Creative

2. OP, KAPOT EN VIES

thumbnail_filename-1-1 2.jpg

Het is half zeven, een rij van zeker twintig meter lang kronkelt door de supermarkt. Vermoeide voeten schuiven gele mandjes vooruit, ik huiver bij het geluid van plastic dat schraapt over de tegels. Zij die niet vooruit plannen betalen nu de prijs.

De te doden tijd vul ik op met mijn nieuwsgierigheid. Toon me je boodschappen en ik zeg je wie je bent. Gezin met kinderen, vegetarisch, tijd van de maand – zo’n mandje onthult meer dan je denkt. Zeker als ik tien minuten achter je heb staan wachten.

Betaald, richting uitgang. Langs de bewaker die me aan mezelf doet twijfelen. Het ik niet per ongeluk iets gestolen? Doorlopen, nu niet verdacht gaan kijken. Buiten. Thuis blijkt er altijd iets vergeten, maar morgen weer een dag.

(Van die gedachte baal je dan, als je op de wc zit en er niks meer hangt.)

Er is een hoop niet meer vanzelfsprekend wanneer je op kamers gaat. Je moet het zelf regelen, je eigen leven draaiende houden. Niemand anders gaat het nog voor je doen.

Welkom in de cyclus van op, kapot en vies. Neem de was, die altijd is – die zich ophoopt of vergeten is uit de machine te halen (en dan moet het opnieuw, want vergeten was stinkt). Daarbij bieden die pictogrammen lang niet altijd houvast. Wat moet je met wol, satijn, kant? Hang ik weer aan de lijn: ‘Mam? Ik heb een vraagje.’

(Over strijken zal ik maar helemaal niet beginnen. Dat is toch alleen een idee? Wie doet dat nou echt?)

thumbnail_filename-1-2 2.jpg

Het is een cyclus en daarom nooit klaar. Ik keer mijn kont of er dondert weer iets in elkaar – des te langer duurt het om dingen te maken. En dus douchen we in het halfdonker en beschijnt een fietslampje het fornuis, in ons huis met muren van peperkoek. Dus danst er stof in pirouettes door mijn kamer en zit er altijd een ondefinieerbare prut in het gootsteenputje.

Het lijkt een deprimerende gedachte: dat je de keuken blijft poetsen, je lijf blijft wassen, steeds opnieuw tot het op een dag gewoon niet meer hoeft. Maar ik zie er ook wel iets in. Hoe fijn, dat je je door die basale dingen goed kan voelen. Wanneer de vaatwasser draait, mijn bed fris is opgemaakt en ik naar boven kan roepen: het eten is klaar! Geloof het of niet, maar ik kan daar inmiddels best van genieten.

Moet je opeens voor jezelf gaan zorgen – ik had niet helemaal bedacht dat daar ook tijd in gaat zitten. Misschien een goed moment m’n ouders eens te bedanken, die deze taak toch achttien jaar succesvol vervuld hebben. (En nog steeds wel deels, natuurlijk, wie houd ik voor de gek.) Ook wel zo eerlijk om te vermelden: ik ben inmiddels in genoeg studentenhuizen geweest om te weten dat het mijne relatief gezien een smetvrij paleis is. We hebben zelfs een vaatwasser. Dit was stukje twee uit de reeks oh-shit-hoe-werkt-dit-nieuwe-leven. Stukje één lees je hier. Stukje drie volgt!

1. HOE FIJN OOK DE LIJNTJES

thumbnail_filename-1 2Een prachtige chaos, dat is mijn leven op dit moment. Ik ben vast de enige niet – die heerlijke hectiek kenmerkt deze tijd. Deze fase, een aaneenschakeling van nieuwe vrijheden, ervaringen en plaatsen waarin ik een structuur probeer te ontwaren, om te ontdekken dat die eigenlijk niet bestaat. (Indien gewenst maak je ‘m zelf maar.) Dagelijks blader ik door mijn papieren weken, zoekend naar gaten in mijn tijdlijn, om te concluderen dat ze ontbreken. De ene gebeurtenis buitelt over de ander en mijn gedachten denderen erachteraan.

Deels neem ik het voor lief: de verdwenen kledingstukken, de haastige broodjes, de plakkerige schoenen. Het slordige handschrift, de onafgemaakte zinnen. De fietstochten van tien-in-vijf-minuten, gevolgd door een blozende binnenkomst in de collegezaal. Maar ook in mijn hoofd loopt alles door elkaar – namen, afspraken, (on)belangrijke zaken. Het lijkt onvermijdelijk, in deze tijd van losse eindjes: je gooit ze haastig op een hoop en na een tijd tref je ze verward weer aan. Hoe fijn ook de lijntjes – samen vormen ze toch een knoop.

