Persoonlijk

4. EN IK ZUCHT OPGELUCHT

a19862b7-adc7-4047-bb30-147593e26cd2

Na een jaar op de School van het Leven ben ik inmiddels alweer even terug in het systeem. Die pauze deed me goed – ik was er wel klaar mee dat van hogerhand bepaald werd welke boeken ik moest lezen, wat ik allemaal moest weten. Na een jaar vrij van regels kan ik me beter schikken in de universitaire structuur – juist omdat het alleen dat is: een raamwerk. De invulling bepaal ik.

De bachelor Taal- en Cultuurstudies is ‘breed’, ‘interdisciplinair’, of als ik het mag zeggen: van alles een beetje. Vooral het eerste jaar is een mengeling van wat je maar wil binnen de geesteswetenschappen. De afgelopen maanden hield ik me bezig met Nederlands, literatuur, kunst, communicatie, taalkunde en -psychologie. Ik kan zeggen dat ik ervan geniet – de vrijheid, afwezigheid van al te veel autoriteit, het feit dat ik enorm veel leer en die kennis ook tegenkom in het dagelijks leven.

(‘Hé, dat bespraken we vorige week ook in college.’)

(Soms is het minder genieten, hoor. Heb ik een werkgroep om negen, dan moet ik evengoed zin maken.)

Ik sta versteld van alle niveaus waarop de wetenschap de mens probeert te duiden – van binnen, buiten, vanuit verleden, heden, toekomst. Regelmatig vraag ik mezelf af of ergens onderzoek naar is gedaan. Het antwoord is vrijwel altijd ‘ja’. En hoe meer ik lees, hoe minder ik denk te weten. Als er over zulke specifieke onderwerpen al is geschreven, hoeveel bestaat daar dan nog omheen?

(Zo las ik over de relatie tussen theater en de natie in achttiende-eeuws Duitsland, over het verschil tussen Noorse en Franse middeleeuwse verhalen op het gebied van emoties, en over taalhandelingen in statusupdates op Facebook. Niet dat dit nou mijn favoriete teksten waren, maar om je een beeld te geven.)

Van die onuitputtelijke stroom informatie ben ik me erg bewust, juist omdat ik uit zoveel kan kiezen – al blijft het steeds binnen het alfa-gebied. Ik denk nog wel eens terug aan mijn bèta-fase, de dagen van practicumverslagen, rinkelende reageerbuisjes, molverhoudingen – titreren, vloeken, nog eens proberen.

Tijdens mijn huidige studie ga ik me daar niet meer in verdiepen. Er wordt nog wel eens een link gelegd met neurowetenschap, maar dat mag – letterlijk – geen naam hebben. (De docent wijst dan haastig een hersengebiedje aan: daar gebeurt het. En weer verder.) Soms roepen mijn drie geneeskundige huisgenoten nog wat (‘B-lymfocyten. Oh ja. Dat heb ik ook ooit gehad.’) en dan is er nog een beetje statistiek. Daar proef ik mijn formulegerichtheid nog wel terug. Na een werkcollege SPSS blijf ik achter met wat vragen.

‘Maar hoe bereken je p dan?’

‘Je hebt p al. Dat is dit getal, hier.’

‘Dat snap ik, maar hoe wordt p dan bepaald?’

‘Daar is een wiskundig model voor.’

‘En hoe werkt dat?’

‘Dat hoef je allemaal niet te weten. Je kan gewoon op dat knopje drukken en dan doet de computer de rest.’

‘Oh.’

En ik zucht opgelucht.

Ik ben op m’n plek dus, bij mijn studie kies-je-eigen-pretpakket. Het komend half jaar ga ik me voorbereiden op mijn afstudeerrichting. Het wordt waarschijnlijk een combinatie van filosofie en moderne kunst. (Yay baankansen!) En misschien nog een beetje literatuurwetenschappen. En onderwijskunde. En, en, en… Ik word vast zo’n eeuwige student. Dit was stukje vier uit de reeks alles-is-anders-wat-nu. Stukje een, twee en drie kan je hier teruglezen.

