking die langzaam opwarmde en op een bepaald punt zou smelten – maar zo ver kwam het nooit. Het was een verhuur, magazijn, school, maar oorspronkelijk een garage. IJzeren trappen leidden naar lokalen, op de begane grond stonden spullen waarmee elk video-idee werkelijkheid kon worden: tafels en rekken gevuld met lenzen, kabels en apparaten waarvan ik naar de functie alleen maar raden kon. Wat niet meer paste, stond in georganiseerde hoopjes op de vloer.

Processed with VSCO with c1 preset

Techniek is niet mijn ding. Ik kan een auto besturen, maar weet niet hoe het ding precies vooruit komt. Wanneer een apparaat kapot is, beperkt mijn plan van aanpak zich tot het uit- en weer inschakelen ervan. Het is natuurlijk een vicieuze cirkel: omdat ik het niet leuk vind, weet ik er niets vanaf. En dingen waar ik niets vanaf weet, vind ik niet leuk.

Ook wanneer ik bezig ben met films maken, laat ik de techniek geregeld links liggen. Zo komt het geregeld voor dat ik opnames maak zonder het geluid in te schakelen. Na vijf jaar monteerde ik nog steeds in iMovie. Mijn geliefde iMovie – het bracht me van schokkerige vakantiefilmpjes tot profielwerkstuk, maar niet verder. Ik wilde meer opties, in de vorm van een nieuw montageprogramma. Eén met angstaanjagend veel knoppen en vensters. Op de HKU had ik het in de vingers kunnen krijgen, ware het niet dat ik het na twee maanden voor gezien hield. Dus zocht ik mijn heil ergens anders.

Mijn klas bestond uit zes mensen. Ze hadden allemaal andere motieven, maar stelden mij dezelfde vraag: wat doe je dan nu eigenlijk? (Dat kan ik ze natuurlijk niet kwalijk nemen – dat is wat nieuwe mensen doen. Ze vragen wat je doet. Dat doe ik ook.) Ik deed dit. Luisteren naar onze docent-met-de-stem-van-Twan-Huys, die gepassioneerd vertelde over interlaced video, ND-filters en het verschil tussen 1080/50i en 1080/24p. En dan ging ik aan de slag, sjouwend met serieuze videocamera’s en statieven.

Een groot deel van mijn techniek-aversie wijt ik aan ongeduld. Wanneer ik een idee heb, wil ik niet bezig met instellingen en waardes – ik wil gáán, mijn spullen over mijn schouder hangen en mijn adem inhouden terwijl ik film. Techniek remt me af, terwijl ik liever gas geef.

Processed with VSCO with f2 preset

Dit merkte ik ook tijdens de laatste dagen bij Open Studio, die ik doorbracht in een donker montagelokaal. Terwijl ik driftig toetsencombinaties oefende, was het makkelijk te vergeten dat buiten de zon nog scheen. Mijn eigen materiaal vond ik niet bruikbaar, dus hield ik me bezig met een video over Amerikanen die oorlogje speelden met nepkanonnen, en een tweede over een imker die de bijencultuur wilde digitaliseren. Ik ontdekte dat bijen niet van UV-straling houden, dat Amerikaans klinkt als Russisch wanneer je het achterstevoren afspeelt. En dat mijn onderbewuste ook niets van techniek moet weten.

Uit enthousiasme gaat het overboord. Zelfs een verhaal over de ideale broedtemperatuur  in bijenkassen wakkert een intuïtie in mij aan die het roer volledig overneemt. Zo bleek, wanneer ik na twee uur geconcentreerd knippen en plakken mijn buurman hoorde praten over de keuzes die hij gemaakt had – allemaal heel bewust en volgens het boek, zoals de docent inderdaad die ochtend nog verteld had. Oh ja.

Conclusie: techniek is nog steeds niet mijn ding. Maar bij het maken van films is het wel handig om te weten welke regels er precies zijn om te breken.*

Verder in Amsterdam: lunchen met Mart in een suikerspinroze bakkerij vol blonde meisjes, het McFlurry-ritueel van mij en mijn nichtje in ere houden in de Kinkerstraat, op niet-woensdagen nog geregeld over de grachten fietsen – met een iets te zachte achterband. Maar dat geeft niet. Op de fiets heb geen haast.

