Column

IK STOND DUS EEN TIJDJE VOOR DE KLAS | EINDHOVEN

Wanneer je terugkomt op een plek waar je een tijd niet geweest bent, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Zo kwam ik twee jaar na een verhuizing terug in het huis waar ik was opgegroeid, verbaasd over hoe kléín alles was – niet stilstaand bij het feit dat ik zelf een behoorlijke groeispurt had doorgemaakt.

Anderzijds kom je soms ergens terug, om te ontdekken dat alles hetzelfde is gebleven. Zoals op mijn middelbare school in Eindhoven – van de puberstroom in de pauze tot de gifgroene vloerbedekking in de gang. En een jaar na mijn eindexamens begint het eerste uur nog steeds – excuseer – fucking vroeg.

Een donderdagmorgen in april, gapend laat ik heet water in een kopje stromen. ‘Hier mogen eigenlijk geen leerlingen komen, hè.’ Als je met genoeg zelfvertrouwen de docentenkamer binnenloopt, gaat men er vanzelf vanuit dat je daar hoort. Andersom hoef je maar enigszins twijfelend om je heen te kijken, en de conciërge pikt je er zo uit.

Voor iemand die stopte met haar opleiding, bracht ik nog heel wat tijd in de klas door. Beter gezegd: voor de klas. Ik gaf een paar weken les over filosofie, kunst en creativiteit. Bladerend door boeken en kranten, struinend over het internet vond ik mijn thema’s. In koffietentjes vond ik mijn concentratie.

(Deze lessenreeks wordt mede mogelijk gemaakt door Coffee Company Nachtegaalstraat).

Het vierde blok, de vierde klas. Met een kleine twintig leerlingen filosofeerde ik over kunst in de allerbreedste zin van het woord. Wanneer is iets kunst? Wat is het nut ervan?  Wat is het verband tussen Aristoteles en GTST? Welk kunstwerk ken je al jaren, zonder het te weten?  En waarom gaat het steeds weer over dat omgekeerde urinoir?

Veel vragen, weinig antwoorden. Mijn doel met de lessenreeks was niet zozeer duizend jaar kunstgeschiedenis oprakelen. Veel liever wilde ik een nieuwe manier laten zien om naar kunst te kunnen kijken.

(Ik ga nu even mijn eigen lesplan quoten. Sorry daarvoor.)

‘Wanneer je probeert kunst alleen maar te ervaren vanuit je gevoel, ga je voorbij aan een context vol betekenis. Dat lijkt mij zonde. Want juist in die context zal je ontdekken dat kunst ontroerend kan zijn, grappig, bijzonder, irritant of gewoon heel raar. Dat makers hun tijd soms ver vooruit waren, dat ze gedurfde dingen deden, die zelfs nu nog invloed kunnen hebben op hoe wij de wereld zien.

Wél nadenken dus – met al die vragen en antwoorden in je hoofd zal je vanzelf een gevoel ontwikkelen bij bepaalde kunstwerken. En een mening erover. Dat is het leuke: kunst heeft altijd te maken met je eigen interpretatie. Het is als het leren drinken van wijn: hoe meer soorten je proeft, hoe beter je ontdekt wat de verschillen zijn en wat je eigen smaak is. Alleen word je van kunst niet dronken.’

Dat dus. Maar waarschijnlijk heb ik zelf nog het meest geleerd van deze ervaring. Om een paar dingen te noemen:

  • Misschien wel het moeilijkste deel van een les: het begin. Al snel kwam ik erachter dat ik een soort kreet nodig had om de aandacht te krijgen, wilde het niet heel ongemakkelijk worden.

(‘Ehh, jongens!

Jongens?

Jongens…?

Kunnen jullie heel even…?

Ja?

Dankje – hallo?

Ja.

Dankjewel.’)

