Column

BAS

fullsizeoutput_eb6

Het was zo diep in de nacht dat het al bijna ochtend was, toen ik de weg overstak. ‘Mag ik je wat vragen?’ Twee jongens stonden aan het begin van mijn straat. Ze leken op elkaar: blond, blauwe ogen, niet bang om te doen alsof de wereld van hen was. ‘Heb je misschien een sigaret voor mij?’

Ik stapte af. ‘Nee,’ zei ik, maar mijn hese stem sprak dat tegen. Ik lachte. ‘Ik rook niet, al klinkt dat nu niet zo.’ Of ik misschien wist waar hij een pakje kon halen. Ik raadde hem de snackbar aan waar ik net vandaan kwam.

‘Wil je samen gaan?’ Zijn uitdrukking verraadde geen spoortje sarcasme. Ik dacht te weten wie hij was: haren naar achteren, brutaal genoeg om onophoudelijk mijn ogen in te staren, om zonder woorden de verwachting uit te spreken dat ik met hem mee zou gaan.

(Natuurlijk ga je niet met hem mee, Milou. Ben jij gek, je hebt toch wel wat beters te doen. Slapen, bijvoorbeeld. Laat die jongen lekker zelf zijn peuken halen, dat kan hij best alleen.)

Dus ik zei ja.

Voor ik het wist sprong hij bij me achterop. Zijn vriend bleef waar hij was. En zo fietste ik met een jongen op mijn bagagedrager het centrum weer in. Zijn naam was Bas.

(Noem het raar, een verkeerde beslissing – geëmancipeerd was het wel.)

‘Ik ga je vijf vragen stellen. Is dat goed?’

Ik knikte.

‘Heb je een vriend?’

Na vraag één bleek dat hij meer wilde vertellen dan hij wilde weten. Hij moest wat kwijt over de meisjes in zijn leven. ‘Ik slaap met ze, en daarna willen ze allemaal dat we blijven appen. Daar ben ik gewoon slecht in. Als ik je echt wil spreken, bel ik je wel op.’

Ik begreep het, maar moest het toch voor mijn stadsgenotes opnemen. ‘Jij wil seks en verder niks, toch? Dat kan, maar zeg dat dan. Daar kunnen ze heus wel tegen. Liever een nee dan stilte.’

‘Het is bot, dat weet ik.’

Hij leek wel blij met wat onafhankelijk vrouwelijk advies. Voor mij hoefde hij geen schijn hoog te houden – ik wilde niets van hem, hij niets van mij.

(Dacht ik. Lekker naïef, maar daarover zo meer.)

Hij zat bij het corps. Of ik dat erg vond.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Al die verhalen en zo.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Jij liever dan ik. Maar ik ken genoeg leuke mensen die erbij zitten.’

‘Had je het van mij gedacht?’

‘Ja.’

‘Oh.’ Het klonk bijna teleurgesteld.

‘Jij ziet eruit als een hippie,’ kaatste hij terug. Ik schoot in de lach. ‘Wat?’ Snel analyseerde ik wat ik aanhad. Spijkerbroek, zwart shirtje – en mijn kroegjas. Laatst nog gewassen, maar toch niet het toppunt van charmant.

We staken Janskerkhof over, liepen twee snackbars langs tot ze bij de derde nog voor ons open deden. Hij haalde zijn sigaretten uit de automaat, ik stond er wat verloren naast. ‘Mag ik ook nog een lolly van je?’ vroeg hij aan de man achter de toonbank. Die antwoordde met een instemmende zucht – hij had het gehad voor vannacht. Bas deed een graai in de pot.

Terug gingen we te voet, mijn fiets aan de hand. Met de aansteker van een tegenligger stak hij een peuk op. Hij inhaleerde tevreden en gaf een tweede aan mij. Wat dacht ik, dit kan er ook nog wel bij. Ik nam een hijs.

‘Wat rook je grappig.’

Ik hoestte en liet de sigaret vallen. Hij lachte en gaf me de lolly uit zijn broekzak.

