Auteur: Milou

NASHVILLE | MET JE PRINCIPES OP DE BORST

Voor een paar dagen woonde ik op een haast lege campus. Mijn verdieping was verlaten, op een sporadische schoonmaakster na. Ik hoefde niet te wachten op de lift, er was geen rij in de kantine, maar pas met de aankomst van andere studenten begint Vanderbilt te leven. Het blijkt een divers gezelschap, anders dan de overwegend witte universiteit die ik uit Nederland ken. In andere opzichten is het juist een uniforme groep – en dat mag je letterlijk nemen. De meesten van hen zijn in een standaard tenue uit te tekenen: sneakers, shorts en een t-shirt. Natuurlijk zijn er ook meisjes in jurken, jongens in overhemden, maar ze zijn niet in de meerderheid. Over het algemeen zien de studenten hier eruit alsof ze naar de sportschool gaan, of net zijn geweest.

(Ik heb één keer de fout gemaakt het te vragen. ‘Did you have a nice work out?’ Dat gebeurt me niet nog eens.)

Een ontdekking die ik deed: elk shirt moet iets betekenen. Waar ik doorgaans opteer voor zwart, misschien een printje als ik in een gewaagde bui ben, moet er hier tekst op staan, of op z’n minst een symbolisch teken.

Toon me je t-shirts en ik zeg je wie je bent. Move in crew, freshman mentor, Vanderbilt student. Je zou zeggen dat dat laatste wel duidelijk is als je überhaupt op de campus rondloopt, maar zo werkt het niet blijkbaar. Het helpt dat je voor elke minimale prestatie een t-shirt krijgt uitgereikt: als je komt kijken bij een voetbalwedstrijd, aan het einde van de oriëntatieweek. ‘You made it,’ je hoort erbij.

Supporter van het footballteam, lid van de literary society, class of 2020. Thuis moet je raden in welk jaar iemand zit. Hier loopt men rond met identiteit, interesses en principes op de borst. Ook de bestickerde laptops en waterflessen verkondigen een duidelijke boodschap: dit is waar ik voor sta.

(Ik moet denken aan de spijkerjasjes die ik met mijn jaarclub liet maken. Er mocht absoluut geen jaartal of verenigingsnaam op staan – we wilden ze nog wel ‘gewoon’ kunnen dragen.)

Donderdag was het voor ons newcomers tijd om een keuze te maken. In een immense sporthal hadden zich alle denkbare clubs verzameld om een goede eerste indruk te maken op een stuk of zestienhonderd transfers en eerstejaars.

(De hal zelf, bekleed met meters en meters aan plastic gras, droeg daar niet echt aan bij.

‘It smells like feet, aldus een van mijn nieuw verworven vrienden. Ze had gelijk.)

Lichtelijk overweldigd baande ik mijn weg langs de tafels, terwijl me steeds dezelfde vraag gesteld werd:

‘Do you like math/puppies/God/…?’

Vul maar in – voor alles een club. Lacrosse, roeien, frisbee. Mock trial, robotics, trivia. Women in Computing, African Student Union, Europeans in America. Allemaal hadden ze snacks en goodies die je mee kon nemen. Maar geen t-shirts – die moest je verdienen.

NASHVILLE | HET NIEUWE NORMAAL

De afgelopen weken ben ik denk ik wel vijftig keer welkom geheten. In het voorbijgaan door inwoners van Nashville, die me feliciteerden met mijn toelating. Wanneer ik me voorstelde aan ouderejaars. En in de eerste week, tijdens International Orientation. Zo’n vijf ochtenden op een rij luisterden we naar presentaties, die allemaal bleken te beginnen dan wel eindigen met dezelfde zinnen: ‘Welcome to Nashville. Welcome to Vanderbilt.’

(Ik dacht even terug aan mijn introductie aan de universiteit in Utrecht, maar ik denk dat niemand me daar ook maar één keer zo plechtig welkom heeft geheten.)

Ik voelde me niet helemaal thuis tussen de internationals – een stuk of honderd achttienjarigen, recht uit het vliegtuig, de jetlag nog voelbaar. De meesten waren vrij verlegen, beantwoordden vragen met enkel ‘ja’ of ‘nee’. Sporadisch deelde iemand een verhaal waaruit bleek dat ze niet alleen fysieke bagage met zich meebrachten. Zo was er een jongen uit Nepal die uren vast had gezeten op het vliegveld van Hong Kong. Hij liet me een filmpje zien van de vertrekhal, die veranderd was in een zee van protestanten. De Chinese studenten hadden de e-mails van de universiteit niet gekregen, omdat ze via een Google-account waren verstuurd. Een meisje uit Zuid-Korea vertelde dat ze filmstudies wilde doen, maar dat dit bemoeilijkt werd door de regering, die nog wel eens de neiging had cruciale scenes weg te laten. Terwijl Europeanen de VS steeds meer argwanen, was het voor deze eerstejaars het symbool van vrijheid in doen en laten. 