  • Maar als ik eenmaal begonnen was, voor het bord met een kop thee in mijn hand, voelde het al snel vertrouwd. Binnen een week hoorde ik mezelf dingen zeggen als ‘Ga je ook nog even aan het werk? Als je het nu doet, heb je het straks thuis eerder af.’ ‘Zou het misschien verstandiger zijn als jullie niet naast elkaar gingen zitten?’ En dan deden ze dat nog ook. Het was dan wel een kleine klas met goede manieren. Maar tóch. Toch verwachtte ik stiekem dat op een bepaald moment de pleuris uit zou breken, omdat ze erachter waren gekomen dat ik geen échte docent was.

(Al wisten ze dat vanaf les één natuurlijk al. Vorig jaar spendeerde ik mijn pauzes nog naast hen in hal B.)

(Bovendien was er steeds wel een échte docent bij, mocht het dan toch uit de hand lopen.)

  • Het is leuk. Al zo’n vijf jaar geef ik bijles, met veel plezier. Ik wist dus dat het overdragen van kennis me blij maakte. Maar zo’n hele reeks opzetten, van onderwerpkeuze tot nakijkwerk, bracht nog veel meer met zich mee. Meer verantwoordelijkheid, meer organisatie, meer voldoening. Meer leuke, slimme leerlingen vol verrassende uitspraken. Hoe cool is het als je het idee hebt dat er mensen zijn die echt iets gedaan hebben met je verhalen – omdat je dat in hun zelfgeschreven essays kan terugzien.
  • Ten slotte het besef dat het me misschien wel iets lijkt – voor als ik later groot ben.

Verder in Brabant: examenfeestjes vieren. Genieten van het ouderlijk huis – met name de tuin, waar het ruikt naar warme dennenbomen en waar de vogels je ’s ochtends wakker maken. Avonden bij de buitenhaard – niet tot het te koud wordt, maar tot het hout op is. Woorden hangen nog in de lucht, maar niemand voelt zich geroepen ze te vangen. De knapperende vlammen voeren de boventoon, tot er slechts kooltjes resteren en het vuur nagloeit in mijn ogen.

Stad drie uit de reeks van steden. Amsterdam, Rotterdam en nu dus Eindhoven. Mijn favoriet bewaarde ik tot het laatst. Ergens over een paar dagen: Utrecht!

PARADE | ROTTERDAM

Processed with VSCO with f2 preset

Het verbaast me soms hoe lang bepaalde keuzes nog een effect hebben. Toen ik veertien was schreef ik me in voor een toneelgroep – met knikkende knieën, welteverstaan. In drie jaar leerde ik meer schijt te hebben en minder schaamte te kennen. Ik werd verliefd op het gevoel dat me bekruipt wanneer ik verhalen mag vertellen – zij het die van iemand anders. Ik ontwikkelde een fascinatie voor wat echt is – en of iets ooit echt echt kan zijn. Tenslotte vervult ieder mens dagelijks verschillende rollen. Ik kwam terecht op De Parade, een theaterfestival dat elke zomer door Nederland reist.

En dit jaar deed ik ook mee. Tien dagen lang speelde ik ‘Je Favoriete Kassameisje’ op De Parade in Rotterdam. Het was geen ingewikkelde rol; vooral veel enthousiasme, simpele tekst, leuke medespelers. Hier en daar wat improvisatie – wat doe je wanneer je ouders en peuter naar een voorstelling hebt gestuurd, waar bij binnenkomst twee naakte mannen op een bed bleken te liggen?

IMG_0127

Ik wijs de weg, geef advies en vervul de rol van bankier – tientallen dronken mensen pinnen bij mij hun tientje. Uiterlijk om twee uur valt het doek – sluiten de luiken van de kiosk.

(Vervolgens blijkt het lastig loslaten. De eerste paar nachten slaap ik onrustig, omdat ik constant denk dat er bezoekers bij mijn tent staan. ‘Goedenavond, kan ik u helpen?’ mompel ik vanuit mijn slaapzak. ‘Heeft u misschien nog een Rotterdampas? Dat wordt dan elf euro alstublieft.’)

Een oranje luchtbedje – nog een toevoeging aan de lange lijst bedden waarin ik heb geslapen dit jaar. Daarmee doel ik niet per se op nachtelijke avontuurtjes met wildvreemden; het was in alle opzichten een periode vol nieuwe personages, nieuwe decors. Nieuwe dekens die ruiken naar een wasmiddel dat ik niet herken, waardoor ik ’s nachts wakker word en niet weet waar ik ben.