We waren weer bij de stoep waar ik hem ontmoet had. Er fietste een vrouw langs, ik vermoed op weg naar de eerste trein. Hij haalde de sigaretten tevoorschijn. ‘Heeft u misschien een aansteker?’ vroeg hij terwijl ze op ons af kwam. Ze schonk hem geen aandacht en reed door.

‘Voelt een vrouw zich dan aangevallen?’

‘Op dit tijdstip kan je dat beter laten, ja.’

Hij knikte. We stonden tegenover elkaar, ik leunend op mijn fiets, hij weer met die blauwe ik-weet-van-niets-blik. ‘Kom je mee naar binnen?’ Hij wees naar drie huizen verderop.

‘Wie is er binnen?’

‘Mijn vrienden en ik.’ Ik keek omhoog. Op de bovenste verdiepingen brandde nog licht, maar niet voor mij, zo besloot ik. ‘Ik wil je graag zoenen.’ Het klonk aandoenlijk, alsof hij eigenlijk wel wist dat ik ook dat aanbod af zou slaan.

‘Ik ga.’

‘Wel bedankt dat je me hebt gebracht. Echt lief.’

‘Weet ik,’ zei ik met een glimlach.

Toen ik thuiskwam lag de krant al op de mat.

fullsizeoutput_eb5

OPEENS WAS ALLES ROZE

fullsizeoutput_e8a

De lucht lokte me naar buiten vanavond. Vanachter mijn laptop zag ik de dag starten, de lantaarns uitgaan, de zon draaien en weer verdwijnen achter de huizen aan de overkant. De lantaarns weer aan. En opeens was alles roze.

Een blauwe lucht verraadt zich middels een frisse morgen, een storm kondigt zich vaak onheilspellend aan. Maar wanneer de schemer roze zal zijn, daar valt geen pijl op te trekken. Juist dat maakt het zo fijn. Dat je niet weet hoe het komt, of hoe lang het zal blijven. Er zullen heus wel theorieën over zijn. Zelf heb ik liever dat de wereld af en toe een beetje magisch is. Alsof daarboven een potje pastelverf is omgegooid. Alsof iemand me wil zeggen: kom nou éven naar buiten.

Het maakt een doorsnee dag het herinneren waard. Het lukte nauwelijks de pracht ervan waarheidsgetrouw vast te leggen, dus moest ik zelf zien te onthouden hoe mooi het precies was.

Desondanks deed ik een poging – ik stond er toch, daar in de deuropening. Ik wilde het roze boven me voelen stralen, haar kou door mijn neus naar binnen laten kruipen terwijl ik ademde. Een paar foto’s, de boodschappen en toen was de wereld weer blauw.

Eenmaal thuis had ik bericht van m’n nichtje. ‘Heb je een roze lucht voor ons?’ Met een glimlach stuur ik het plaatje door. ‘Ja.’ Alsof ze me had zien staan, daar op de drempel. We zien elkaar niet vaak. Maar wanneer de lucht weer roze kleurt, denk ik vanaf nu ook aan haar.

STORM

IMG_5107 2

Vorige week donderdag viel er een boom op mijn ouderlijk huis. Dat dacht ik, tenminste. In realiteit bleken het er vijf. Er was niemand thuis. Ikzelf bevond me in een bunker van een tentamenzaal en ook mijn familieleden waren elders in het land.

In het bos is de wind niet te ontwijken. Haar krakend en zwiepend karakter, de onvermijdelijke klappen. Ze raast, verbuigt en echoot. Hout op staal, hout op cement, hout op hout. Takken door het dak. Wanorde in het woud.

In Utrecht zoek ik naar een bus, onder een staartje van de storm door. Hagel striemt scherp langs mijn gezicht, ijzige regen verlamt mijn voorhoofd. Na een kwartier is daar bus 74. Als sardientjes in blik: dampende lijven, de ramen beslagen, geen zicht.

(Lichte paniek mijnerzijds.)

Dan eindelijk de halte, volgens de vriendelijke maar mechanische omroepstem. ‘Witte. Vróúwen.’ Ik wring me naar voren, maar de deuren blijven dicht. ‘Hallo, mag ik eruit?!’ Mijn stem slaat over. ‘We zijn er nog niet.’ aldus de jongen naast me. ‘We staan voor een stoplicht.’