Deze week markeerde een nieuwe fase in hun leven. Voor mij daarentegen, was een groot deel ervan al normaal. Student zijn, niet bij je ouders wonen, een studierichting kiezen – die paden had ik al bewandeld. Daarnaast was er echter genoeg om aan te wennen. Niet eens op grote schaal. Ik spreek de taal, ken het eten en heb genoeg college vlogs gekeken om te weten hoe mijn kamer er ongeveer uit zou zien – die zijn namelijk overal hetzelfde.

(Een ding waar ik niet aan hoefde te wennen: een roommate. Ik kreeg een eenpersoons kamer toegewezen; een bescheiden schoenendoos met betonnen muren, maar ik hoef hem niet te delen.)

Maar er waren wel een paar praktische zaken die in de powerpoints onbesproken bleven.

Kan ik hier ’s nachts alleen naar huis lopen of niet? Kan ik mijn laptop laten liggen als ik even naar de wc ga? Wat doen mensen hier ’s avonds? Hoe werken de printers? Hoe werkt het meal plan? Je mag drie sides en een entree nemen, maar hoe weet ik wat telt als welke van de twee? Kan de airco op mijn kamer ook uit? (Nee.) Hoe in hemelsnaam moet ik een bed opmaken met een sheet set in plaats van een dekbedovertrek? Waar moet ik heen voor lekker eten? En voor feestjes? Wat betekent ‘cold’ of ‘warm’ of ‘very warm’ als dat op de wasmachine staat? Waarom stopt iedereen hier alles in de droger? Wat zijn dryer sheets en heb ik ze nodig? Voor hoeveel vakken moet ik me eigenlijk inschrijven? Als ik wil wisselen, hoe moet ik dat dan regelen? 

Je zult begrijpen: deze weken waren vol triviale vragen. Maar ik leerde een hoop, nog voordat ik maar een lokaal was binnengegaan.

NASHVILLE | DE STAD EN DE STAD

Het was deze dag die ik als stip op de horizon geplaatst had. Aangekomen met spullen, benodigde stempels en mezelf, een goede nacht slaap gehad. Een nieuwe stad en een lege dag.

We werden tegelijk wakker, op deze maandag die we samen hadden. De laaghangende zon deed denken aan een herfstochtend, maar dat was schijn – het was heet. Al snel rees de zon naar een hoek van negentig graden, om me vanaf daar de rest van de dag te volgen.

Het was een gekke gewaarwording om de straat op te gaan en de eerste indruk te laten ontstaan. Van tevoren had ik geprobeerd me een voorstelling te maken van deze plaats. Maar dat betekent niets tot je weet hoe het er ruikt, hoe de lucht tegen je huid voelt.

Al snel kwam ik erachter dat ik met twee steden te maken zou hebben – micro en macro.

Nashville met haar talloze hijskranen – alles hier leek in aanbouw, of klaar om te worden afgebroken. De straten waren langer dan ze leken. Men nam de auto, de bus, een elektrische step op z’n hoogst. Niemand liep – mijn enige tegenliggers waren bouwvakkers, helm in de hand, sjaal voor de mond geknoopt. Even had ik spijt van mijn benenwagen, maar vanuit een taxi had ik nooit de muurschilderingen tussen de steigers door zien schijnen, als een contrast voor het grijs.

Nashville met haar getinte ramen, de terrassen leeg – te heet. De restaurants leken verlaten tot je er zou binnenlopen. Daar bleek dan heus het een en ander gaande. Knoppen voor elk stoplicht, die je ook echt moest indrukken, anders gebeurde er niks. Maar ook als je dat begrepen had, duurde het lang voor je mocht oversteken. Deze stad, dit land, met haar enorme cornflakesaanbod en permanente slag om de arm. ‘Please be advised that this exhibition includes works of art with mature themes’, zo las ik voordat ik een expositie over Frida Kahlo betrad.

(Het was een houtskooltekening van een vrouwenlichaam. Dat kon ik nog net aan.)

En dan de campus, stad in de stad. Hoewel ik er nog niets te zoeken had, wilde ik ook vast voelen hoe het daar was.