Ik zou jullie op de hoogte houden van mijn tussenjaar, zo beloofde ik een tijd geleden. Hiermee maak ik een begin, speciaal voor alle nieuwsgierige aagjes out there. Die zijn er een hoop namelijk.

De best gelezen stukken van dit jaar:

  1. Het verhaal over mijn hospiteerstrijd
  2. Hoe ik veertien uur vastzat op een vliegveld in m’n eentje aan de andere kant van de wereld
  3. Waarom ik stopte met mijn studie

Sensatiebeluste aagjes, dus. Mocht je écht alleen geïnteresseerd zijn in het deel van mijn leven waarin er dingen niet lukken, dan hoef je deze reeks niet te volgen – ik heb namelijk (spoiler) een heel fijn half jaar gehad. Dan weet je dat vast. Next up: Eindhoven. 

*Maar ik leerde eigenlijk best veel, al was het alleen al via leuke anekdotes uit het film- en televisie-vakleven. Ook is het handig om te checken of je batterijen opgeladen zijn, voordat je vertrekt. En iMovie heb ik sinds de eerste les niet meer geopend.

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies. 

JE EIGEN LEVENTJE

FullSizeRender

Eind januari besloot ik dat het tijd werd om mijn eenpersoonspaleis in te ruilen voor een kamer in een studentenhuis. Door een combinatie van kieskeurigheid en een overvolle markt, heeft het even geduurd. Achttien mails, negen Facebookmessages, zeven berichten via Kamernet. Negentien uitnodigingen, elf afmeldingen, acht hospiteeravonden. Acht kamers vol glimlachjes, giechelende meisjes en chips waarvan nooit iemand eet. Zes keer een sms krijgen. ‘We vonden je supergezellig, maar helaas niet gezellig genoeg.’ Soms balen, soms niet echt. Maar sowieso denken: ik houd er leuke verhalen aan over. Bij deze.

FullSizeRender-1

‘Huize *** is op zoek naar een nieuwe huisgenootje! Per 30 februari komt er een kamer vrij in het allerleukste huis van Utrecht. Wij zoeken een meisje van minimaal 19 jaar – maar liever ouder – die weet wat het is om in een studentenhuis te wonen. We willen namelijk geen jonkie die we nog moeten leren koken of schoonmaken en bovendien moet je wel lekker op tempo mee kunnen zuipen. We zoeken iemand die enthousiast, gezellig, spontaan, sportief, knap en hilarisch is. Je drinkt graag wijntjes, doet graag drankjes en dansjes en je bent een beetje verslaafd aan Netflix. (Verder heb je hopelijk nog wel een authentieke hobby die jou er op de hospi uit laat springen, anders zijn we je aan het einde van de avond alweer vergeten.) We zijn een heel hecht huis met elke week een huisavond, maar ook huisweekenden, tripjes naar Berlijn en een kerstdiner in maart. We zoeken dus iemand die hiervoor in is, maar ook al écht haar eigen leventje heeft opgebouwd in Utrecht.’
FullSizeRender-4

In de voorstelronde probeer je een balans te vinden tussen deze ideale huisgenoot en de persoon die je echt bent. Want je danst inderdaad graag tijdens het uitgaan, liefst op foute hitjes die je hard en vals kan meezingen. Maar soms heb je het om twee uur wel gezien, val je half in slaap in een wc-hokje en besluit je maar naar huis te gaan. Daar heb je vrede mee. Je hebt geen pertinente hekel aan studeren. De favoriete huisseries heb je niet gezien. Prison Break niet. Breaking Bad niet. House of Cards niet. Je volgde wel trouw Wie is de Mol en van Modern Family kan je sommige afleveringen meepraten. Een deel vertel je, een deel besluit je strategisch te verzwijgen, afgaand op het soort avond waar je terecht bent gekomen. Om je een idee te geven:

Het onderonsje. Iedereen kent iedereen en anders op zijn minst één iemand. (‘Bij wie zit jij in de club dan? Bij Annabel? Nouuuu, wat toevallig! Ik heb met haar op de basisschool gezeten!’)