3. ZOWEL JE HANDSCHRIFT ALS JE DRONKEN LACH

9R7A1830

Ergens in de tweede week van het collegejaar dronk ik met studiegenoot Floor een spreekwoordelijke koffie. (Dat wil zeggen, iemand vraagt of ik eens koffie wil drinken, ik zeg ja en bestel vervolgens thee.) We praten over alles en niets en over de gaatjes die ik een dag eerder had laten schieten. ‘Het was nogal een impulsactie,’ zeg ik, draaiend aan de knopjes in mijn nagloeiende oorlellen. ‘Niets voor mij, eigenlijk.’

‘Hoezo niet?’

Die vraag zette me aan het denken. Waarom had ik dat gezegd? Blijkbaar was het dermate ‘iets voor mij’ dat ik binnen twintig minuten na het besluit door een verveeld meisje twee gouden knopjes in mijn oren had laten nieten. Voor Floor paste dat prima in het beeld dat ze van me had – niet bang om mijn mond open te trekken, een meer in te springen, de dansvloer op te gaan. Ze kende alleen de ik van de afgelopen twee weken.

Zo kwam ik tot de realisatie: nieuwe mensen kennen je niet. (Dit klinkt als de meest open deur ooit, maar wacht het even af.) Ze weten alleen wat ze zien, zonder vooroordelen, zonder achtergrondinformatie. Voor hen ben je nog geen kind, ex of zusje van. Je bent hoe je doet, wat je zegt, op dat moment. Zo bouw je beurtelings op wie je voor elkaar bent, vrijwel los van het verleden.

Vandaag sprak ik Colette, vriendin sinds zo’n tien jaar en ook bewoner van een Chaotisch Bestaan. We hadden anderhalf uur nodig om bij te praten. Waar we eerst grotendeels parallel liepen, leiden we nu totaal andere levens. En dat doet iedereen – zoals Colette het verwoordde: niemand weet nog wat je dagelijks op je brood smeert. Niemand kent zowel je handschrift als je dronken lach, zowel de vijf moedervlekken op je rechtervoet als de plek waar je je reservesleutels bewaart. Je wordt gekend in delen – jijzelf overziet het geheel.

(Tenminste, dat is het idee.)

9R7A1896

En zo hoor ik overal een beetje, bij meerdere clubjes, groepjes, commissies en subjes, met elk hun eigen plannen, hun eigen dagen en feesten en sinterkerstennieuwdiners. Wanneer ik mijn aandacht moet verdelen, word ik meegesleept door de ziekte waar elke student aan lijkt te lijden: FOMO, Fear Of Missing Out. Ik dacht dat ik daar wel boven stond, maar nee. Dat bleek toen ik laatst ziek was: niet naar college, maar een etentje missen? Vergeet het maar. Een ibuprofen erin en gaan.

(‘Ik zal proberen niet in jullie pizza te niezen.’)

Juist wanneer ik overal wil zijn, ben ik er maar deels; met mijn hoofd steeds al bij het volgende. Daar wil ik vanaf – dan maar saai, laf, zo nu en dan afwezig. Als je me echt mag, dan hou je evengoed van me.

Gelukkig zijn er daar genoeg van: leuke, lieve, (nieuwe) mensen. Mensen om mee te dansen en daten en koken en eten en bioscopen en lopen als je band lek is. Mensen met antwoorden op vragen, mensen voor planloze dagen en mensen voor als je het even niet meer weet.

(Mensen wiens naam ik steeds vergeet. Oh, al die namen. Maaike en Meike en Maaijke en Marieke en Mieke. Max en Maarten en Cas en Bas en Lars. Anne en Anna en Hanne en Hanna en Sanne – sorry voor alle keren in het verleden en in de toekomst.)

De een denk ik al behoorlijk te kennen, met de ander weet ik dat het klikt. De rest volgt dan vast. En zo hoor ik overal een beetje – maar ook een beetje overal.

Dit was stukje drie over mijn fijne maar enigszins chaotische leven, met daarin dus allerlei nieuwe mensen. Mocht je zo’n nieuw mens zijn en dit lezen: hoi! Leuk dat je dit deel van mij ontdekt. Beetje eng, ook wel. Maar het hoort erbij – bij mij. Mocht je willen, dan lees je hier stukje een en stukje twee terug. Er volgt denk ik nog wel een stukje vier!