Anders.

Het rook er naar warm gras. Gazons als miljoenen groene tandenborstels; stug maar zacht. De zon was tot goud verbogen. Krekels verscholen zich in de enorme bomen, het gekrekel vermengde zich met de ruis van de straat. Een prachtig doolhof was het. Ik durfde er nog niet te ver in te gaan, aangezien het voelde alsof ik er nog niet hoorde te zijn. De wegwijzers moesten nog worden geplaatst, de ballonnen nog worden opgehangen. Ik passeerde gebouwen van rood steen, die allemaal op elkaar leken. Binnen twee weken zouden ze Willson Hall en Warren College heten. Ook hier geen voetgangers op de paden – pas over een paar dagen zouden de Commodores hun entree maken, met vakantieverhalen en auto’s vol dozen.

Aan de rand van de campus word ik aangesproken door een vrouw en een man. Of ik wist waar de boekhandel was.

‘I’m new here, so I wouldn’t know to be honest,’

‘Are you starting at Vanderbilt?’

‘Yes. Tomorrow.’

Maar we hadden vast kennisgemaakt.

NASHVILLE | KEEPING EVERYONE SAFE

Soms verdenk ik het universum ervan mij deelgenoot te maken van bepaalde ervaringen zodat ik maar weer een verhaal heb om te delen. Neem bijvoorbeeld mijn reis naar Atlanta. Als ik een stereotype Amerikaan moest omschrijven, dan zou ik mijn buurman tijdens die vlucht als voorbeeld nemen. Een rots van een man – een die je niet zomaar om zou duwen. Rossige baard en zeker één negentig lang. Ook in de breedte leek hij zijn stoel goed te vullen.

Ik wenste hem goedemorgen. Het is altijd goed om wat krediet op te bouwen met je buren tijdens verre reizen, zodat er geen schuldgevoel hoeft te ontstaan wanneer je voor de vijfde keer naar het toilet moet of toch wel die sjaal nodig blijkt te hebben die je niet meer onder de stoel voor je kwijt kon. De buurman in kwestie was ook op de hoogte van deze regeling. Hij vertelde mij meteen dat ik hem maar een nudge moest geven als hij teveel van de armleuning in beslag nam. Verder kletste hij graag, zo gaf hij aan, maar als ik er genoeg van had moest ik dat vooral laten weten. Ik kon echter wel wat gezelschap gebruiken tijdens mijn reis over de oceaan. En zo spraken we over het snobisme van Parijzenaren, het Amerikaanse schoolsysteem en zijn ideeën over het Hollandse patatje met.

‘You eat fries as if it’s a complete meal, instead of a side.’

Wat hij precies had gedaan in Amsterdam bleef raadselachtig. Hij reisde alleen, maar was niet voor zijn werk in de stad geweest. Hij had een baan bij de overheid – law enforcement, dat is wat hij deed. Die term was zo breed dat ik niet exact wist wat het betekende. Ik besloot het maar te laten, aangezien hij zelf ook niet verder in detail treedde. Wel was hij benieuwd naar de wetgeving in Nederland. Zo vroeg hij naar de regels omtrent wapens.

‘I think most cops have them, but you can not just go out and buy one.’

‘Really? So how do you people protect yourselves?’

‘Well, If no one owns a gun, then why would I need one?’ Naar zijn standaarden klonk dat vast naïef, maar ik had in mijn hele leven nog nooit behoefte gehad aan een wapen. ‘I would actually feel less safe knowing that everyone could have a gun laying around.’

Hij was even stil.

‘Do you have one?’ vroeg ik hem.

Hij lachte. ‘One on every floor of my house. So that makes three.’

Je moest er wel mee om kunnen gaan, zo vond hij. En dat kon hij, aangezien hij in het leger had gezeten.

Onze conversatie was in balans: nu en dan zaten we een kwartiertje te praten, om vervolgens weer bezig te gaan met onze eigen zaken. Soms maakten we even oogcontact, wanneer ik weer eens een laagje kleding uit mijn tas opdiepte omdat ik het aanhoudend koud had. Hij grinnikte terwijl ik met mijn sjaals en dekentjes hanneste, terwijl zijn armen steeds bloot waren.

Een paar clichés wist hij zeker waar te maken. Rond een uur of elf in de ochtend diepte hij een Big Mac op uit zijn rugzak. Warm zal hij niet meer geweest zijn, maar er kwam nog wel die typische geur vanaf – verschroeid vlees en slappe blaadjes sla.