Het huis waar de overloop (3m2) ook de keuken en de woonkamer blijkt te zijn.

Het ongemakkelijke half uur. Na tien minuten loopt de secuur geprepareerde vragenlijst ten einde en beginnen er stiltes te vallen. Een zeldzaamheid op een hospiteeravond vol meiden. Maar hier is de helft niet komen opdagen. Er staan geen bierflesjes in de hoek, geen teksten op de muur, geen vaat op het aanrecht. Er is geen muziek – het enige geluid komt van de hamster die rondrent in zijn kooi. Je denkt wel kans te maken op de kamer, maar zegt het af, omdat je het gevoel hebt dat je anders bij twee veertigjarigen komt te wonen.

FullSizeRender-3

Het feest. Iedereen neemt bier mee, van kennismaken komt het niet echt – daarvoor staat de muziek te hard. Wie de kamer krijgt, wordt bepaald middels een rietadtcompetitie.

De bovenverdieping met de huisbaas die daaronder woont. (‘Hij heeft oorsuizen, dus je mag niet te veel met de stoelen schuiven. Hij wil alleen meisjes, omdat de toonhoogte van onze stemmen hem beter bevalt. Soms staat hij ineens in de gang. Wil ‘ie even babbelen. Ja, hij is echt heel geïnteresseerd in onze levens. Daarom wil hij ook eerst uitgebreid met je praten, voordat je hier komt wonen. Oh, en vanuit jouw kamer zie je hem soms halfnaakt yoga’en op het balkon. Maar verder is hij heel oké hoor. Echt.)

De diepe teleurstelling. Alles klopt: gezellig, licht, schoon zelfs. Het klikt. Het lijkt te mooi om waar te zijn – en dat is het ook. Je eindigt als derde. Hierna wil je nooit meer hospiteren.

Het semi-verenigingshuis. (‘Eigenlijk is alleen Noor lid, maar wij vinden het ook superlachen allemaal. Als je onze HJ wordt moet je trouwens wel een jaar lang alle afwas doen. Vo.’)

De kamer die eigenlijk een kast is.

FullSizeRender-2

De laatste. Je probeert op niets meer te hopen, en dat bevalt eigenlijk wel. Ook hier is het mooi, schoon, nieuw – de woonkamer is nog een lege ruimte, de tuin (!) slechts een gat in de nacht. Ook de kamer is donker – met een telefoon wordt bijgeschenen, maar je vergeet hoe het er eigenlijk uitzag. Op tafel staan chips die daadwerkelijk gegeten worden. Je praat zonder al te veel na te denken. Over het fijnste park van de stad, over Barcelona, over creativiteit. Je geeft toe dat je geen biertje openkrijgt met een aansteker. Je vertelt dat je het belangrijk vindt om ook elkaars ochtendhumeur, studiestress of irritante verliefdheid de ruimte te geven. Je loopt naar buiten. Misschien is dit het – de plek waar je eigen leventje zich zal gaan afspelen.

Twintig minuten later word je gebeld. Ondanks het feit dat je Eline Iris noemde en Kelly Amber, ondanks je ietwat zweverige verhaal over filosofie en het feit dat je nooit weet wat je moet koken. ‘Je bent het geworden. We vonden je een topwijf.’

WEEK 5 | (TUSSEN)TIJD

IMG_8029.JPG

Een week na mijn uitschrijving bevind ik me alweer tussen de ballonnen en brochures bij de Universiteit Utrecht. Verschil met twee jaar geleden is dat ik er nu in drie minuten naartoe kan fietsen – met mam achterop. Posters met foto’s van modelstudenten tekenen de muren, echte studenten in rode jassen wijzen ons de weg. We schuiven aan in volle zalen, waar norse vaders vragen stellen voor hun dochters, alsof nog niet besloten is wie van hen er eigenlijk gaat studeren.

(Mijn moeder gaat voor de gezelligheid mee, zoveel is duidelijk.)

Ik blijk nog steeds verliefd op de witte bibliotheek, waar duizenden boeken de planken kleuren en als vanzelf een fluistertoon afdwingen. Tezamen met andere nog-niet-studenten loop ik tussen de al-wel-studenten, die eruitzien alsof ze hele serieuze dingen doen op laptops, maar waarvan vast wel een deel Bubble Shooter speelt – het is tenslotte zaterdag.