LIEFS UIT UTRECHT

IMG_9488.JPG

Het bleek lastig te schrijven over de laatste stad, terwijl ik er zelf niet was. Nu dan echt: over het leven in Utrecht.

Het leek allemaal opnieuw te beginnen, na de zomer. Ergens half augustus bracht de bus me door het centrum naar huis. De stad barstte uit elkaar, stromen studenten domineerden de straten, vormden de oorzaak van veel gezucht en getoeter – op wielen was er geen doorkomen aan. Beter lopen dus, manoeuvrerend tussen UIT-rugzakken vol folders die in een hoek zouden belanden tot ze nodig bleken – om dan verdwenen te zijn.

(Zo ging het tenminste bij mij.)

Al deze introductie-opwinding voelde deels nostalgisch, anderzijds maakte ik er opnieuw  deel van uit: eerstejaars op de uni, sjaars bij een vereniging. Alsof het studentenbestaan nu écht gestart is, na een gestaakte eerdere poging.

Een nieuw begin, maar een vertrouwd recept voor de eerste weken: vele ongemakkelijke voorstelrondjes, veel bier en het gevoel dat de stad van mij is – er voor mij is, als inmiddels vertrouwd decor waarin mijn voordeur zich bevindt.

Daarachter is veel hetzelfde gebleven: de gang ruikt nog steeds naar een mengeling van stofzuiger en het eten van gisteravond, dat eten is nog steeds een mengeling van geslaagd en niet-geslaagd. Er zijn filmavondjes, baalochtendjes en middagen waarop de keuken verandert in een bibliotheek, de tafel bedolven onder boeken, laptops gevaarlijk gepositioneerd tussen mini-sloten thee.

(Wel nieuw: twee huisgenoten en een citroengeranium. De vetplant op mijn kamer heeft de zomer niet overleefd.)

IMG_0415.JPG

Ik verliet de stad voor twee intro’s in het hoge noorden. Die van m’n studie was roze gekleurd, vol wespen, op een zolder vol krakende stapelbedden. De avonden waren voor themafeestjes. De ander was in een weiland en op het water – ontbijt aan lange tafels na een bootcamp in de sloot: zo’n honderd aspiranten met een slaperige blik en een opblaasdier om negen uur in de morgen. Daarna zeilend het water op, al moesten we ook daar soms blazen – maar de komende jaren zal de wind nog vaak genoeg voor ons waaien. ’s Avonds zingen en dan feest – altijd feest. Ten slotte wat verloren uurtjes bevroren in een hoekje van een legertent.

Met een hardnekkige kuch verscheen ik dus in college, niet geheel voorbereid op het feit dat ik, na een jaar mijn eigen gang gaan, opeens weer informatie in en uit mijn hoofd moest navigeren.

(Maar geef toe: een zin als ‘Bij de hexameters van Homerus zijn de metrische condities veel stringenter dan bij het Middelnederlandse heffingenvers!’ moet jij ook twee keer lezen.)

Ik beklom een zeephelling met een ei in mijn hand, maakte een presentatie over ‘De twaalf apostelen op de pijlers de Dom’, stond midden in de nacht voor een gesloten deur, zong karaoke op een boot, las een tekst in Middelnederlands, liet impulsief mijn oren piercen, vaarde achteruit op een surfplank, genoot van mijn herwonnen studenten-ov, leerde zeker honderd namen en vergat ook zeker de helft. Het is week twee.

Misschien is dat de reden dat dit stuk op zich liet wachten: iets te druk met leven om erover te schrijven.

Dat was ‘m dan, de laatste stad! Als je wilt kan je hier de stukjes over Eindhoven, Amsterdam en Rotterdam teruglezen. Er volgt vast wel weer een nieuwe reeks/willekeurige column/video/fotoreportage – ik weet alleen nog niet wanneer. Mocht je op de hoogte willen blijven, dan kan je m’n Facebookpagina liken of je inschrijven voor een automatisch mailtje via de knop hier rechts. Liefs!