‘You don’t like the airline food?’ vroeg ik hem, aangezien het me niet lukte zijn brunch compleet te negeren.

Hij haalde zijn neus op. ‘It’s not good for you. It contains way too much salt.’

Hij liet de wereldkaart steeds op zijn schermpje staan. We vlogen boven de Azoren langs, over Happy Valley-Goose Bay en Fire Lake. We passeerden de Canadese grens in een boog richting Atlanta.

Hij vertelde dat hij wel vaker vloog.

‘For work?’ poogde ik nog maar eens.

Hij boog een stukje naar me toe en bracht zijn volume omlaag.

‘So, you know what an air marshal is?’

‘I’ve heard of it, yes. But I’m not really sure wat it means.’

‘I go on flights to make sure everyone is safe,’ zei hij kalm. ‘That is what I do.’

‘So is there someone important on this plane?’ Mijn blik werd gelijk richting de eerste klasse getrokken, maar tevergeefs – de gordijnen waren gesloten.

‘No, no. They just assign us to random flights. The chance that one of us is present hopefully prevents people from… doing things they shouldn’t.

Ik liet het even bezinken.

‘So you have a gun with you right now?’ fluisterde ik.

Met een haast tevreden gebaar aaide hij met zijn hand over zijn buik.

Een half uur later landden we in Atlanta.

‘Should we maybe exchange phone numbers?’

Het kostte me even te bedenken wat ik nu weer met deze plottwist aan moest, maar dat bleek te voorbarig.

‘In case anything happens. You can always call me.’

En zo werd air marshal Loren de eerste Amerikaan wiens nummer ik in mijn telefoon heb opgeslagen.

OVER DE GRENS (VIII) | MISSEN

IMG_5067

Niemand had me verteld dat het missen het hevigst zou zijn terwijl ik gewoon nog hier was.

(Daar was. Inmiddels ben ik hier, zevenduizend kilometer verderop.)

Ik miste mijn broer tijdens het sjouwen met dozen – alles naar zolder, die gebruikt werd als opslag van ijshockeyspullen, of om een sporadische joint te roken. Nu stonden mijn spullen er opgestapeld, op onze vliering annex oven, verwarmd door de zomerzon die door het dakraam brandde. Mart maakte grapjes over mijn pannenkoekenplant.

‘Toet, wat heb je gedaan?’ vroeg hij, ergens tussen shock en de slappe lach. ‘Hoe kan de aarde nou droog zijn terwijl er water onder in de pot staat?’ Hij zou de zorg tijdelijk overnemen, maar ik vraag me af of ik de voogdij ooit nog terugkrijg.

(Het deert me ook niet zo – Peter is in goede handen.)

Ik miste mijn ouders tijdens de laatste middag thuis. Ik zou eigenlijk met spullen komen, maar besloot het te laten, geen zin in gesleep met koffers in en uit de trein. Dus kwam ik zomaar, voor de gezelligheid. Al kwam die niet per se van mij – ik zat op de bank en had geen idee wat ik met mezelf aan moest. Pap had vast dollars voor me gehaald. Mam kriebelde mijn rug, streek me over mijn wang. ‘Nu het nog kan.’

Niemand had me verteld over afscheid nemen. Misschien wordt dat vergeten – na maanden aan geweldige ervaringen niet meer het noemen waard.

Mijn afscheid ging gepaard met onbedwingbare tranen in de vertrekhal. ‘Vertrekken is als geblinddoekt een achtbaan in gaan,’ aldus Mienke. Ik schrok ervan; dat ik nauwelijks kon lachen door die tranen heen had ik niet verwacht. Maar de laatste weken vertelden me enkel wat ik achter zou laten: vrienden die je om zeven uur ’s ochtends op het vliegveld komen uitzwaaien, familie aan wie je niets echt uit hoeft te leggen omdat veel voor zich spreekt.  Wat ervoor in de plaats zou komen, daar had ik geen idee van.

En zo vormde mijn afscheid een paradox, van willen blijven en vertrekken tegelijk, zodat het missen maar voorbij zou zijn. Op naar wat ik terug zou krijgen.

Het kostte me grote moeite om weg te lopen. Trap op, rij in. Nog even zwaaien. Uit het zicht verdwijnen. Alleen zijn, met rode ogen thee halen. Buikpijn. Opstijgen, weer tranen. Aardige man naast me. Gaat het? Ja, het gaat. Een film kijken, afleiding. M’n telefoon erbij pakken om wat gedachten weg te typen.