Ik merk het ook hier; vroeger schreef ik over een broodrooster of een schaduw op een muur, nu lijkt alleen het grotere geheel te tellen. Alles is met elkaar verweven, tot één Groot Stuk waaraan ik honderd keer zal beginnen, maar wat nooit klaar zal zijn. Vandaar deze poging tot ontwarren. Met geduld – niet te hard trekken, dan wordt het alleen maar erger. Een gooi naar overzichtelijke delen, om alles weer op orde te hebben – al is het maar voor even.

M’n leven is heel leuk momenteel, maar het is wel een beetje een zooitje. Al schrijvend (tekenend, filmend?) zet ik dingen op een rijtje. Zo ontstaat een nieuwe reeks verhalen. Wat-gebeurt-er-nou-eigenlijk-allemaal-in-het-leven-en-wat-vind-ik-daarvan. Waar-ben-ik-eigenlijk-mee-bezig-en-waarom. Hoe-werkt-dit-volwassen-worden. Dit was stukje één.

OVER CREATIVITEIT

Tot een jaar geleden maakte ik best vaak filmpjes. Films, zelfs. Daarna hield het even op. Geen zin, tijd, ideeën – maar ik vrees vooral een gebrek aan lef om weer iets te maken na het kunstacademie-avontuur. Nu dan toch, een video over creativiteit, over hoe het soms kwijt is en je het dan weer vindt.

Schermafbeelding 2017-11-23 om 16.54.10.png

In mijn geval in de krant. Ik las een berichtje op de achterkant en dacht: dat is het. Creativiteit: dat ene magische moment dat alles klopt en klikt – en dat weten te vangen. Zo kan je verhalen vertellen zonder woorden, je gedachten laten reizen naar plekken waarvan je het bestaan niet wist. Het kan je blik verruimen, je het gevoel geven dat dit speciaal voor jou gemaakt is. Of dat je opeens weer weet waar je moet beginnen.

Vervolgens stelde ik het maken van dat filmpje toch nog een half jaar uit, maar hier is het dan. Een beginnetje.

KRINGELTJES

fullsizeoutput_e45

Met het studentenleven is ook het academisch jaar gestart. Mijn entree op de uni gaat gepaard met schoolse taal: woorden gevormd op toetsen, met het oog op tentamens. Mijn vingers struikelen achter mijn oren aan, pogen een samenhangend verhaal te typen in Calibri elf.

Academisch schrijven luistert nauw. Toen ik mijn eerste opdracht terugkreeg, bleek die verworden tot een opeenstapeling van rode wolken in de kantlijn. Ze bevatten commentaar in kleine letters, maar dat maakte het niet minder pijnlijk. ‘Verkeerd voorzetsel,’ ‘geen goed Nederlands’, of gewoon ‘duh’. ‘Leuke manier van opmaken, maar het is toch nodig dat je de juiste notatie gebruikt.’ Oeps. Ik dacht door te hebben hoe je een degelijk stuk schrijft, maar die hoop is enigszins vervlogen. Woorden als ‘bepaald’ en ‘men’ zijn uit den boze. En een zin is geen alinea.

Ben ik even blij dat die regels niet heilig zijn.

Niet hier. Dit is mijn domein, waar woorden geen zin hoeven te hebben. Hier hebben verzonnen termen een kans, fungeren rode kringeltjes als felicitatie voor creativiteit. Hier kan ik de diepte in staren tot de zinnen in mijn hoofd neerdalen, soms als dwarrelend dons, soms als plotse hagelstenen aan het einde van een zonnige dag.

Gun me inkt vol woede – harde woorden die nog pagina’s ver doordrukken. Dromerige passages, zinnen als wolken die langzaam voorbijdrijven als je ze niet op tijd vangt. Sporadisch gedecideerde letters wanneer ik weet wat ik vertellen wil.

Of een verhaal zonder echt einde.

Verder heb ik het naar m’n zin op de universiteit, hoor! En die feedback is top, want je mag daarna je werk verbeteren voordat je een cijfer krijgt. Om de eerstejaars-stress weg te nemen, denk ik. Helemaal fijn. Maar ik was er wel aan toe een verhaal te vertellen in niet-precies-driehonderd woorden.

ZOEKEN EN VINDEN

9R7A8511

Het was zoeken en vinden, de afgelopen dagen. Zoeken naar mijn fiets in Utrecht. Zoeken naar de juiste woorden voor de diploma-uitreiking. En zoeken naar Pokémon, natuurlijk, al heeft dat niet direct betrekking op mij. Dat wil zeggen, ik zie het niet als een levensdoel op zich om een Pikachu te vangen of gymmaster te worden. Maar verder vind ik het alleen maar grappig dat enkele vriendinnen, familieleden en eigenlijk de halve wereld in de ban is van Pokémon Go. Alleen al omdat het de maatschappij op een sympathieke manier ontregelt. Nachtelijke meetings in het park, en het aloude ‘Doe je voorzichtig?’ dat vervangen is door ‘Je gaat niet rijdend Pokémons vangen, hoor!’