Er is eigenlijk maar één rake opmerking en een goed gevoel voor nodig. Een week later heb ik een meeloopdag en is het besloten. Ik zal wel doen alsof ik nog open sta voor andere opleidingen, andere steden, maar in feite staat het vast: in september begin ik met Taal- en cultuurstudies in Utrecht.

Dan nog de tussentijd.

Wanneer alle verwachtingen wegvallen, blijft er één ding over: wat verwacht je van jezelf? Niet erg veel, in eerste instantie – het liefst wilde ik slapen tot het september was. Ik hoefde maar een halve keer te denken aan de film die ik twee jaar geleden maakte, om te snappen dat ik daar niet erg gelukkig van zou worden. Op zoek dus, naar nieuwe dingen om te willen.

Er zijn geen structuren om me op te beroepen, geen lessen, deadlines of verplichtingen meer. Er is niemand die eveneens geen lessen, deadlines of verplichtingen heeft. En dus trek ik mijn eigen plan, los van alles en iedereen. Ik ga mijn eigen structuur creëren – ik zorg wel dat het past.

Ik wil nog één keer verdwalen in Parijs, me verkijken op de lange straten die uitzichten bieden die dichterbij lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Toch geregeld andermans leven binnenstormen, hun kamers met of zonder deur, voor een bed of een feest of gewoon voor hen, omdat we nog steeds graag naar elkaars verhalen luisteren. Ik wil met Mart prijswinnende hamburgers eten tussen de homokroegen. Ik wil minder zooi in mijn leven. Ik wil dingen leren omdat ik die behoefte voel, ook wanneer niemand dat van me verwacht. Ik wil niet gaan backpacken in Azië, hoewel sommige mensen dat wel schijnen te verwachten. Ik wil vliegen, in mijn eentje naar het grootste vliegveld ter wereld, naar een nieuwe staat waar een oude vriendin op me zal wachten. Ik wil dingen leren aan anderen, omdat ik daar zelf heel blij van word.

Ik wil weer ongeremd enthousiast zijn, middernachtelijke schrijfsessies toelaten, voice-overs inspreken in mijn koptelefoontjes. Films blijven maken, omdat het zonder school ook kan. Ik wil uit met mensen die ik eigenlijk niet goed genoeg ken. Ik wil muziek draaien, het volume opvoeren tot het klinkt als een liveconcert in mijn hoofd, totdat ik elke hum en klik en klap kan scheiden, de meerstemmigheid kan ontleden. Ik wil muziek maken, richels in mijn vingers spelen, mijn stem als instrument ontdekken.

Ik wil om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden, me in gedachten verontschuldigen tegenover mijn buren. Ik wil mijn kansen iets meer spreiden. Weer gaan studeren, maar óók iets meer het leven leiden dat daarbij hoort (en daardoor om halfvijf ’s nachts onder de douche belanden). Misschien zelfs mijn  paleisje verlaten voor een studentenkamer, inclusief leuke huisgenoten (en een keuken waar niemand kookt, een badkamer waar de schimmels welig tieren). Misschien ook nog even niet.

Ik wil over stations rennen, richting treinen die ik wel of niet zal halen. Rennen om het rennen, want in feite heb ik de tijd. Tijd die ik geen tussentijd meer zal noemen, omdat zoiets niet bestaat – het is tijd op zich, net als anders.

En zo werden al die plannen dan uiteindelijk realiteit. Voor de nieuwsgierige aagjes, een concreet lijstje in willekeurige volgorde:

  • Op bezoek bij Colette – in Amerika (!)
  • Een cursus camerajournalistiek, omdat ik mezelf niet alles kan leren.
  • Een tijdje lesgeven op mijn oude school, over filosofie en kunst en creativiteit. Niet dat ik daar opeens een diploma voor heb, maar het mocht.
  • Verhuizen – misschien, want ik ben redelijk verknocht geraakt aan mijn plekje in de binnenstad. Maar als iemand nog een kamer weet? In het centrum of zo? Ik houd me aanbevolen.
  • Lid worden bij een vereniging in Utrecht (Histos). Vorig jaar aangemeld en ingeloot, maar ik deed het uiteindelijk niet, want te druk. Pfft. Dus als iemand een goed woordje voor me wil doen?
  • Nog weinig concreet, maar toch: films maken, laten mislukken, weggooien, alsnog het internet op slingeren. Schrijven, tekenen, spelen. Fotograferen, op zangles. Creatief zijn omdat het me blij maakt. (Behalve die zangles. Doodeng vind ik het. Maar ik ga toch.)
  • Na het schrijven van dit stuk onder de douche gaan staan. Het is halftwee ’s nachts. Sorry buren.

Lieve allemaal, bedankt voor het lezen. En voor de gesprekken en berichten vol vertrouwen, toen ik dat zelf een beetje kwijt was. Ik doel op meer vrolijke verhalen de komende tijd. Al heeft deze reeks ook een goed einde.

WEEK 4 | DANSEN OP TAFEL

9r7a9763

Voor mijn zevende verjaardag kreeg ik het boek ‘Matilda’ cadeau. Ik leek een klein beetje op haar. Ik had geen hysterische bingomoeder of een corrupte vader, geen chubby broer en geen tiran als schoolhoofd. Ik was geen rekenwonder, verstopte nooit papegaaien in de schoorsteen. Het telefoonboek was niet het enige boek dat we in huis hadden.

Al met al was ik geen kindergenie met een traumatische jeugd. Maar ik las wel graag, vlug en veel, net als Matilda. Ik wílde vooral graag op haar lijken. Een heldin was ze, stoer en vol grootse plannen – wie weet ligt bij haar het begin van mijn feministische inborst. Met al haar overtuiging kon ze voorwerpen laten bewegen met haar ogen. Reken maar dat ik verscheidene minuten van mijn leven starend heb doorgebracht, in de ijdele hoop een potlood te kunnen laten vliegen. Toen ik de verfilming ontdekte, was mijn favoriete scène dan ook die waarin Matilda dansend op tafel de hele huisraad de lucht in tovert. Ook vanwege de vrolijkste soundtrack ooit (klik). Kom ik zo op terug.

Eerst naar het nu, bijna twaalf jaar later. Op l’autoroute laten we suikerspinroze luchten achter ons terwijl we richting het noorden rijden. Het was fijn in Parijs. Alleen even auto’s op de weg om de lucht te klaren. Een supermarkt met lift, vissen op ijs en bijbehorende geur. Een restaurant met koud licht en ijsberenstickers op de ramen, want het is bijna kerst. De eigenaar geeft me een hand, ik eet toast met foie gras tegen mijn principes in. Mierzoete wijn en dan naar huis, door de stad waar alles zeshoog in het rond loopt – en ik dus ook.

Waar de bakkers tot acht uur ’s avonds nog de geur van stokbrood door de straten sturen. Tussen de pubers met een dubbele portie ‘je ne sais quoi’ (want Parijs én puber). Langs hekken vol stepjes aan een kettingslot – steppen is het nieuwe scooteren, let maar op. Een weekend waarin mijn familie dichterbij dan ooit was – op zo’n Frans terras delen we maximaal twee vierkante meter.

Maar nu dus op de terugweg. Mam rijdt, ik doe de muziek. Al is er van ‘doen’ niet echt sprake – ik schud enkel mijn afspeellijst met favorieten. We naderen de geruisloze Nederlandse wegen, en daarmee ook mijn deadline. De get-your-shit-enigszins-together-deadline. Ga-nou-genieten-van-je-vrije-half-jaar-deadline. We praten, vooruit starend naar het Belgische asfalt. En dan klinkt dat ene liedje. ‘Je kan alles in beweging zetten,’ zegt mam, met een knikje naar de radio. ‘Dat doet zij ook.’

Met die woorden kan ik nog steeds niets laten vliegen. Maar naar Matilda’s voorbeeld zal ik dansen op tafel.

En dus ging ik aan de slag. Ik struinde het internet af, begon langzaam mijn notitieboek weer te vullen, regelde vliegtickets en maakte eindeloos veel lijstjes. Wat daarop staat lees je volgende week, in de laatste van de reeks!