‘You know there is wifi on the plane, right?’

En het missen was voorbij.

OVER DE GRENS (VII) | INPAKKEN EN WEGWEZEN

De drukte komt in golven ons appartement binnen. Momenteel is het eb – iedereen slaapt. Gewekt door de Portugese hitte sluip ik door de woonkamer, pogend niet te struikelen over de sporen van gisteravond. Ik neem plaats tussen de chipkruimels op de bank, een koude laptop op mijn blote bovenbenen. Enkel het geluid van mijn toetsen doorbreekt de stilte terwijl ik mijn rooster in elkaar pas. Zo krijgt mijn halfjaar rap vorm, verdwijnen de lege pagina’s uit mijn agenda. ‘Feminism and Film’ van professor Navarro, Modern Art in Cohen Hall. Dinsdag en vrijdag uitslapen – ook fijn om te weten.

Tijdens mijn vakantie heb ik welgeteld twee dingen voor mijn uitwisseling gedaan. Zo draaide ik dus mijn planning in elkaar en daarnaast maakte ik een online module over sexual assault.

(“Anjali and Sonia have been friends for a long time, but recently, their relationship became physical. One night, after they start kissing, Anjali pulls back and says ‘Wait a second – I’m not sure…” Sonia is confused. What should she do?

A) Sonia should try rubbing Anjali’s shoulders – she is probably just stressed out due to upcoming midterms

B) Sonia should stop kissing Anjali

C) Sonia knows Anjali really well – she would know if Anjali would really want to stop, so it’s nothing to take serious”)

Afgezien hiervan heb ik heel hard geprobeerd niet aan mijn naderende vertrek te denken. Met wisselend succes – op het strand heb je nu eenmaal veel tijd om te piekeren. Zo vormde zich een lange lijst met taken voor deze laatste week in Nederland. Daarbij is weer eens bevestigd hoe sterk mijn behoefte is Altijd Alles Te Weten. Mijn dagen zijn gevuld met vragen. Wat als ik toch niet genoeg heb aan twee paar sandalen? Wat als mijn kamergenoot raar is? En waarom heb ik daar nog niets van gehoord? Wat als ik toch één cruciaal formulier over het hoofd heb gezien in de stroom van verzoeken? Hoe en waarom heb ik ooit zoveel spullen verzameld en hoeveel verhuisdozen heb ik ervoor nodig? Hoe groot is mijn kamer daar eigenlijk? Wat als de de douane raar gaat doen, wat als er weer te veel wolken boven de landingsbaan hangen? Ga ik ooit leren dingen los te laten? Kan ik mijn eigen thee meenemen, of is dat te belachelijk? Word ik daar een jurkjes- of een broekenpersoon?

Gaat het me lukken alle mogelijke scenario’s in twee koffers te proppen, en zo ja, zouden ze dan niet te zwaar zijn?

Nog een paar dagen! Er komt nog wel een laatste verhaal denk ik, voor ik daar ben, over afscheid, tranen, dat soort zaken. Bekijk de rest van de serie over mijn vertrek naar Nashville hier.

7FC816ED-DC47-4A45-B101-3D67BFBC7462.JPG

LIEFS UIT BIARRITZ

35FF25A7-4F60-489E-93C1-8143E7D1E641.jpg

Liefs uit Biarritz, waar alle hitte uit de lucht is geregend – het genadeloze blauw heeft plaatsgemaakt voor staalgrijs, met daarbij een wind die het gevecht aangaat met mijn zomerrokjes. Na een paar dagen verzengend Parijs is deze koelte wel welkom.

Liefs uit Biarritz, een stad van nostalgie. Zo’n tien jaar geleden kampeerden we in de buurt, reden we drie kwartier naar hier voor een ijsje en leuke winkeltjes. Vooral de chocolaterie staat in mijn geheugen gegrift: de geur van koude cacao kwam je vanaf de drempel tegemoet. En nog steeds, zo bleek vanavond. Een stuk hazelnoten-melkchocola staart me vanaf het bureau aan – niet voor lang meer.

Liefs uit Biarritz, waar de straten rood-wit kleuren. Fêtes de Bayonne is gaande, in de naburige stad. Hordes jonge mensen trekken richting bussen door het centrum. Maagdelijk wit is de dresscode, regen of niet. De accessoires zijn rood, in de vorm van fanny packs of sjaaltjes – bij meisjes in de haren, bij jongens om de nek. Stuk voor stuk dragen ze plastic flessen, met een touw over de schouder of hals. De inhoud is ondefinieerbaar. Een ding is zeker: het is geen Evian of Perrier, zoals wel op het label staat.