Processed with VSCO with c1 preset

In een tent dus, de afgelopen tien dagen. De lucht is dik. De zon brandt door de transparante muren en zet alles in een pastelgroen licht, tot ik het doek openrits. Buiten is het beter ademhalen. Tegenover me doet mijn favoriete Paradebuurmeisje haar voordeur open, met kleine oogjes wens ik haar goedemorgen. De Euromast waakt over onze zandbak annex camping.

Aan drugs doe ik niet, maar een roes kan ik wel waarderen. Zo’n gevoel dat je overvalt als alles even klopt, in een kleine wereld die maar tien dagen bestaat. Een wereld waarin mijn telefoon veelal leeg is en autoruiten mijn beste optie op een spiegel zijn. Een wereld waar nieuws binnensijpelt als filterkoffie – langzaam en niet bepaald sterk. Alles zit er onder de modder, van mijn broekspijpen tot mijn sjaal-die-ook-mijn-kussen-is. Vroeg of laat bestaat er niet. Alles gebeurt op het juiste moment.

Processed with VSCO with f2 preset

Zo is het ’s avonds tijd om te kijken, een theatertent in te duiken met mijn lichtroze keycord om mijn nek. Het zit nooit vol – dan schuif je maar wat dichter tegen elkaar aan. Welkom in de Paradebubbel, waar we afspreken te geloven in de verhalen die er verteld worden. Iedereen kan iedereen zijn. Je eet er poffertjes als ontbijt, middernachtelijke tosti’s en bier op de bon. Liefst eindigt de dag zwevend, in de molen midden op het terrein. Rond en rond, met een sporadisch afzetje op het beton van het Museumplein.

Processed with VSCO with f2 preset

Verder in Rotterdam: eigenlijk helemaal niets, behalve de weg naar de camping en het station. Ik kom nog wel een keer terug voor de rest.

Ik besloot te schrijven over de steden waar m’n leven zich afspeelde, de afgelopen tijd. Dit was stad vier, verhaal twee. (Ik gooi alles door elkaar, want wat nou chronologie.) ‘Je Favoriete Kassameisje’ is misschien nog te zien op De Parade in Amsterdam, en gaat sowieso volgende zomer in reprise.

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies. 

JE EIGEN LEVENTJE

FullSizeRender

Eind januari besloot ik dat het tijd werd om mijn eenpersoonspaleis in te ruilen voor een kamer in een studentenhuis. Door een combinatie van kieskeurigheid en een overvolle markt, heeft het even geduurd. Achttien mails, negen Facebookmessages, zeven berichten via Kamernet. Negentien uitnodigingen, elf afmeldingen, acht hospiteeravonden. Acht kamers vol glimlachjes, giechelende meisjes en chips waarvan nooit iemand eet. Zes keer een sms krijgen. ‘We vonden je supergezellig, maar helaas niet gezellig genoeg.’ Soms balen, soms niet echt. Maar sowieso denken: ik houd er leuke verhalen aan over. Bij deze.

FullSizeRender-1

‘Huize *** is op zoek naar een nieuwe huisgenootje! Per 30 februari komt er een kamer vrij in het allerleukste huis van Utrecht. Wij zoeken een meisje van minimaal 19 jaar – maar liever ouder – die weet wat het is om in een studentenhuis te wonen. We willen namelijk geen jonkie die we nog moeten leren koken of schoonmaken en bovendien moet je wel lekker op tempo mee kunnen zuipen. We zoeken iemand die enthousiast, gezellig, spontaan, sportief, knap en hilarisch is. Je drinkt graag wijntjes, doet graag drankjes en dansjes en je bent een beetje verslaafd aan Netflix. (Verder heb je hopelijk nog wel een authentieke hobby die jou er op de hospi uit laat springen, anders zijn we je aan het einde van de avond alweer vergeten.) We zijn een heel hecht huis met elke week een huisavond, maar ook huisweekenden, tripjes naar Berlijn en een kerstdiner in maart. We zoeken dus iemand die hiervoor in is, maar ook al écht haar eigen leventje heeft opgebouwd in Utrecht.’
FullSizeRender-4