Eenmaal thuis komt de wind ons huis nog steeds binnen, in de vorm van een eindeloze stroom filmpjes. Wegwaaiende fietsen, wegvliegende daken, wegrollende mensen. Soms eigenlijk schandalig dat ik het grappig vind. Maar misschien is het ook eerder verbazing.

(Die man met de bladblazer uitgesloten. Je kan toch niet anders dan daarom lachen.)

Zondag ben ik bij m’n ouders en bekijk ik met eigen ogen de schade. Wortels die meters de hemel in steken, de lucht vol gaten. Een intense dennengeur hangt in de straten, alsof alles zojuist is schoongemaakt. Het past wel bij de mentaliteit. Tuinen worden geveegd, stronken omgehakt en weggesleept. Het land ontregeld, maar men regelt net zo hard terug.

IMG_5075 2

Foto’s met dank aan mijn lieve vader!

RUIS

img_1119.jpg

Op de achtergrond waartegen ik besta is altijd iets gaande. Ik lig in bed met de tv aan, laptop op schoot, telefoon in mijn hand. Netflix sust me in slaap. Op de fiets is er muziek. Tijdens het studeren speelt er een YouTube-filmpje van veertig minuten, of een serie die ik al vier keer heb gezien – ik houd mezelf voor dat het zo beter gaat, maar dat is natuurlijk niet waar. Om nog maar niet te spreken van de zaken die voorbijkomen wanneer dit een uur of twee zo doorgaat. De wegen van YouTube zijn ondoorgrondelijk, en die automatische playlists voeren je verder het internet in dan je ooit zou willen. Zit ik opeens naar een Britse oudejaarsquiz te kijken – uit 2012, welteverstaan.

Er staat dus altijd iets aan – alsof ik mijn eigen gedachten niet wil horen. En dat is ook wel eens waar. (Ik moet die en die nog mailen, nog drie cadeaus regelen, wanneer ga ik sporten, hoeveel geld staat er op mijn rekening, had ik dat niet moeten zeggen, ga ik die deadline redden, gaat hij mij appen of ik hem, waar ben ik eigenlijk allemaal mee bezig – enzovoort.) Soms prefereer ik de sores van Phil Dunphy om me druk over te maken.

Het brengt me niet altijd verder, die ruis in mijn oren. Voor het meest ware is stilte nodig. Zonder tussenkomst van songteksten of bedenkingen, niets wat kan verstoren mijn gedachten de wereld in te gooien, om daar de lucht te laten trillen.

Maar ik kan het wel verklaren. Vroeger kon ik het allerbeste slapen wanneer beneden de stofzuiger tekeerging. Wanneer het feest was, maar ik op enig moment toch naar bed moest gaan. Schrapende stoelen, rinkelende glazen, stemmen die gedempt de eerste verdieping bereikten. En ook terwijl ik dit stukje schrijf in een hoekje van de kamer, ruist er van alles om mij heen – getik, geklets, stappen op de trap. Zo vertelt het geluid me dat, wanneer ik terugkom uit mijn hoofd, er daarbuiten altijd nog iemand is.

SLAAPSTAND

Na twee weken in tropisch klimaat ga ik er bij terugkomst stug vanuit dat de lente wel ingezet zal zijn. Dat blijkt een prima recept om dag na dag enigszins teleurgesteld wakker te worden, bij het zien van… Niks. Buiten slechts duisternis, het eerste licht van de dag is noodzakelijk kunstmatig. Ze zeggen dat je ’s avonds niet meer op je telefoon moet kijken vanwege het blauwe schijnsel, maar zo’n artificiële bak lumen op de vroege morgen doet volgens mij ook geen mens goed.

Ze zijn te plots, deze winterse ochtenden. Het contrast tussen donker en licht, warm en koud, het is simpelweg te groot. Het idee mijn benen onder de dekens uit te moeten steken, mijn ijsklompjestenen op het parket, vervult me met weerzin. Het liefst zou ik mezelf tot een bolletje oprollen, het leven voor nader te bepalen tijd begrenzen met die dekens, waarbinnen alles zacht en eenvoudig is.