Liefs uit Biarritz, waar de vuurtoren ongestoord haar rondes maakt. Waar ik ben met familie, voordat ik ze langer dan ooit niet zie. Mijn hoofd vaart soms al naar de Staten, hoewel ik liever hier ben – nu ik nog hier ben. Maar daarover meer later.

GEFELICITEERD / GECONDOLEERD

Het kruispunt op mijn route was volledig overhoop gehaald. Schotsen kapotgedrild asfalt staken omhoog uit een zandbak omhuld met hekken. Wilde je van de Biltstraat naar de Voorstraat, dan moest je afstappen en omlopen. Met de auto was het helaas – de komende weken zouden in een waas van toeterende en vloekende mensen verstrijken.

Het was acht uur, maar de avondspits was nog niet voorbij. Fietsers wandelden in een parade langs het terras van de Spaghetteria. Daar voelde je normaal al een briesje wanneer er iemand langs kwam rijden, maar nu kon je met een beetje behendigheid wat penne van iemands bord meepikken. De picknicktafels waren desondanks allemaal bezet – dit was zien-en-gezien-worden, next level

Ik was gaan eten met vriendin Jet. Ze was jarig – die dag echt. We wilden er nog wel eens grappen over maken als we met haar uit eten gingen, in de hoop op een gratis toetje, met vuurwerk. Vandaag was het eindelijk waar, een jarige Jet, maar ik had het niet laten weten bij de bediening. Een gemiste kans. Gelukkig was de pizza lekker.

Ik fietste terug en stapte vlak voor het kruispunt af. De jongen die voor me liep trof een vriend, die uit tegenovergestelde richting kwam.

‘Gefeliciteerd pik,’ zei de een. Ik schatte hem een jaar of zeventien: een bos krullen op een lang lijf, zijn moeders fiets in de hand, inclusief mandje.

Ook jarig, dacht ik meteen.

‘Gecondoleerd, ouwe,’ zei de ander. Hij was gekleed in een voetbalbroek die eruitzag alsof hij nooit iets anders droeg.

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Mandje.

‘Je was er niet.’

Hij was ’s avonds niet op school geweest. Hij was er niet bij terwijl alle laatstejaars door de lege gangen stormden, die opeens een andere betekenis kregen – van het dagelijks bestaan tot een plek waar je niet vaak meer zou komen. Cijferlijst in de hand, vlag om de schouders. Het was woensdag 12 juni, de dag van de examenuitslagen. 

Terwijl ik me om het kruispunt heen manoeuvreerde, dacht ik terug aan mijn eigen slagen, drie jaar geleden. We waren naar de bioscoop gegaan ’s ochtends; het lukte toch niet uit te slapen, een film in het donker bood misschien enige afleiding. We hadden een genadeloze jankfilm uitgekozen – er zou hoe dan ook gehuild worden later, dus dan hadden we die drempel maar vast gehad.

Toen ik thuis kwam, hing de vlag al uit – m’n broer was geslaagd. Facebook stroomde vol positieve berichten, leerlingen van andere scholen. Onze telefoontjes lieten op zich wachten. Vanaf een uur of vier druppelden de eerste berichten binnen in de klassenapp. De felicitaties buitelden over elkaar heen, maar werden ietwat overschaduwd door één vraag, die niemand durfde te stellen: waren er mensen die het niet hadden gehaald?

Het bleek vanzelf, ’s avonds – afwezigheid zei genoeg. Zij waren al eerder naar school gekomen om de schade te bekijken, om te zien wat eraan te doen viel. Het lukte niet iedereen de feestvreugde van de geslaagden te ontwijken – ze werden dan bedolven onder knuffels en beloftes, dat het goed zou komen. Wat is een jaar op een leven, kom gewoon langs, we nodigen je uit voor alle feestjes. Natuurlijk zou dat waar blijken, maar dat was wel het laatste wat je wilde horen. Je wilde dat je die ene vraag nauwkeuriger had gelezen, dat je erin geslaagd was drie uur geconcentreerd te blijven, in plaats van op de helft gedesillusioneerd de zaal te verlaten. Je wilde niet dat het goed zou komen, maar dat het beter was gegaan. Je wilde door, weg, net als de rest.

‘Echt balen, man.’

‘Ja,’ was alles wat Mandje zei, zijn plannen beslist overhoop gehaald. Afstappen en omlopen dan maar.