(Maar serieus: zorg alsjeblieft dat je nergens tegenaan knalt.)

In Utrecht vind ik steeds beter mijn weg. Naar mijn idee bevindt alles zich aan dezelfde lange straat, al zal dat waarschijnlijk betekenen dat ik pas een fractie van de stad gezien heb. Toch is het in mijn geval (‘zeg ik links, ga dan vooral rechts’) telkens weer een kleine overwinning wanneer ik, zonder op mijn telefoon te kijken, mijn fiets op de juiste bestemming kan parkeren.

Het terugvinden van die fiets is weer een ander verhaal. Wanneer ik op de Oudegracht een plekje zie, prop ik mijn zwarte gevaarte daar gedachteloos in. Slot van drie kilo eromheen, niets meer aan doen. En dus struin ik enige tijd later op en neer langs de rekken, terwijl ik telkens weer versteld sta van mijn eigen onoplettendheid. Ik moet ‘m maar snel oranje gaan spuiten, die fiets. Of van die plastic mamabloemen kopen voor aan mijn stuur.

(Maak je geen zorgen, toekomstige stadsgenoten. Ik zal geen neonkleurig kratje voorop zetten. Ik ben me er van bewust dat dat – vooral bij fietsenrekkenschaarste – zeer asociaal is.)

De eerste nacht dat ik in Utrecht sliep, was ik met Mienke. We deden een poging tot het schrijven van een verhaal voor de diploma-uitreiking. Het feit dat die nog even op zich liet wachten, maakte dat de druk om daadwerkelijk iets te schrijven vrij laag was. Maar het begin was gemaakt.

Vorige week donderdag voelden we dan toch enige urgentie dat verhaal af te maken. Dus dat deden we. We schreven en schrapten. We overlegden uitvoerig over een gebrek aan samenhang, over momenten die per se vernoemd moesten worden en welke grappen we wel of niet konden maken.

Afgelopen maandag besloten we het geheel maar eens te oefenen. Precies op tijd voor de diploma-uitreiking, die avond. Voorzien van corsages en een gezonde dosis zenuwen liepen we de zaal binnen. Op de achtergrond klonk een heel Amerikaans deuntje, overstemd door het applaus van vrienden en familie. Wij leerlingen namen plaats in het midden en werden overladen met mooie woorden. Voor iedereen was er een mooi, grappig, maar vooral persoonlijk verhaal. En toen kwamen wij.

‘Daar ben ik weer,’ begon ik, mijn stem galmend door de gymzaal. Door een samenloop van omstandigheden stond ik voor de vijfde keer op het podium tijdens ons laatste woord. De insteek was ‘doen alsof’. Wij leerlingen waren daar behoorlijk goed in, maar aangezien we de school zouden verlaten, was het niet langer nodig. Ik voelde me lichtelijk bezwaard om te vertellen over spijbelpraktijken en alcoholaffaires, na alle lof die over me was uitgesproken. Maar na het delen van die ‘stoere verhalen’, hebben we hopelijk de juiste woorden weten te vinden. Aan de hand van vele herinneringen wilden we bovenal duidelijk maken dat we een enorm fijne tijd hebben gehad.

(En toen kwam er opeens een filmpje voorbij dat vanuit de zaal werd gemaakt. Hierbij drie tips aan mezelf:

  1. Blijf van je haar af
  2. Minder boos kijken mag
  3. Blijf van je haar af.

Maar verder ging het best prima.)

Ten slotte wilde onze biologiedocent iets vragen aan onze gymdocente. Niet zomaar een vraag – hij ging ervoor op zijn knieën. Geklap en gejuich, een stiekem traantje en heel veel respect – je moet het maar durven. Mocht één van hen dit lezen: heel veel geluk samen!

In de aula zocht ik een hoop leraren die ik nog wilde bedanken. Niet allemaal gevonden, dus bij deze nog eens: bedankt voor alles. We zochten en vonden elkaar, de mensen met wie ik die mooie tijd beleefd heb. Een allerlaatste foto op het duistere schoolplein. Dertien meisjes in zomerse jurkjes, bloemen in de hand. Boven ons de leus waar we zo vaak de draak mee hebben gestoken, maar die voor ons toch waar geworden is. Zoals mijn mentor over me zei: mezelf gezocht en gevonden. Groot geworden op het Eckart.