Soms is dat hoe het gaat. Mijn lichaam stapt uit bed, maar in mijn hoofd brandt slechts een waakvlam. Ik sta op slaapstand, weinig ontvankelijk voor de wereld om me heen. Het uit zich in koude handen, klappertanden en een sjaal annex deken die ik overal met me meesleep. Een morgen gevuld met rillingen en knikjes, terwijl ik cirkel door mijn gedachten.

Er is maar één remedie, namelijk doen wat ik dan het allerminste wil: bewegen. Rennen, trekken, duwen en trappen tot het vuur haar weg tot mijn wangen weer gevonden heeft. Daarna douchen. Heet. Het water die gedachten laten meenemen tot ik weer mijn lijf ben, de duisternis in het putje laten verdwijnen. Terug in de realiteit, waar ik weet dat het gauw weer de zon zal zijn die ’s ochtends door mijn gordijnen komt kijken.

Beetje duister stukje, maar met mij alles prima! Na tien uur ’s ochtends al helemaal.

INGEHAALD DOOR TIJD

Het jaar begon doorweekt op een parkeerplaats. Een tropische regenbui overviel ons op weg naar 2018. Het was zwemmen-met-kleren-aan-regen, we-doen-hier-niets-tegen-regen en zo liepen we om half twaalf haastig door de uiteen geweken menigte naar huis.

De weg was rustig, enkele mensen verplaatsten zich nog vluchtig naar hun bestemming.  Als het ene jaar het andere wordt, wil je tenminste zelf nog op één plek zijn. (Het is tenslotte al verwarrend genoeg, dat concept van tijd en ruimte en dat de aarde draait en dat het bij de één al een ander jaar is.) Je wil dat het klopt wanneer de klok slaat, al je geliefden bij elkaar en dat de champagne bruist, dat het feest gaat en de muziek het liefst een beetje leuk meedoet richting de climax van het jaar. Je wil dat alles even goed is, tijdens een einde en begin tegelijk. Zo wordt die ene slag van de klok vanzelf belangrijk.

(Terwijl ze er elke dag zo veel slaat.)

Wij werden ingehaald door tijd. 2018 begon – kippenvel, natte haren, uitgelopen mascara – doorweekt op een parkeerplaats. Maar memorabel was het zeker.

Lieve lezer, een heel gelukkig 2018 gewenst. Bedankt dat je – sinds 2012 of vorig jaar of vorige week – de tijd hebt genomen om mijn verhalen te lezen, mijn beelden te bekijken en te laten weten wat je ervan vond. Op naar een jaar vol nieuws om over te schrijven. Veel liefs, Milou.

4. EN IK ZUCHT OPGELUCHT

a19862b7-adc7-4047-bb30-147593e26cd2

Na een jaar op de School van het Leven ben ik inmiddels alweer even terug in het systeem. Die pauze deed me goed – ik was er wel klaar mee dat van hogerhand bepaald werd welke boeken ik moest lezen, wat ik allemaal moest weten. Na een jaar vrij van regels kan ik me beter schikken in de universitaire structuur – juist omdat het alleen dat is: een raamwerk. De invulling bepaal ik.

De bachelor Taal- en Cultuurstudies is ‘breed’, ‘interdisciplinair’, of als ik het mag zeggen: van alles een beetje. Vooral het eerste jaar is een mengeling van wat je maar wil binnen de geesteswetenschappen. De afgelopen maanden hield ik me bezig met Nederlands, literatuur, kunst, communicatie, taalkunde en -psychologie. Ik kan zeggen dat ik ervan geniet – de vrijheid, afwezigheid van al te veel autoriteit, het feit dat ik enorm veel leer en die kennis ook tegenkom in het dagelijks leven.

(‘Hé, dat bespraken we vorige week ook in college.’)

(Soms is het minder genieten, hoor. Heb ik een werkgroep om negen, dan moet ik evengoed zin maken.)

Ik sta versteld van alle niveaus waarop de wetenschap de mens probeert te duiden – van binnen, buiten, vanuit verleden, heden, toekomst. Regelmatig vraag ik mezelf af of ergens onderzoek naar is gedaan. Het antwoord is vrijwel altijd ‘ja’. En hoe meer ik lees, hoe minder ik denk te weten. Als er over zulke specifieke onderwerpen al is geschreven, hoeveel bestaat daar dan nog omheen?