HET HOUDT ONS BEZIG

Het was warm op de universiteit. Hoewel de temperaturen buiten gedaald waren na een haast tropisch Hemelvaartsweekend, hadden we binnen nog met een muffe nasleep te maken. Vanaf mijn plek middenin de collegezaal had ik goed zicht op de deur. Studenten kwamen stuk voor stuk redelijk hoopvol binnen, om vervolgens een zucht te slaken bij het besef dat er geen ramen open konden.

Het college ging over de dood – dat leek de docent wel toepasselijk, zo in de laatste week van het blok. De mens is een hoog-intelligent wezen, wat betekent dat we niet alleen een bewustzijn hebben, maar ook dát weten. Dit meta-bewustzijn zorgt voor een besef van heden, verleden en toekomst, en vertelt ons zo dat de dood elke dag dichterbij komt. En wat heeft het bestaan dan nog voor zin, als het toch eindig is?

‘Wat is de zin van het leven?’ vroeg de docent aan een willekeurige jongen in de zaal. Die leek enigszins overrompeld. ‘Dat weet ik niet,’ stamelde hij. ‘Precies! riep de docent uit. ‘Denk daar maar eens over na. Ik zie jullie op het tentamen.’

(Nee hoor, zo is het niet gegaan.)

De rest van zijn verhaal ging over de mens die dan maar zin probeert te maken. Immers zijn wij ook de enige creatieve wezens op aarde. We kunnen nadenken over dingen die er nog niet zijn, om ze vervolgens toe te voegen aan onze realiteit. Gewoon, omdat het ons wel wat lijkt. Cultuur biedt zo een antwoord op een leeg bestaan. Ga maar na, zo luidde een artikel dat ik van tevoren moest lezen: wat weet je van dit moment? Hoe laat is het? Welke dag, welk jaar? Waar ben je? Wie ben je? Wat doe je? Ik zal je mijn antwoorden geven. Het is 11.51 uur, dinsdagochtend, 2019. Ik ben in Utrecht, de Nachtegaalstraat om precies te zijn. Ik zit in de Coffeecompany aan een tafel bij het raam. Ik ben Milou. Ik schrijf, iets wat ik meestal op woensdag doe, maar voor mijn planning kwam het vandaag beter uit. Ondertussen wacht ik op mijn ‘ginger orange lemonade’ – ja, echt waar – die wordt gemaakt door een meisje dat voor het eerst werkt vandaag. Ze overlegt steedzachtjes met haar collega.

‘Want wat is dan het verschil tussen dit en Spa Rood?’ vraagt ze terwijl ze spuitwater in een glas doet.

‘Niks,’ antwoordt de collega vanachter zijn baard. ‘Of ja, dit is goedkoper.’

Ik kijk uit op de straat, waar collectief besloten lijkt dat de zomer is begonnen en jassen dus overbodig zijn. Op de stoep tegenover me stapt een man op zijn fiets, met onder zijn arm een gigantische doos, waar óók een fiets in zit. Ik peins over hoe ver hij zal komen. Ik denk aan de wifi-code, of ik die nog kan vragen nu m’n glas al leeg is, of dat ik dan nog iets moet bestellen, terwijl ik eigenlijk geen dorst meer heb. Ik denk aan mijn beddengoed dat ik in de droger had willen doen. Vergeten.

Aan de hand van deze situatie kan je je afvragen hoe ik erbij zou zitten zonder cultuur – als alles wat ooit bedacht is, er niet meer zou zijn. In die wereld ben ik een naamloos wezen, zonder notitieboek en zonder limonade. Immers, de natuur kent geen spuitwater, laat staan hipstercafé’s. Geen ramen, geen fietspaden, geen bloembakken in de niet-bestaande lantaarnpalen. Het weer is er wel. Nog steeds 24 graden en onweer vanavond, al zou ik dat laatste nu nog niet weten.

Wat een saai leven. Wat zou ik de hele dag doen? Niet naar de bioscoop, niet naar college, geen boeken om te lezen – alleen bestaan, in leven blijven en hopen dat je nog niet doodgaat. Toegegeven, je hebt geen kleding, geen was en dus geen droger nodig, die je dan nooit vergeet aan te zetten. Geen twijfels of suiker uit fruit nou ook slecht is, of misschien een beetje, maar toch nog altijd beter dan een zak Maltesers? Geef je een knuffel, een kus, of drie, of twee? Hoe lang is een condoom houdbaar en wat betekent ‘elektronisch getest’, zoals op het doosje staat? Wat zullen we vanavond nou weer eten? Is dat een kras op mijn telefoon of een wegpoetsbare streep? Geen scheuren in je fietszadel, waar dan water in gaat zitten, zodat je altijd met een natte plek op je billen loopt, waarvan je hoopt dat mensen hem niet zien, of in ieder geval snappen waar die vandaan komt, omdat zij hetzelfde ervaren. Geen zorgen over ethische kwesties, sociale conventies, want die bestaan niet. Van het klimaatprobleem is geen sprake. Burn-outs zijn non-existent, evenals relaties en bijbehorend liefdesverdriet. Je hebt geen sleutels die je kwijt kan raken, omdat er nergens deuren zijn om open te maken.