In de voorstelronde probeer je een balans te vinden tussen deze ideale huisgenoot en de persoon die je echt bent. Want je danst inderdaad graag tijdens het uitgaan, liefst op foute hitjes die je hard en vals kan meezingen. Maar soms heb je het om twee uur wel gezien, val je half in slaap in een wc-hokje en besluit je maar naar huis te gaan. Daar heb je vrede mee. Je hebt geen pertinente hekel aan studeren. De favoriete huisseries heb je niet gezien. Prison Break niet. Breaking Bad niet. House of Cards niet. Je volgde wel trouw Wie is de Mol en van Modern Family kan je sommige afleveringen meepraten. Een deel vertel je, een deel besluit je strategisch te verzwijgen, afgaand op het soort avond waar je terecht bent gekomen. Om je een idee te geven:

Het onderonsje. Iedereen kent iedereen en anders op zijn minst één iemand. (‘Bij wie zit jij in de club dan? Bij Annabel? Nouuuu, wat toevallig! Ik heb met haar op de basisschool gezeten!’)

Het huis waar de overloop (3m2) ook de keuken en de woonkamer blijkt te zijn.

Het ongemakkelijke half uur. Na tien minuten loopt de secuur geprepareerde vragenlijst ten einde en beginnen er stiltes te vallen. Een zeldzaamheid op een hospiteeravond vol meiden. Maar hier is de helft niet komen opdagen. Er staan geen bierflesjes in de hoek, geen teksten op de muur, geen vaat op het aanrecht. Er is geen muziek – het enige geluid komt van de hamster die rondrent in zijn kooi. Je denkt wel kans te maken op de kamer, maar zegt het af, omdat je het gevoel hebt dat je anders bij twee veertigjarigen komt te wonen.

FullSizeRender-3

Het feest. Iedereen neemt bier mee, van kennismaken komt het niet echt – daarvoor staat de muziek te hard. Wie de kamer krijgt, wordt bepaald middels een rietadtcompetitie.

De bovenverdieping met de huisbaas die daaronder woont. (‘Hij heeft oorsuizen, dus je mag niet te veel met de stoelen schuiven. Hij wil alleen meisjes, omdat de toonhoogte van onze stemmen hem beter bevalt. Soms staat hij ineens in de gang. Wil ‘ie even babbelen. Ja, hij is echt heel geïnteresseerd in onze levens. Daarom wil hij ook eerst uitgebreid met je praten, voordat je hier komt wonen. Oh, en vanuit jouw kamer zie je hem soms halfnaakt yoga’en op het balkon. Maar verder is hij heel oké hoor. Echt.)

De diepe teleurstelling. Alles klopt: gezellig, licht, schoon zelfs. Het klikt. Het lijkt te mooi om waar te zijn – en dat is het ook. Je eindigt als derde. Hierna wil je nooit meer hospiteren.

Het semi-verenigingshuis. (‘Eigenlijk is alleen Noor lid, maar wij vinden het ook superlachen allemaal. Als je onze HJ wordt moet je trouwens wel een jaar lang alle afwas doen. Vo.’)

De kamer die eigenlijk een kast is.

FullSizeRender-2

De laatste. Je probeert op niets meer te hopen, en dat bevalt eigenlijk wel. Ook hier is het mooi, schoon, nieuw – de woonkamer is nog een lege ruimte, de tuin (!) slechts een gat in de nacht. Ook de kamer is donker – met een telefoon wordt bijgeschenen, maar je vergeet hoe het er eigenlijk uitzag. Op tafel staan chips die daadwerkelijk gegeten worden. Je praat zonder al te veel na te denken. Over het fijnste park van de stad, over Barcelona, over creativiteit. Je geeft toe dat je geen biertje openkrijgt met een aansteker. Je vertelt dat je het belangrijk vindt om ook elkaars ochtendhumeur, studiestress of irritante verliefdheid de ruimte te geven. Je loopt naar buiten. Misschien is dit het – de plek waar je eigen leventje zich zal gaan afspelen.