(Zo las ik over de relatie tussen theater en de natie in achttiende-eeuws Duitsland, over het verschil tussen Noorse en Franse middeleeuwse verhalen op het gebied van emoties, en over taalhandelingen in statusupdates op Facebook. Niet dat dit nou mijn favoriete teksten waren, maar om je een beeld te geven.)

Van die onuitputtelijke stroom informatie ben ik me erg bewust, juist omdat ik uit zoveel kan kiezen – al blijft het steeds binnen het alfa-gebied. Ik denk nog wel eens terug aan mijn bèta-fase, de dagen van practicumverslagen, rinkelende reageerbuisjes, molverhoudingen – titreren, vloeken, nog eens proberen.

Tijdens mijn huidige studie ga ik me daar niet meer in verdiepen. Er wordt nog wel eens een link gelegd met neurowetenschap, maar dat mag – letterlijk – geen naam hebben. (De docent wijst dan haastig een hersengebiedje aan: daar gebeurt het. En weer verder.) Soms roepen mijn drie geneeskundige huisgenoten nog wat (‘B-lymfocyten. Oh ja. Dat heb ik ook ooit gehad.’) en dan is er nog een beetje statistiek. Daar proef ik mijn formulegerichtheid nog wel terug. Na een werkcollege SPSS blijf ik achter met wat vragen.

‘Maar hoe bereken je p dan?’

‘Je hebt p al. Dat is dit getal, hier.’

‘Dat snap ik, maar hoe wordt p dan bepaald?’

‘Daar is een wiskundig model voor.’

‘En hoe werkt dat?’

‘Dat hoef je allemaal niet te weten. Je kan gewoon op dat knopje drukken en dan doet de computer de rest.’

‘Oh.’

En ik zucht opgelucht.

Ik ben op m’n plek dus, bij mijn studie kies-je-eigen-pretpakket. Het komend half jaar ga ik me voorbereiden op mijn afstudeerrichting. Het wordt waarschijnlijk een combinatie van filosofie en moderne kunst. (Yay baankansen!) En misschien nog een beetje literatuurwetenschappen. En onderwijskunde. En, en, en… Ik word vast zo’n eeuwige student. Dit was stukje vier uit de reeks alles-is-anders-wat-nu. Stukje een, twee en drie kan je hier teruglezen.

3. ZOWEL JE HANDSCHRIFT ALS JE DRONKEN LACH

9R7A1830

Ergens in de tweede week van het collegejaar dronk ik met studiegenoot Floor een spreekwoordelijke koffie. (Dat wil zeggen, iemand vraagt of ik eens koffie wil drinken, ik zeg ja en bestel vervolgens thee.) We praten over alles en niets en over de gaatjes die ik een dag eerder had laten schieten. ‘Het was nogal een impulsactie,’ zeg ik, draaiend aan de knopjes in mijn nagloeiende oorlellen. ‘Niets voor mij, eigenlijk.’

‘Hoezo niet?’

Die vraag zette me aan het denken. Waarom had ik dat gezegd? Blijkbaar was het dermate ‘iets voor mij’ dat ik binnen twintig minuten na het besluit door een verveeld meisje twee gouden knopjes in mijn oren had laten nieten. Voor Floor paste dat prima in het beeld dat ze van me had – niet bang om mijn mond open te trekken, een meer in te springen, de dansvloer op te gaan. Ze kende alleen de ik van de afgelopen twee weken.

Zo kwam ik tot de realisatie: nieuwe mensen kennen je niet. (Dit klinkt als de meest open deur ooit, maar wacht het even af.) Ze weten alleen wat ze zien, zonder vooroordelen, zonder achtergrondinformatie. Voor hen ben je nog geen kind, ex of zusje van. Je bent hoe je doet, wat je zegt, op dat moment. Zo bouw je beurtelings op wie je voor elkaar bent, vrijwel los van het verleden.