We hebben het er maar druk mee: problemen oplossen die we zelf veroorzaken. Wat zal ik zeggen – het houdt ons bezig.

De inspiratie voor dit verhaal komt uit een hoofdstuk van het boek ‘In The Wake of 9/11’ van Tom Pyszczynski. Zoals de titel doet vermoeden, gaat zijn betoog heel ergens anders heen – ik heb alleen hoofdstuk twee gelezen. Erg scherp en ook grappig geschreven (‘members of Homo sapiens do not at first glance appear to be a very formidable form of life or, for that matter, even a viable one’). Dan heb ik de credits maar gegeven!

OVER DE GRENS (VI) | IK BEN ER NIET

‘LOU’, appte een vriendin me laatst. Je naam in hoofdletters, dan weet je dat het menens is. ‘9 oktober, zet in je agenda: John Mayer.’ In mijn hoofd kocht ik direct een kaartje, tot ik me iets realiseerde.

‘Ik hoop dat dit concert in de VS plaatsvindt,’ stuurde ik haar.

‘Nooo! Ik was dit dus even vergeten.’

‘Geeft niet.’

Het zit ook nog niet in mijn systeem. Ik ga echt weg – dat is niet zomaar iets wat ik zeg, omdat het tof klinkt. De afgelopen weken heb ik me zo gefocust op waar ik heen ga; het besef dat het leven hier gewoon door zal gaan, schiet er soms bij in. Maar langzaam ontstaan er plannen voor het najaar. Weekendjes weg, 21-diners, concerten, exposities.

‘Merci voor de uitnodiging! Ik ben er alleen niet.’

Ik spreek die zin uit met gemengde gevoelens. Enerzijds hoor ik bij de generatie die Altijd Overal Bij Wil Zijn. Anderzijds schijnt dat juist zo fijn aan een periode in het buitenland: je hoeft er vrijwel niets.

Soms heb je toch van die dagen, dat je liefst de dekens over je kop zou trekken om even niet te bestaan? Onvermijdbaar komt er een vraag (of tien): ‘Kan jij misschien…’ ‘Donder op,’ wil je roepen, ‘niet vandaag.’ Dat kan ik straks een half jaar lang zeggen!

(Ik zal mijn best doen het iets aardiger te formuleren.)

Wel of niet naar dat festival? Wie gaat kaartjes regelen? ‘Even’ kijken naar document dit of dat? Wasmachine kapot? Cadeau voor die en die, ideeën over dit en dat? Challas – zie het maar. Zonder mij, in ieder geval. En dat kan ook prima. Tenslotte, ben je ooit écht onmisbaar? Het lijkt me best gezond daaraan te twijfelen.

(Eigenlijk wel raar dat ik moet migreren voor het me lukt ergens ‘nee’ tegen te zeggen, maar goed, daar kunnen we het later over hebben.)

Ook bij andere mensen daalt het besef in. ‘Je komt toch wel weer terug?’ vroeg mijn moeder laatst. Ik moest in eerste instantie lachen, maar voor haar was het een serieuze vraag. ‘Ja,’ antwoordde ik, naar mijn beste weten. ‘Natuurlijk.’

‘Want wat als je daar nou iemand ontmoet?’ hoor ik regelmatig. Op zich een romantisch idee: ver van huis, maar wel met een tall handsome stranger. Echter is er de afgelopen paar jaar niemand geweest van wie ik écht hotel de botel was. Misschien dat een of andere Amerikaan dat wel in me losmaakt, maar ik vraag het me af.

Mijn voorgangers vertellen me dat bij terugkomst alles nog hetzelfde zal zijn. Misschien ben ik veranderd. Misschien moet ik wennen – aan het tempo van het leven, aan wat hier normaal is. Maar al snel zal ik weer meehuppelen met de alledaagse realiteit – met of zonder langeafstandsrelatie.