Twintig minuten later word je gebeld. Ondanks het feit dat je Eline Iris noemde en Kelly Amber, ondanks je ietwat zweverige verhaal over filosofie en het feit dat je nooit weet wat je moet koken. ‘Je bent het geworden. We vonden je een topwijf.’

LICHTROZE

fullsizeoutput_2af

Het is noodgedwongen knus in de trein. Ik weet een zitplek te bemachtigen naast een meisje gehuld in alles lichtroze. Vanonder haar (lichtroze) pet bekijkt ze een vlog op haar (lichtroze) telefoon. Een filmpje waarin iemand autorijdt, kookt en de kak van de hond opruimt. Dikke zwarte wimpers rusten boven haar (lichtroze) wangen, doen haar ouder lijken dan ze waarschijnlijk is. Een voorzichtige glimlach speelt rond haar (lichtroze) lippen. Uit haar tas haalt ze een Rubik’s Cube.

Ik zou twijfelen. Ik zou denken dat één verkeerde wending de oplossing onmogelijk zou maken. Ik zou de vierkanten liever ongeschonden laten, en anders zou ik voorzichtig zijn. Mijn zetten proberen te onthouden, om ze vervolgens achterwaarts weer uit te voeren.

Maar zij – met een jaloersmakende vastberadenheid draait ze de blokjes in het rond. Schijnbaar achteloos, buitengewoon effectief. Binnen drie minuten vertoont haar kubus weer zes egaal gekleurde vlakken. Rood, geel, groen. Blauw, wit, oranje.

(Alleen hier ontbreekt lichtroze.)

Ik zou het ding nooit meer aanraken. Hem op een zichtbare plaats zetten, als een trofee van doorzettingsvermogen. Ik zou uitermate tevreden zijn met mezelf.

Zij is dat niet – niet hierom, in ieder geval. Elke nieuwe oplossing resulteert slechts in een zucht en een blik op de vlog, waarin iemand netflixt of tandenpoetst. Vervolgens creëert ze automatisch een nieuw probleem, met een paar gedecideerde wendingen van haar vingers – haar nagels lichtroze gelakt.

fullsizeoutput_2b2

ELKE AFSTAND OOIT

Ik zou nog één keer gaan rijden. Niet ver, niet lang – net genoeg om de motor door zijn winterdip heen te helpen. Dunne jas, snelle schoenen, blote ogen. Mijn koude vingers draaien de gashendel open. Een lichte sputter, dan ben ik weg.

Hoe anders was dat anderhalf jaar geleden. De zomer liep tegen zijn einde toen Mart voor het eerst bij mij achterop zat, in plaats van andersom. Een toeziend oog terwijl ik de draaicirkel verkende, mijn rechterslipper verloor, steeds wat meer gas durfde te geven. Daarna liet hij me gaan.

Ik vond het niets voor mij en ik was niet de enige. Misschien voelde de vrijheid daardoor extra groot – groter dan die eerste rit langs de weilanden mogelijkerwijs kon veroorzaken. Het was meer dan de warmte die zon, asfalt en uitlaat samen produceerden. Het was meer dan het gedonder in mijn oren, overstemd door de motor, overstemd door een stem die riep dat ik mijn knipperlicht aan had laten staan.

Het was meer dan de afstand die we aflegden, slechts van het ene dorp naar het ander. Het was elke afstand die ooit zou kunnen bestaan, door de combinatie van nergens heen hoeven maar overal heen kunnen gaan – met slechts een paar sleutels en een zonnebril.

(Het was de verbazing dat ik daar zo van kon genieten.)

Ook nu heb ik niets bij me – geen telefoon, geen portemonnee en dus geen rijbewijs. Alleen dat laatste doet me omkeren, na langer dan verwacht. Terug over de eeuwige weg, waar aan het einde Ruud staat te wachten. Ruud-van-Marktplaats, maar vooral zijn zoon-van-bijna-zestien. Ik zie hem gluren, het verlangen brandt rood op zijn wangen. Ze is in goede handen.

width=