Vandaag sprak ik Colette, vriendin sinds zo’n tien jaar en ook bewoner van een Chaotisch Bestaan. We hadden anderhalf uur nodig om bij te praten. Waar we eerst grotendeels parallel liepen, leiden we nu totaal andere levens. En dat doet iedereen – zoals Colette het verwoordde: niemand weet nog wat je dagelijks op je brood smeert. Niemand kent zowel je handschrift als je dronken lach, zowel de vijf moedervlekken op je rechtervoet als de plek waar je je reservesleutels bewaart. Je wordt gekend in delen – jijzelf overziet het geheel.

(Tenminste, dat is het idee.)

9R7A1896

En zo hoor ik overal een beetje, bij meerdere clubjes, groepjes, commissies en subjes, met elk hun eigen plannen, hun eigen dagen en feesten en sinterkerstennieuwdiners. Wanneer ik mijn aandacht moet verdelen, word ik meegesleept door de ziekte waar elke student aan lijkt te lijden: FOMO, Fear Of Missing Out. Ik dacht dat ik daar wel boven stond, maar nee. Dat bleek toen ik laatst ziek was: niet naar college, maar een etentje missen? Vergeet het maar. Een ibuprofen erin en gaan.

(‘Ik zal proberen niet in jullie pizza te niezen.’)

Juist wanneer ik overal wil zijn, ben ik er maar deels; met mijn hoofd steeds al bij het volgende. Daar wil ik vanaf – dan maar saai, laf, zo nu en dan afwezig. Als je me echt mag, dan hou je evengoed van me.

Gelukkig zijn er daar genoeg van: leuke, lieve, (nieuwe) mensen. Mensen om mee te dansen en daten en koken en eten en bioscopen en lopen als je band lek is. Mensen met antwoorden op vragen, mensen voor planloze dagen en mensen voor als je het even niet meer weet.

(Mensen wiens naam ik steeds vergeet. Oh, al die namen. Maaike en Meike en Maaijke en Marieke en Mieke. Max en Maarten en Cas en Bas en Lars. Anne en Anna en Hanne en Hanna en Sanne – sorry voor alle keren in het verleden en in de toekomst.)

De een denk ik al behoorlijk te kennen, met de ander weet ik dat het klikt. De rest volgt dan vast. En zo hoor ik overal een beetje – maar ook een beetje overal.

Dit was stukje drie over mijn fijne maar enigszins chaotische leven, met daarin dus allerlei nieuwe mensen. Mocht je zo’n nieuw mens zijn en dit lezen: hoi! Leuk dat je dit deel van mij ontdekt. Beetje eng, ook wel. Maar het hoort erbij – bij mij. Mocht je willen, dan lees je hier stukje een en stukje twee terug. Er volgt denk ik nog wel een stukje vier!

2. OP, KAPOT EN VIES

thumbnail_filename-1-1 2.jpg

Het is half zeven, een rij van zeker twintig meter lang kronkelt door de supermarkt. Vermoeide voeten schuiven gele mandjes vooruit, ik huiver bij het geluid van plastic dat schraapt over de tegels. Zij die niet vooruit plannen betalen nu de prijs.

De te doden tijd vul ik op met mijn nieuwsgierigheid. Toon me je boodschappen en ik zeg je wie je bent. Gezin met kinderen, vegetarisch, tijd van de maand – zo’n mandje onthult meer dan je denkt. Zeker als ik tien minuten achter je heb staan wachten.

Betaald, richting uitgang. Langs de bewaker die me aan mezelf doet twijfelen. Het ik niet per ongeluk iets gestolen? Doorlopen, nu niet verdacht gaan kijken. Buiten. Thuis blijkt er altijd iets vergeten, maar morgen weer een dag.

(Van die gedachte baal je dan, als je op de wc zit en er niks meer hangt.)

Er is een hoop niet meer vanzelfsprekend wanneer je op kamers gaat. Je moet het zelf regelen, je eigen leven draaiende houden. Niemand anders gaat het nog voor je doen.

Welkom in de cyclus van op, kapot en vies. Neem de was, die altijd is – die zich ophoopt of vergeten is uit de machine te halen (en dan moet het opnieuw, want vergeten was stinkt). Daarbij bieden die pictogrammen lang niet altijd houvast. Wat moet je met wol, satijn, kant? Hang ik weer aan de lijn: ‘Mam? Ik heb een vraagje.’