IK STOND DUS EEN TIJDJE VOOR DE KLAS | EINDHOVEN

Wanneer je terugkomt op een plek waar je een tijd niet geweest bent, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Zo kwam ik twee jaar na een verhuizing terug in het huis waar ik was opgegroeid, verbaasd over hoe kléín alles was – niet stilstaand bij het feit dat ik zelf een behoorlijke groeispurt had doorgemaakt.

Anderzijds kom je soms ergens terug, om te ontdekken dat alles hetzelfde is gebleven. Zoals op mijn middelbare school in Eindhoven – van de puberstroom in de pauze tot de gifgroene vloerbedekking in de gang. En een jaar na mijn eindexamens begint het eerste uur nog steeds – excuseer – fucking vroeg.

Een donderdagmorgen in april, gapend laat ik heet water in een kopje stromen. ‘Hier mogen eigenlijk geen leerlingen komen, hè.’ Als je met genoeg zelfvertrouwen de docentenkamer binnenloopt, gaat men er vanzelf vanuit dat je daar hoort. Andersom hoef je maar enigszins twijfelend om je heen te kijken, en de conciërge pikt je er zo uit.

Voor iemand die stopte met haar opleiding, bracht ik nog heel wat tijd in de klas door. Beter gezegd: voor de klas. Ik gaf een paar weken les over filosofie, kunst en creativiteit. Bladerend door boeken en kranten, struinend over het internet vond ik mijn thema’s. In koffietentjes vond ik mijn concentratie.

(Deze lessenreeks wordt mede mogelijk gemaakt door Coffee Company Nachtegaalstraat).

Het vierde blok, de vierde klas. Met een kleine twintig leerlingen filosofeerde ik over kunst in de allerbreedste zin van het woord. Wanneer is iets kunst? Wat is het nut ervan?  Wat is het verband tussen Aristoteles en GTST? Welk kunstwerk ken je al jaren, zonder het te weten?  En waarom gaat het steeds weer over dat omgekeerde urinoir?

Veel vragen, weinig antwoorden. Mijn doel met de lessenreeks was niet zozeer duizend jaar kunstgeschiedenis oprakelen. Veel liever wilde ik een nieuwe manier laten zien om naar kunst te kunnen kijken.

(Ik ga nu even mijn eigen lesplan quoten. Sorry daarvoor.)

‘Wanneer je probeert kunst alleen maar te ervaren vanuit je gevoel, ga je voorbij aan een context vol betekenis. Dat lijkt mij zonde. Want juist in die context zal je ontdekken dat kunst ontroerend kan zijn, grappig, bijzonder, irritant of gewoon heel raar. Dat makers hun tijd soms ver vooruit waren, dat ze gedurfde dingen deden, die zelfs nu nog invloed kunnen hebben op hoe wij de wereld zien.

Wél nadenken dus – met al die vragen en antwoorden in je hoofd zal je vanzelf een gevoel ontwikkelen bij bepaalde kunstwerken. En een mening erover. Dat is het leuke: kunst heeft altijd te maken met je eigen interpretatie. Het is als het leren drinken van wijn: hoe meer soorten je proeft, hoe beter je ontdekt wat de verschillen zijn en wat je eigen smaak is. Alleen word je van kunst niet dronken.’

Dat dus. Maar waarschijnlijk heb ik zelf nog het meest geleerd van deze ervaring. Om een paar dingen te noemen:

  • Misschien wel het moeilijkste deel van een les: het begin. Al snel kwam ik erachter dat ik een soort kreet nodig had om de aandacht te krijgen, wilde het niet heel ongemakkelijk worden.

(‘Ehh, jongens!

Jongens?

Jongens…?

Kunnen jullie heel even…?

Ja?

Dankje – hallo?

Ja.

Dankjewel.’)

  • Maar als ik eenmaal begonnen was, voor het bord met een kop thee in mijn hand, voelde het al snel vertrouwd. Binnen een week hoorde ik mezelf dingen zeggen als ‘Ga je ook nog even aan het werk? Als je het nu doet, heb je het straks thuis eerder af.’ ‘Zou het misschien verstandiger zijn als jullie niet naast elkaar gingen zitten?’ En dan deden ze dat nog ook. Het was dan wel een kleine klas met goede manieren. Maar tóch. Toch verwachtte ik stiekem dat op een bepaald moment de pleuris uit zou breken, omdat ze erachter waren gekomen dat ik geen échte docent was.