Voor mijn gevoel ben ik al zo’n drie maanden afscheid aan het nemen van mijn middelbare school, en dat hier met jullie aan het delen. Hope you don’t mind. In ieder geval: hier houdt het echt op! On to the next one.

IN MINIMAAL 30 WOORDEN

scan0017

Na twee dagen vind ik mezelf ervaren genoeg om iets te schrijven over hetgeen waar al het gehele schooljaar naartoe geleefd wordt: het Centraal Schriftelijk. Wanneer ik een examen maak, blijk ik me in een concentratievacuüm te bevinden. Daarin bestaan alleen vragen en antwoorden, sporadisch een graai in een bakje druiven. Of zoals ze het in de Volkskrant zouden verwoorden: ik begeef me in het epicentrum van mijn bewustzijn.

Deze hyperconcentratie resulteert erin dat ik na drie uur niet meer weet waar de eerste opgave over ging. Hulde dan ook voor de mensen die om vijf uur ’s middags al een scherpe poll op Facebook hebben geplaatst. Zoals Colette zei: ‘Het leukste aan examens is dat ik de grapjes op social media snap dit jaar.’

Je kan je voorstellen dat ik met een overvolle hersenpan thuiskom na zo’n zitting. Ik voel sterk de behoefte om tegen iemand aan te kletsen over de essentie van tekst vier of de bedoeling van vraag twintig, mocht ik nog weten waar die over ging. Mijn familie kan ik hier maar tot op zekere hoogte mee lastigvallen, dus doe ik mijn woordje hier.

Het examen Nederlands verliep zoals ik verwacht had. Ik markeerde er lustig op los, goochelde wat met functiewoorden. Door Martin Heidegger werd ik even verleid te gaan twijfelen aan het nut van het leven (en dus de examens). Maar ik trapte er niet in. Ik probeerde alles wat op creativiteit of een eigen mening leek te onderdrukken. En dat ging eigenlijk prima.

Dan scheikunde. Dat was… Tsja. Scheikunde. Daar wil ik het graag bij laten.

Nee, natuurlijk niet. Bij Nederlands heb ik de oplossing voor de wereldcrisis al moeten samenvatten in dertig woorden, rekening houdend met de aspecten die deze crisis kenmerken en de partijen die ervoor verantwoordelijk zijn. (Of zoiets.) Dan ga ik me in mijn eigen eindexamensamenvatting niet nóg eens zo beperken.

Ik weet dat ik wat betreft scheikunde nooit beter ga worden dan ‘gemiddeld’, vanwege een gebrek aan interesse en kundigheid. En dat is oké – het is het me niet meer waard me er druk over te maken. Dat heeft me misschien nog wel het meest verbaasd de eerste examendagen: mijn eigen gemoedstoestand. Zo nu en dan een vlaagje zenuwen en een vrij zonnig humeur – dat is niet wat ik verwacht had deze periode.

Verder blijken mijn ideeën over de examentijd wel te kloppen. Een gymzaal gevuld met lichte nervositeit. Een tafel vol paperassen, waar na twee uur schrijven geen systeem meer in te ontdekken is. De bemoedigende glimlachjes van docenten. (En dat je dan lief terugknikt, maar stiekem denkt: ‘Ja, lach maar. Jij hoeft dit niet te doen.’)

Dat naar de wc gaan een uitje wordt, wanneer je je al twee uur op één vierkante meter bevindt. Je vangt de blik van je klasgenoot op wanneer je terugkomt van je plaspauze. Waarin je niet eens hebt geplast, overigens – je wilde gewoon even je benen strekken. Op weg naar je tafel herkennen jullie wat melodramatische wanhoop in elkaars ogen, waar je nogal de slappe lach van krijgt. Je beseft dat dat totaal niet handig is, in deze gymzaal waar alleen het geritsel van papieren en het gekraak van waterflesjes klinkt. We glimlachen elkaar bemoedigend toe. Wij mogen dat, want we zitten in hetzelfde scheikundeschuitje. Het is een glimlach die voortkomt uit één geruststellend gegeven: in dit schuitje zitten we waarschijnlijk nooit meer.

Dit was de eindexamensamenvatting (ja, ja) van week 1. In week 2 maak ik Engels, dat wordt een makkie. Dan wiskunde en op vrijdag ga ik aan het zwarte gat natuurkunde proberen te ontsnappen. Misschien komt daar ook een samenvatting van. Misschien ook niet – wie zal het zeggen. Wat je kan doen om met mijn wispelturigheid om te gaan, is de Facebookpagina van Picture this by Milou liken. Zo blijf je zeker op de hoogte wat betreft examenupdates en verhalen over andere zaken. Want die schrijf ik ook heus wel. Maar nu even niet.