(Over strijken zal ik maar helemaal niet beginnen. Dat is toch alleen een idee? Wie doet dat nou echt?)

thumbnail_filename-1-2 2.jpg

Het is een cyclus en daarom nooit klaar. Ik keer mijn kont of er dondert weer iets in elkaar – des te langer duurt het om dingen te maken. En dus douchen we in het halfdonker en beschijnt een fietslampje het fornuis, in ons huis met muren van peperkoek. Dus danst er stof in pirouettes door mijn kamer en zit er altijd een ondefinieerbare prut in het gootsteenputje.

Het lijkt een deprimerende gedachte: dat je de keuken blijft poetsen, je lijf blijft wassen, steeds opnieuw tot het op een dag gewoon niet meer hoeft. Maar ik zie er ook wel iets in. Hoe fijn, dat je je door die basale dingen goed kan voelen. Wanneer de vaatwasser draait, mijn bed fris is opgemaakt en ik naar boven kan roepen: het eten is klaar! Geloof het of niet, maar ik kan daar inmiddels best van genieten.

Moet je opeens voor jezelf gaan zorgen – ik had niet helemaal bedacht dat daar ook tijd in gaat zitten. Misschien een goed moment m’n ouders eens te bedanken, die deze taak toch achttien jaar succesvol vervuld hebben. (En nog steeds wel deels, natuurlijk, wie houd ik voor de gek.) Ook wel zo eerlijk om te vermelden: ik ben inmiddels in genoeg studentenhuizen geweest om te weten dat het mijne relatief gezien een smetvrij paleis is. We hebben zelfs een vaatwasser. Dit was stukje twee uit de reeks oh-shit-hoe-werkt-dit-nieuwe-leven. Stukje één lees je hier. Stukje drie volgt!

1. HOE FIJN OOK DE LIJNTJES

thumbnail_filename-1 2Een prachtige chaos, dat is mijn leven op dit moment. Ik ben vast de enige niet – die heerlijke hectiek kenmerkt deze tijd. Deze fase, een aaneenschakeling van nieuwe vrijheden, ervaringen en plaatsen waarin ik een structuur probeer te ontwaren, om te ontdekken dat die eigenlijk niet bestaat. (Indien gewenst maak je ‘m zelf maar.) Dagelijks blader ik door mijn papieren weken, zoekend naar gaten in mijn tijdlijn, om te concluderen dat ze ontbreken. De ene gebeurtenis buitelt over de ander en mijn gedachten denderen erachteraan.

Deels neem ik het voor lief: de verdwenen kledingstukken, de haastige broodjes, de plakkerige schoenen. Het slordige handschrift, de onafgemaakte zinnen. De fietstochten van tien-in-vijf-minuten, gevolgd door een blozende binnenkomst in de collegezaal. Maar ook in mijn hoofd loopt alles door elkaar – namen, afspraken, (on)belangrijke zaken. Het lijkt onvermijdelijk, in deze tijd van losse eindjes: je gooit ze haastig op een hoop en na een tijd tref je ze verward weer aan. Hoe fijn ook de lijntjes – samen vormen ze toch een knoop.

Ik merk het ook hier; vroeger schreef ik over een broodrooster of een schaduw op een muur, nu lijkt alleen het grotere geheel te tellen. Alles is met elkaar verweven, tot één Groot Stuk waaraan ik honderd keer zal beginnen, maar wat nooit klaar zal zijn. Vandaar deze poging tot ontwarren. Met geduld – niet te hard trekken, dan wordt het alleen maar erger. Een gooi naar overzichtelijke delen, om alles weer op orde te hebben – al is het maar voor even.

M’n leven is heel leuk momenteel, maar het is wel een beetje een zooitje. Al schrijvend (tekenend, filmend?) zet ik dingen op een rijtje. Zo ontstaat een nieuwe reeks verhalen. Wat-gebeurt-er-nou-eigenlijk-allemaal-in-het-leven-en-wat-vind-ik-daarvan. Waar-ben-ik-eigenlijk-mee-bezig-en-waarom. Hoe-werkt-dit-volwassen-worden. Dit was stukje één.