(Al wisten ze dat vanaf les één natuurlijk al. Vorig jaar spendeerde ik mijn pauzes nog naast hen in hal B.)

(Bovendien was er steeds wel een échte docent bij, mocht het dan toch uit de hand lopen.)

  • Het is leuk. Al zo’n vijf jaar geef ik bijles, met veel plezier. Ik wist dus dat het overdragen van kennis me blij maakte. Maar zo’n hele reeks opzetten, van onderwerpkeuze tot nakijkwerk, bracht nog veel meer met zich mee. Meer verantwoordelijkheid, meer organisatie, meer voldoening. Meer leuke, slimme leerlingen vol verrassende uitspraken. Hoe cool is het als je het idee hebt dat er mensen zijn die echt iets gedaan hebben met je verhalen – omdat je dat in hun zelfgeschreven essays kan terugzien.
  • Ten slotte het besef dat het me misschien wel iets lijkt – voor als ik later groot ben.

Verder in Brabant: examenfeestjes vieren. Genieten van het ouderlijk huis – met name de tuin, waar het ruikt naar warme dennenbomen en waar de vogels je ’s ochtends wakker maken. Avonden bij de buitenhaard – niet tot het te koud wordt, maar tot het hout op is. Woorden hangen nog in de lucht, maar niemand voelt zich geroepen ze te vangen. De knapperende vlammen voeren de boventoon, tot er slechts kooltjes resteren en het vuur nagloeit in mijn ogen.

Stad drie uit de reeks van steden. Amsterdam, Rotterdam en nu dus Eindhoven. Mijn favoriet bewaarde ik tot het laatst. Ergens over een paar dagen: Utrecht!

TECHNISCH GEZIEN | AMSTERDAM

Processed with VSCO with f2 preset

‘Maar wat doe je dan de hele dag?’

Dit moet wel de meest gestelde vraag zijn aan mensen in een tussenjaar. De antwoorden zijn wisselend, van niks tot kinderen helpen in een weeshuis tot carrière maken bij Albert Heijn. Ikzelf zit vooral veel in de trein. Nu zou ik dat niet echt als een activiteit bestempelen, maar het is de realiteit: mijn leven heeft zich de afgelopen tijd in drie verschillende steden afgespeeld, met nog een vierde in het verschiet. Stad voor stad maak ik de balans op.

De woensdag was voor Amsterdam. Niet de grachten en de pleinen die ik voorheen op een slot-met-fiets passeerde, maar een bedrijventerrein aan de Amstel. Bij een pastelkleurig metrostation stapte ik uit. De omgeving kleurde er met de weken beter bij, terwijl de bomen groener werden, de lucht blauwer. Langs een berm vol narcissen bereikte ik Open Studio.

Het dak was van glas. Op zonnige dagen rook het naar donkere vloerbedekking die langzaam opwarmde en op een bepaald punt zou smelten – maar zo ver kwam het nooit. Het was een verhuur, magazijn, school, maar oorspronkelijk een garage. IJzeren trappen leidden naar lokalen, op de begane grond stonden spullen waarmee elk video-idee werkelijkheid kon worden: tafels en rekken gevuld met lenzen, kabels en apparaten waarvan ik naar de functie alleen maar raden kon. Wat niet meer paste, stond in georganiseerde hoopjes op de vloer.

Processed with VSCO with c1 preset

Techniek is niet mijn ding. Ik kan een auto besturen, maar weet niet hoe het ding precies vooruit komt. Wanneer een apparaat kapot is, beperkt mijn plan van aanpak zich tot het uit- en weer inschakelen ervan. Het is natuurlijk een vicieuze cirkel: omdat ik het niet leuk vind, weet ik er niets vanaf. En dingen waar ik niets vanaf weet, vind ik niet leuk.

Ook wanneer ik bezig ben met films maken, laat ik de techniek geregeld links liggen. Zo komt het geregeld voor dat ik opnames maak zonder het geluid in te schakelen. Na vijf jaar monteerde ik nog steeds in iMovie. Mijn geliefde iMovie – het bracht me van schokkerige vakantiefilmpjes tot profielwerkstuk, maar niet verder. Ik wilde meer opties, in de vorm van een nieuw montageprogramma. Eén met angstaanjagend veel knoppen en vensters. Op de HKU had ik het in de vingers kunnen krijgen, ware het niet dat ik het na twee maanden voor gezien hield. Dus zocht ik mijn heil ergens anders.

Mijn klas bestond uit zes mensen. Ze hadden allemaal andere motieven, maar stelden mij dezelfde vraag: wat doe je dan nu eigenlijk? (Dat kan ik ze natuurlijk niet kwalijk nemen – dat is wat nieuwe mensen doen. Ze vragen wat je doet. Dat doe ik ook.) Ik deed dit. Luisteren naar onze docent-met-de-stem-van-Twan-Huys, die gepassioneerd vertelde over interlaced video, ND-filters en het verschil tussen 1080/50i en 1080/24p. En dan ging ik aan de slag, sjouwend met serieuze videocamera’s en statieven.

Een groot deel van mijn techniek-aversie wijt ik aan ongeduld. Wanneer ik een idee heb, wil ik niet bezig met instellingen en waardes – ik wil gáán, mijn spullen over mijn schouder hangen en mijn adem inhouden terwijl ik film. Techniek remt me af, terwijl ik liever gas geef.

Processed with VSCO with f2 preset

Dit merkte ik ook tijdens de laatste dagen bij Open Studio, die ik doorbracht in een donker montagelokaal. Terwijl ik driftig toetsencombinaties oefende, was het makkelijk te vergeten dat buiten de zon nog scheen. Mijn eigen materiaal vond ik niet bruikbaar, dus hield ik me bezig met een video over Amerikanen die oorlogje speelden met nepkanonnen, en een tweede over een imker die de bijencultuur wilde digitaliseren. Ik ontdekte dat bijen niet van UV-straling houden, dat Amerikaans klinkt als Russisch wanneer je het achterstevoren afspeelt. En dat mijn onderbewuste ook niets van techniek moet weten.

Uit enthousiasme gaat het overboord. Zelfs een verhaal over de ideale broedtemperatuur  in bijenkassen wakkert een intuïtie in mij aan die het roer volledig overneemt. Zo bleek, wanneer ik na twee uur geconcentreerd knippen en plakken mijn buurman hoorde praten over de keuzes die hij gemaakt had – allemaal heel bewust en volgens het boek, zoals de docent inderdaad die ochtend nog verteld had. Oh ja.

Conclusie: techniek is nog steeds niet mijn ding. Maar bij het maken van films is het wel handig om te weten welke regels er precies zijn om te breken.*

Verder in Amsterdam: lunchen met Mart in een suikerspinroze bakkerij vol blonde meisjes, het McFlurry-ritueel van mij en mijn nichtje in ere houden in de Kinkerstraat, op niet-woensdagen nog geregeld over de grachten fietsen – met een iets te zachte achterband. Maar dat geeft niet. Op de fiets heb geen haast.

Ik zou jullie op de hoogte houden van mijn tussenjaar, zo beloofde ik een tijd geleden. Hiermee maak ik een begin, speciaal voor alle nieuwsgierige aagjes out there. Die zijn er een hoop namelijk.

De best gelezen stukken van dit jaar:

  1. Het verhaal over mijn hospiteerstrijd
  2. Hoe ik veertien uur vastzat op een vliegveld in m’n eentje aan de andere kant van de wereld
  3. Waarom ik stopte met mijn studie

Sensatiebeluste aagjes, dus. Mocht je écht alleen geïnteresseerd zijn in het deel van mijn leven waarin er dingen niet lukken, dan hoef je deze reeks niet te volgen – ik heb namelijk (spoiler) een heel fijn half jaar gehad. Dan weet je dat vast. Next up: Eindhoven. 

*Maar ik leerde eigenlijk best veel, al was het alleen al via leuke anekdotes uit het film- en televisie-vakleven. Ook is het handig om te checken of je batterijen opgeladen zijn, voordat je vertrekt. En iMovie heb ik sinds de eerste les niet meer geopend.

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies.