Auteur: Milou

EVOLUTIE

Het was zondagavond en ik zat in de trein naar huis – van Brabant naar Utrecht, voor alle duidelijkheid. Ik noem allebei thuis, wat ik een goed teken vind, maar soms wil het nog wel eens verwarring veroorzaken. Broer Mart zat tegenover me, hij zou doorreizen naar Amsterdam.

Ik las een artikel voor de uni. Het was een paper over humor dat absoluut niet grappig was, vol zinnen die enerzijds voor de hand lagen en anderzijds niets leken te betekenen. ‘The third and perhaps most important indication that a statement should not be taken literally is the statement’s consistency with general normative expectations for the content and implications of information that is typically transmitted in social situations of the sort in which the statement is made.’ En dat dan dertig pagina’s – ik kon er niet om lachen. Er was dan ook niet veel nodig om afgeleid te raken. Een doeltreffende openingszin van de jongen rechts voor mij was voldoende.

‘Wat schrijf je?’ vroeg hij.

‘Brieven,’ antwoordde het meisje in zijn vierzitter.

Ze trok hiermee de aandacht van ons beiden.

Op haar schoot lag een collegeblok dat er net iets te slap uit zag om nog fijn op te kunnen schrijven. Al helemaal in de trein – ik gaf het haar te doen. De pagina die bovenop lag, was voor de helft met blauwe woorden gevuld.

‘Brieven naar wie?’ vroeg de jongen nieuwsgierig. ‘Als ik dat mag vragen.’ Enkel het topje van zijn hoofd kwam boven zijn stoel uit; donkerbruine, naar achter gekamde haren. Hij had een duidelijk hoorbaar accent, licht zangerig. Ik gokte op Boxtel.

Het meisje knikte. Zij zat wel binnen mijn zicht: een jaar of tweeëntwintig, haar bruine krullen deinden mee met de wissels. Ze gaven haar iets enthousiasts, bovenop de lach die ze gul tentoon stelde. Ze keek hem steeds recht aan.

‘Ik schrijf graag naar mensen die ik niet vaak zie. Vrienden van thuis. Je kan ook appen, natuurlijk, maar daar heb ik nooit zo’n zin in. Dan ga ik er liever even echt voor zitten.’

Aan het achterhoofd van de jongen kon ik zien dat hij onder de indruk was – dat hij met haar wilde blijven praten, dit meisje met deze romantische gewoonte. Hij had alleen geen echte vragen meer, dus spraken ze zo’n vijf minuten over niets.

Hij had getwijfeld of hij haar wel aan kon spreken, was dat niet raar. Nee joh, haha, dat mag toch gewoon. Hoe lang deed ze daarover, kreeg ze ook post terug. Ja hoor, al duurde het soms twee weken. Hoe lang werden die brieven dan. Nou, maximaal twee kantjes, anders moest ze een extra postzegel plakken. Oh ja, want hoe duur was zo’n postzegel nou tegenwoordig. Een euro, jeetje! Ja haha, dat was wel veel.

(Hier moest ik zelf ook over nadenken: je zal maar moeten betalen om met elkaar te kunnen praten. Direct daarna besefte ik dat dit nog steeds zo is: een telefoon- en internetabonnement kosten evengoed geld. De waarde van een appje is alleen minder direct zichtbaar. Niet best, misschien –  gaan we er daardoor steeds minder over nadenken, sturen we alleen nog maar onzin rond.

Ik dwaal af.)

Het leek helder dat hier een genadeloze flirt gaande was. Mart keek me hoofdschuddend aan. Hij zat met zijn rug naar hen toe, maar enkel hun woorden vertelden hem genoeg. Ik moest lachen omdat het er zo dik bovenop lag. De collectieve gedachte hing als een wolk in onze coupé: vraag haar nummer nou maar!

Het gesprek viel echter stil. Een prima moment om verder te gaan met je eigen zaken. Als ik haar was, had ik dat zeker gedaan (wat misschien de reden is dat mannen mij niet altijd aardig lijken te vinden. Maar dat is een ander verhaal.)

Zij vroeg verder. Wat hij dan deed op zijn telefoon.

‘Een beetje Netflixen. How I Met Your Mother.’

Hij leek niet gretig dit toe te geven  – je lijkt natuurlijk al snel een cultuurbarbaar naast iemand die nog pen en papier gebruikt. Hij poogde zich te herstellen.

‘Normaal lees ik in de trein,’ zei hij vlug.

‘Wat zoal?’

‘Momenteel Sapiens, van Harari. Ken je het?’

Ze kende het niet.

‘Het gaat over de geschiedenis van de mens. Het klinkt misschien saai, maar het is echt leuk geschreven. Het is een goed boek, een wereldwijde bestseller.’

Ik begreep dat hij haar wilde overtuigen van zijn goede smaak, maar hij begaf zich op glad ijs als je het mij vroeg. Het klonk haast alsof hij haar verweet dat ze Sapiens niet kende. Zij zat er niet mee, bleef lachen.

(Later zou blijken waarom dit boek niets voor haar was.)

‘Wat studeer je eigenlijk?’ vroeg de jongen, die blijkbaar genoeg moed had verzameld om een nieuw gespreksonderwerp aan te snijden.

‘Geneeskunde,’ zei het meisje.

‘Ah, dat doet mijn vriendin ook.’

Wat?!

Mart en ik keken elkaar gealarmeerd aan. Dit was niet hoe dit hoorde te gaan! Wij hadden het al uitgestippeld: ze zouden nog twintig minuten doorkletsen, dan zou één van hen de trein moeten verlaten. Hij zou ofwel te laf zijn, haar laten gaan en daar de rest van zijn leven spijt van hebben. Of hij zou blozend haar nummer vragen. Binnen een week zou er een date plaatsvinden, waarna ze een maand of twee later een relatie zouden starten, zich over vier jaar verloven, trouwen, een labrador nemen en 2,1 kinderen krijgen. Ze zouden in Brabant gaan wonen, want daar kwamen ze allebei vandaan. Wij waren de getuigen geweest van een pril begin.

Maar het liep dus anders. Hoewel wij geschokt waren door de wending van het verhaal, gaf het meisje geen kick. Ze praatte verder over triviale zaken. Ik schakelde uit. Ander kanaal –  ik ging bij mezelf te rade. Wat zei deze foutieve interpretatie over mij? Zocht ik te veel achter gewone vriendelijkheid?

Het duurde wel even voor ik mezelf herpakt had. Het humorloze artikel lag me nog steeds vanaf mijn schoot aan te staren, maar een opmerking van het meisje lokte me weer terug het gesprek in.

‘Het geloof betekent nog steeds wel veel voor me, ja.’

De jongen knikte. ‘Oké. Ja, ik ben ook wel gelovig opgevoed. Tenminste, ik heb mijn communie gedaan.’ Het klonk niet als iets wat van groot belang voor hem was geweest, maar nu in ieder geval mooi was meegenomen. Maar waarom? Hij hoefde toch geen indruk meer op haar te maken? Wilde hij dat elke treinreiziger hem aardig vond?

‘Kan je je dan wel vinden in de evolutietheorie?’ vroeg de jongen aan haar, ongetwijfeld terugdenkend aan Harari.

Deze vraag kreeg ze vaker. ‘Ik ben het er deels mee eens,’ zei ze zelfverzekerd. Hij leek daar tevreden mee.

Gelukkig waren we in Utrecht. Ik zei Mart gedag en haastte me de trein uit. Binnen vijfentwintig minuten hadden deze twee vreemdelingen elkaar leren kennen en samen de oorsprong van het leven bevraagd. Ik had weer genoeg om over na te denken.

ER ZIJN

scan0023.jpg

In het kader van ‘het is ook goed om dingen te doen enkel omdat ze leuk zijn’, ben ik op zangles gegaan. Een soulkoor, wel te verstaan – een groep van zo’n vijftien dames, van alle leeftijden, maar voornamelijk studenten. Iedere donderdagavond komen we samen in het cultuurhuis bij mij om de hoek. We zingen Stevie Wonder, Aretha Franklin – dat soort namen.

Ik volgde er al eerder een zangcursus, ‘voor beginners’ – wat ik was, dus dat leek me een prima plan. In de praktijk bleek het echter een soort therapieklasje, met mensen die wel wilden, maar niet durfden te zingen. Daar had ik dan weer geen last van; ik durfde prima, zeker in vergelijking met de rest. (Het klonk alleen niet altijd best.) Iedere les moest er wel iemand huilen van de stress, wanneer ze een of twee regels solo moesten doen. Soms zat er meer achter – een overleden konijn, beëindigde driehoeksverhouding, voorwaardelijk verlof, het kwam allemaal voorbij. De groep knikte dan, bood schouderklopjes en slokjes water. Ik voelde me ondertussen bezwaard omdat ik het allemaal niet zo serieus nam en vooral de neiging moest onderdrukken om te lachen, vanuit de gedachte: waar ben ik in hemelsnaam beland?

Dat ging ik nu anders aanpakken. Een koor leek me een goede zet – ik heb niet de illusie dat men twee uur naar mijn zangstem zou willen luisteren, maar in een groep komt ‘ie prima tot z’n recht. Enthousiasme en zin om te zingen, dat waren de vereisten. Daar kon ik aan voldoen – close harmony-partijen zijn groot favoriet bij mij. Het leek me heerlijk om op die manier deel te zijn van iets groters.

En dat is waar, zo blijkt. Elke donderdagavond betekent anderhalf uur genieten. De docente draagt daar enorm aan bij: zelden heb ik iemand gezien die zo onwijs zichzelf is, en ons dat ook laat zijn. Het is een combinatie van zeggen waar het op staat en ieder in z’n waarde laten. Zo moedigt ze je aan je hele bereik te gebruiken. Als er dan ineens een raar geluid je mond uit komt, noemt ze dat niet vals, maar ‘wat laag geïntoneerd’. Even om lachen en verdergaan. Niets is fout, probeer maar uit. Ze complimenteert mij om m’n dansjes terwijl ik zing – stel je daar niet te veel van voor, ik kan gewoon niet stilstaan – maar zal dat nooit van iedereen vragen. Ze geeft tips, over het ontspannen van je lippen, het kantelen van je strottenhoofd, ze weet het allemaal. Regelmatig gooit ze er een oneliner in die ik graag zou opschrijven. ‘Die lage stukken,’ begint ze dan, waarna ze zachter gaat praten, ‘moeten vanuit je kut komen’.

Het allerbeste deel van de les heeft echter niets met zingen te maken.

Stel je voor, het is weer zo’n dag. Er moet een verslag gemaakt worden. Gelukt, alleen de printer spuit maar halve pagina’s uit. Ondertussen donderen je boekenplanken naar beneden – te zwaar beladen voor ons peperkoekhuis. Gelukkig zat je niet op het bed eronder, maar toch vervelend. Je ontdekt dat je een belangrijke verjaardag bent vergeten. Je hebt je kamer opgeruimd, maar té grondig – je ov-kaart is kwijt en nu kan je alles weer overhoop halen. Je ontbijt is een appel, je avondeten een tosti – zo’n dag waarop je van voren niet weet dat je van achteren bestaat.

Een minuut te laat kom je het lokaal binnenrennen, de anderen zijn er al. Je gaat in de kring staan. ‘Draai halve rondjes met je hoofd.’ Het is stil, op af en toe wat gekraak na. ‘Rondjes met je schouders. Steeds groter. Nu achteruit.’ Diep inademen, je lang maken, uitademen en alles laten ontspannen. Zo dertig seconden ondersteboven hangen. Dit is je lijf, het werkt naar behoren. Je hoeft niets, behalve er zijn.

Wanneer neem je daar nou eens de tijd voor?

OVER DE GRENS (IV) | KOMT EEN MILLENIAL BIJ HET POSTKANTOOR

Een uitwisseling betekent een hoop geregel. Dat zal elke ervaringsdeskundige vast weten, maar bij mij is toch het vermoeden ontstaan dat Amerika een eervolle vermelding verdient op het gebied van bureaucratie. Met mijn felicitatiemail kwam een deadline mee, die ‘toch al wel snel naderde, dus of ik een beetje haast kon maken,’ aldus mevrouw X van Universiteit Utrecht. Binnen een paar dagen moesten er formulieren verzameld, ingevuld en ondertekend worden, en dan als de wiedeweerga op de post naar Nashville. Vanderbilt ging vervolgens bepalen of het hele feest inderdaad door zou gaan. Omdat ik het verder helemaal niet druk had – deadlines, tentamens, werk, ben je mal – liet ik alles uit mijn handen vallen en ging ik op pad. Ik schreef nog een motivatie en beantwoordde vragen over mijn ras en strafblad.

‘Are you Hispanic/Latino? Yes or no. What is your race? Check one: American Indian/Alaska Native, Asian, Black/African American, Native Hawaiian/Oth Pacific Island, White, Two or more races.’

‘Have you ever been suspended or expelled from a school?’

‘Have you ever been adjudicated guilty or convicted of a misdemeanor, felony or other crime?’

En zo ja, of ik dan een kort essay wilde schrijven over wat er precies gebeurd was en wat ik ervan geleerd had. Dus dat deed ik maar.

Dan nog een cijferlijst en mijn voorkeursvakken. In een avond haastte ik me door de honderden keuzes. ‘Master, Murder and Mayhem in Black Detective Fiction’. ‘Crafting Pottery in the Ancient World’. ‘Classroom Ecology’. ‘Introduction to Facial Plastic and Reconstructive Surgery’. ‘Tuba’. ‘Sport Economics.’ ‘Roman Law’. ‘The Art of Blogging’. ‘Introduction to Visualization’.

(Ik heb een hiervan daadwerkelijk gekozen, mogen jullie raden.)

Alle paperassen moesten worden voorzien van een stempel en een kus van mevrouw X, waarna ze er een gebed over uit zou spreken. Dit kon elke donderdagmiddag van kwart voor tot kwart over een (behalve toen ik voor de deur stond, want toen was ze net een weekje met vakantie).

Desondanks lukte het om alles op tijd te posten. ‘Ik moet hier eigenlijk kopietjes van maken,’ bedacht ik me, net nadat ik de envelop had dichtgeplakt. Ik had er maar één, door mijn ouders meegebracht toen ze in Utrecht kwamen eten, en die wilde ik niet openscheuren. A4-enveloppen liggen in ons studentenhuis nu eenmaal niet voor het oprapen en de deadline naderde. ‘Laat maar,’ dacht ik, ‘het zal wel loslopen.’

Hah.

Drie tot zes werkdagen zou het duren, verzekerde het meisje in het PostNL-hoekje van de supermarkt mij. Met spoed versturen leek haar zeker niet nodig, de zestig euro niet waard. Ik had ten slotte drie extra dagen speling, dan zou het nog steeds op tijd komen. Ik betaalde een tientje voor een aangetekende brief, stak de Track & Trace-code in mijn rugzak en liet het erbij. Terwijl ik wegliep sprak ik mezelf streng toe. ‘Kom op, Milou, dat jij nou een doemdenkende millennial bent die nooit echte post verstuurt is één ding, maar dat betekent niet dat het hele systeem disfunctioneel is. Dit werkt al honderden jaren.’

Hah.

Twee weken later. De deadline is verstreken en mijn brief is nog niet waar hij moet zijn. Wel ken ik de vijftiencijferige Track & Trace-code uit mijn hoofd en heb ik een vriendschappelijke band opgebouwd met de contactpersoon van Vanderbilt – ik mag Suzy zeggen. Ze heeft met engelengeduld al mijn paniekmailtjes beantwoord, meestal direct aan het begin van de Amerikaanse werkdag. Van haar heb ik een week extra tijd gekregen. Opnieuw op handtekeningenjacht (toch kopietjes moeten maken!), om de hele handel vervolgens in te scannen. Maar, vertelt Suzy, de fysieke papieren zijn nog steeds nodig. De brief moet terecht.

De rest van het leven gaat ook door, dus dit geregel moet tussendoor – in de bus, tijdens het eten of nu, in de pauze van mijn werkcollege. Ik volg een vak over coaching, het onderwerp van vandaag is ‘weerstand’. Ik plof op een harde, paarse bank in de gang en neem mijn telefoon ter hand. 

PostNL kan niets voor me doen. De brief is al in de Verenigde Staten, het zijn niet hun zaken meer. Ik moet mijn code bij de United States Postal Service invoeren, misschien kunnen zij me meer vertellen. En jawel: de brief is in Nashville, bij een postkantoor. Er is al een afleverpoging gedaan, maar toen was er niemand om ‘m aan te nemen. Redelivery is niet mogelijk. Of ik de brief dus zelf even wil komen ophalen.

Dit lijkt mij in strijd met het idee achter een postbedrijf. Ik stuur iets op, zij gaan het brengen. Toch?

Ik bel USPS en krijg een computer aan de lijn. ‘Could you please spell your first name? For instance, Jack: J – A – C – K.’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘Did you say: Emily?’

‘No.’

‘Could you please spell your first name again?’

‘Milou. M – I – L – O – U.’

‘I’m sorry, I can’t help you with that. Is there anything else I can assist you with?’

‘Ik wil godverdomme gewoon een echt persoon aan de lijn! Please.’

‘I’m sorry, It seems like I’m not able to assist you today. Thank you for your call.’

Ik bel met het postkantoor. ‘Welcome to the Nasvhille Post Office. Please hold untill assistance is available.

Beeeeeeeep. Beeeeeeep. Beeeeeep. Beep – beep – beep.’

Geen gehoor.

Ik mail Suzy nog maar eens met een update. ‘I am very sorry. It feels like I have done everything that I could, but it’s just not working out.’

(Suzy vindt me vast een drama queen, maar het zij zo.)

Het is zes uur en ik weet het niet meer. Het college is klaar, ik fiets meteen door naar de bioscoop. Popcorn als avondeten, wat zou het ook. De film biedt enige afleiding, maar op het einde is mijn lip kapotgebeten. Pas wanneer de aftiteling begint, sta ik mezelf toe mijn telefoon te bekijken. Suzy. ‘Your package just arrived at my office this afternoon! It’s all good.’

Ik loop naar buiten. Het is al donker, maar de zon schijnt.

Suzy, bedankt. Er komt vast weer een volgend verhaal in deze reeks, maar ik weet nog niet waarover of wanneer. I’ll keep you posted! Letterlijk, mocht je dat willen – je kan je met de knop rechts inschrijven voor een mailtje bij een nieuwe post, of je kan mijn Facebookpagina liken om op de hoogte te blijven. 

OVER DE GRENS (III) | WAARHEEN

Floor vertrok zo vroeg, dat ‘geen tijd’ geen excuus kon zijn. Wat hadden we anders in die uurtjes kunnen doen? Ja, slapen, maar dat kon altijd nog. Floor zagen we echter een half jaar niet – misschien iets korter, afhankelijk van hoe snel het geld zou aan. Op een koude januariochtend zwaaiden we haar uit, voordat ze Nederland zou verruilen voor Colombia. Ouders, zusje en een handjevol vriendinnen stonden bij elkaar in de vertrekhal van Schiphol. Ze wilde ons niet vragen te komen, we moesten ons vooral niet verplicht voelen. Nu we er waren, was ze toch blij. ‘Nou, bij deze dan: mocht ik naar het buitenland gaan, dan zorgen jullie maar dat jullie er zijn!’ Ik sprak het uit met een grijns, maar op dat moment was elk woord ervan waar – alles om nog even niet los te hoeven laten.

Er werden nog wat laatste dingen gehaald: een hoes voor over de backpack, een oplaadkabel. Sleutels maar beter hier laten – daar zouden ze geen deuren openen. Haar ouders leken kalm. Wat er zich echt in hun hoofden afspeelde, kon ik natuurlijk niet raden, maar zo bezien hadden ze zich overgegeven aan het missen. Het was dan ook niet de eerste keer – vorig jaar zat hun dochter nog in Suriname.

Het was tijd om te gaan. Nog wat knuffels, de állerlaatste dan. We zwaaiden en zwaaiden, tot Floor nog maar een pink groot was, tot ze verdween in het deel van Schiphol dat alleen voor echte reizigers is bestemd. Ze was weg.

Met buikpijn wachtte ik op de trein. Ik zou Floor gaan missen, dat zeker, maar dat was niet de oorzaak. Er echode één vraag door mijn hoofd: wil ik dit wel? Wil ik dit ook, net als Floor, zo graag dat ik heus een traantje zal laten, maar daardoorheen vooral moet glimlachen vanwege alles dat komen gaat? Ook als dat ‘alles’ nog één grote leegte van onzekerheid is? Dat je niet weet wat voor ontbijt je eet, waar je slaapt, met wie – een roommate voor een half jaar, vijf maanden nooit alleen. Nauwelijks idee van de gang van zaken, wat ‘normaal’ is.

Terug op mijn kamer in Utrecht poogde ik mijn gedachten te verzetten. Dat lukte ongeveer tien minuten, tot ik mijn mail opende. ‘Congratulations! You have been chosen for an exchange programme at Vanderbilt University, Nashville, Tennessee.’ Ik had dit mailtje nog lang niet verwacht, over een maand pas. Met trillende stem belde ik naar huis, m’n vader nam op. ‘Het is gelukt! M’n eerste keus, ik ben één van de twee.’

Ik was enorm blij, vooral ook omdát ik zo blij was. Ik zag het als een teken: iets in mij wil dit. Een vrij groot deel zelfs, gezien het enthousiasme dat zich van mij meester maakte. Het kon opeens ontstaan, omdat het grootste deel van de onzekerheid was ingelost: ik wist waar ik heen zou gaan.

Volgende keer: over bureacratische zaken, post die niet digitaal is, en langzaamaan ontdekken waar ik eigenlijk terecht ga komen. 

OVER DE GRENS (II) | HOE VER JE WILT GAAN

Met slechts een veeg van mijn wijsvinger rolde de wereld op alfabetische volgorde over mijn scherm voorbij. Australië, België – Zweden, Zwitserland. Ikzelf bevond me op een vertrouwde plek, aan de keukentafel van mijn ouders. Het was een grijze zondagmiddag, die ik normaliter was vergeten, ware het niet dat ik bezig was plannen te smeden: op zoek naar de stad waar ik een half jaar zou gaan studeren, gaan leven.

Ik zou jullie hier graag een prachtig verhaal willen vertellen over hoe deze keuze tot stand kwam. Dat ik al sinds m’n elfde gefascineerd was door dit en dat deel van zus en zulk land. Maar mijn keuzeproces was nu eenmaal niet zo romantisch. Het begon ook vrij negatief: ik besloot eerst te bepalen waar ik sowieso niet heen wilde. Hierbij was elke reden een juiste voor mij, hoe futiel die ook mocht zijn. Te ver, te koud, te onbekend, het waren allemaal geldige argumenten. Ergens knaagde dat wel: moest ik mezelf niet uitdagen door, ik noem maar wat, de universiteit van Guadalajara ook in overweging te nemen? Maar dan bedacht ik me weer hoe spannend ik het überhaupt vond om een halfjaar weg te gaan. Wat de bestemming betreft gunde ik mezelf iets comfortabels.

(Maar ik ging niet naar België – er zijn grenzen, hoor, dan kon ik net zo goed niet gaan.)

Per bestemming waren er verslagen beschikbaar van studenten die daar gezeten hadden. Ik heb er denk ik wel honderd gelezen en kwam tot een wensenlijstje. Zo ging ik het ook maar zien: als ik zou vertrekken, dan wel op mijn manier. Een ding wat ik al snel ontdekte, was dat voor een hoop studenten een uitwisseling gelijkstaat aan een halfjaar feesten. Velen hebben hun bachelor al gehaald en plakken daar nog een exchange aan vast, waarin het aantal behaalde studiepunten niet echt meer uitmaakt. Ook is het niveau van onderwijs in Nederland vrij hoog, en daarmee vergeleken, het niveau elders over het algemeen laag. Er is dus ook daadwerkelijk veel tijd om de bloemetjes buiten te zetten. Ik vermoedde dat me dit na een maand wel tegen zou gaan staan – ik wilde naar een plek waar ik iets nieuws kon leren. Verder wilde ik de taal al spreken, liefst mijn Engels verbeteren in een land met veel native speakers. Ten slotte, geen gezeik om een kamer te regelen – je kunt nu eenmaal niet van tevoren even gaan kijken.

En misschien wist ik het sowieso al wel – waren deze eisen slechts een omweg, waarmee ik hoe dan ook bij mijn voorkeursbestemming zou eindigen. Met familie was ik een paar keer in de Verenigde Staten geweest. In 2017 had ik Colette bezocht, die een jaar de college life leefde in Virginia. Over de jaren was het gevoel ontstaan waar ik die zondagmiddag pas na een paar uur scrollen naar begon te luisteren: daar zou ik wel een paar maanden willen zijn.

Er was veel meer mogelijk dan ik dacht. Onder de noemer ‘Amerika’ stonden een aantal grote namen: universiteiten waarvan ik twijfelde of ik ervoor zou worden uitgekozen.   Top-20-scholen met één of twee plaatsen voor alle gegadigden uit Utrecht. Wat was dan de kans dat ik de gelukkige werd? Op dit moment moest ik mezelf weer terecht wijzen: ik wist het niet. De selectieprocedure was niet transparant, ik wist niets van mijn kans, dus moest ik me er ook niet door laten leiden.

En zo had ik uiteindelijk een shortlist vol prestigieuze universiteiten. Vervolgens deed ik wat ik altijd doe als ik voor een ingrijpende keuze sta: een excelsheet maken, met daarin alle opties en details. Van cijfereisen tot housing, van de sfeer in de stad tot het weer – om dit vervolgens allemaal te negeren en op mijn gevoel een keuze te maken. Wie hield ik voor de gek, het meisje dat altijd haar onderbuik aan het woord laat. De top drie was gemaakt.

Ik vertelde het aan iedereen. Even voor de duidelijkheid: ik wist nog steeds niet zeker of ik überhaupt op uitwisseling wilde gaan. Toch leek het me goed als zoveel mogelijk mensen van mijn plannen zouden weten – mocht ik nog terugkrabbelen, moest dat wel met een goede reden. Over mijn motivatiebrief deed ik een aantal dagen. De eerste opzet stond snel, maar wanneer ik mijn woorden teruglas, hoorde ik iemand anders praten. Het Engels was de oorzaak. Nog nooit eerder had ik ervaren hoe moeilijk het is om jezelf te zijn in een taal die niet als vanzelfsprekend komt. Maar de deadline naderde. Ik leverde mijn brief in en besloot tevreden te zijn. Nu was het aan iemand anders – uit mijn handen.

Binnenkort zal ik onthullen waar ik heen ga! Het is op dit moment nog niet honderd procent officieel, namelijk. Ik ben ‘conditionally approved’, zoals dat heet. Het is een bureaucratisch proces, zo’n uitwisseling. Daarover vertel ik nog wel een keer (officiële stempels, internationale pakketjes, vragen over eventuele strafbladen, dat soort zaken). Vast een tipje van de sluier: ik mag naar de plek waar ik het liefst heen wilde. 

GEVESTIGDE IDEEËN

Het werd wel tijd voor dit verhaal, deze kant van mij. Zeker vandaag: 8 maart, Internationale vrouwendag.

Ik las een artikel uit de Volkskrant, een opiniestuk tegen de invoering van een vrouwenquotum. ‘Vrouwen denken vaak dat als ze hun werk goed doen, ze vanzelf wel promotie maken. Maar zo zit de wereld niet in elkaar. De correlatie tussen vakdeskundigheid en het maken van carrière bestaat slechts in de eerste tien jaar van een loopbaan. Vrouwen die een topfunctie ambiëren, dienen zich te realiseren dat vaak een wat harde cultuur en ‘spel’ aan de top part of the game is. Je kunt kritiek, weerstand en conflictsituaties jezelf persoonlijk aantrekken, maar je kunt er ook zakelijk en instrumenteel mee omgaan. Humor, relativering- en incasseringsvermogen helpen hierbij.’

‘Maar zo zit de wereld niet in elkaar.’ Helaas, pas je maar aan. Deze wereld is niet voor vrouwen gemaakt.

Dagelijks wordt ons verteld wat het betekent om vrouw of man te zijn. Het zijn impliciete ideeën, die overal aanwezig zijn en het leven sturen. In te grote mate, als je het mij vraagt. ‘Waarom word je er zo kwaad van?’ wordt mij soms gevraagd. Sinds ik alert ben op deze ideeën, kan ik er niet meer omheen. Ze raken me, dagelijks, op kleine of grote schaal, en zo de helft van de wereld met mij. Daarbij denk ik, hoewel ik niet uit ervaring kan spreken, dat ook mannen beperkt kunnen worden door wat ‘mannelijkheid’ betekent.

Vrouw, denk om je uiterlijk. Wees glad, strak, glanzend. Maak er werk van, maar: niet te jeugdig, niet te zakelijk, niet te onpraktisch, niet te saai. Laat je vormen zien, behalve als je dik bent, trouwens – laat dan maar zitten. En houd het beschaafd, straks word je nog lastig gevallen. Man, besteed er niet te veel aandacht aan – niet te flamboyant. Zorg voor een sixpack en houd anders je shirt aan.

Vrouw, bind je, maak kinderen.

Vrouw,  hoezo kan je niet klaarkomen door penetratie? Dat is niet normaal. Als je geen zin hebt, dan maak je het maar – niet te veel, dat is raar. Man, presteer. Verover en win status.

Vrouw, denk om je houding. Hoe kom je over, neem niet te veel ruimte in. Beperk je volume, wees bescheiden. Man, markeer je terrein, anders ben je het kwijt.

Vrouw, stel je niet aan. Wat een hysterie, relativeer eens even. Man, ken geen angst. Verdriet, schaamte, ook liever niet. Verman je maar.

Vrouw, zeur niet. Het gaat toch goed zo. En anders, kom voor jezelf op dan, zeg er wat van. Vecht ertegen, het is jouw strijd. Speak up, maar niet te hard – het moet wel gezellig blijven.

Man, laat die wijven.

Man, toon je zeker, ga recht op je doel af. Vrouw, overweeg: is dit wel juist voor jou? Wat vindt de wereld hiervan? Weet je het zeker, kan een ander het niet beter?

Vrouw, lach eens. Het is toch maar een grapje, doe niet zo flauw. Niet kwaad worden nou, beheers je. Wees charmant, empathisch, teder. Man, sta op je strepen. Behaal de winst, betaal de rekening.

Vrouw, wees geliefd.

Man, wees gevreesd.

LICHT

Na een lange dag zocht ik mijn weg door de grootste fietsenstalling ter wereld. Een garage, mag ik wel zeggen, waar je achter digitale bewijzering aan kan rijden om een vrije plek te bereiken. Naar mijn idee bevinden ‘de grootsten der aarde’ zich in Dubai, in de VS of misschien in Amsterdam. Maar wat het parkeren van fietsen betreft gaat de eer naar Utrecht.

Na zo’n twee minuten rijden kwam ik bij de uitgang. Mijn voorlicht had ik vast aangezet, het was al donker buiten. ‘Zo, da’s fel!’ aldus de man bij wie ik uitcheckte. Hij zag vast honderden fietsen per dag, dus als hij het zei, moest het wel waar zijn. Ik dacht aan mijn vader.

De opvoeding die mijn ouders me hebben gegeven, zou ik niet als ‘streng’ bestempelen. Wel waren er duidelijke grenzen. Afval op de grond gooien was uit den boze, vond mijn moeder. ‘Geef maar aan mij,’ zei ze altijd als we onderweg waren. Ze zag je dan friemelen met een snoeppapiertje, smakeloos geworden kauwgom of ander troepje dat gemakkelijk op straat zou belanden. Ze wikkelde het in een papiertje en stak het in haar tas, tot een afvalbak zich zou aandienen. Haar grote handtassen werden toch al steevast tot ‘prullenmand’ gedoopt, gezien de hoeveelheid zooi die erin paste.

Mijn vader had een ander stokpaardje. Fietsverlichting stond bij hem hoog in het vaandel. Hij verving regelmatig ieders batterijen en drong erop aan dat mijn broer en ik ons zichtbaar maakten als we in het donker naar huis kwamen. Zelf zag ik het nut er niet zo van. ‘Ik zie die auto’s toch aankomen,’ zei ik dan. Dit veranderde toen ik zelf achter het stuur kwam te zitten. Combineer regen met schemer en een donkere jas – genoeg om je zo goed als onzichtbaar te maken.

Laatst had mijn voorlicht het volledig begeven (samen met mijn achterrem en versnelling – een stadsfiets heeft een zwaar leven). In mijn hoofd hoorde ik papa praten: ‘Dat moet je echt even laten maken.’ En dat deed ik. Een paar dagen later ging ik met m’n ouders eten in Utrecht. Ik kwam aanfietsen door een donkere straat, voor me liepen twee figuren. Hun silhouetten vertelde me dat zij het waren.

‘Hee!’ riep ik.

Mijn vader draaide zich om, LED-schijnsel viel op zijn gezicht.

‘Hee, onze kleine! Met licht!’

STADS

De fietsenmaker had geen pinapparaat en ik had geen fiets, dus liep ik afgelopen woensdag naar de ING-bank op de Nachtegaalstraat. Ietwat onwennig trok ik mijn briefjes uit de muur – wie doet er tegenwoordig nog aan pinnen? Op de terugweg sloeg ik een straat te vroeg rechtsaf. Wanneer je leeft zonder richtingsgevoel, ontdek je vanzelf dat dit je op verrassende plekken kan brengen. Ook nu ging ik er maar gewoon in mee.

Mijn misser bracht me in een knusse wijk, met smalle straten en lage rijtjeshuizen van rood baksteen. Er middenin stond een basisschool, die in Utrecht altijd aangekondigd worden met een reeks afwisselend rode en gele paaltjes. Er was geen sprake van een plein, dus de smalle stoepen stonden vol ouders die hannesten met fietszitjes en felgekleurde rugzakken. Er tussendoor schoten oudere kinderen, haastig op weg naar hun vrije woensdagmiddag.

Het was een herkenbaar tafereel, maar toch bestond er een groot contrast met mijn eigen ervaringen. Mijn basisschool stond op een groot terrein vlakbij een bos. Er waren struiken om je in te verstoppen, wortels om over te struikelen. Bomen om in te klimmen en weer uit te flikkeren. Er was zand en gras, er waren dorre bladeren en ontelbaar veel dennenappels. Onderweg kwam ik niet één stoplicht tegen.

(Het ene stoplicht dat het dorp telde, lag niet op mijn route.)

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in een stenen stad op te groeien. Leren fietsen tussen de gele bussen, die zelfs voor jou geen genade kennen; jij en je net-iets-te-grote-mensen-gazelle worden zonder pardon van de baan af getoeterd. Elke winkel is om de hoek, het park is je achtertuin. De bewakers van de coffeeshops werpen je vriendelijke knikjes toe terwijl je langs hen huppelt, broodtrommel in de hand. Op weg naar school kom je soms een plas braaksel tegen, waar je dan gedecideerd omheen loopt. In de Albert Heijn sluit je geregeld aan achter een stel twintigers in joggingbroek, op slippers. Zonder blikken of blozen rekenen ze twintig kratten bier af, samen met een lopende band aan chips. Je kijkt niet op of om van mensen zonder shirt, met groen haar, op blote voeten. Als vanzelfsprekend begrijp je welke straten te mijden. Het lukt je zwervers af te wimpelen, zonder schuldgevoel. Je weet al hoe wiet ruikt. Wat die slagroompatronen op jouw stoep doen.

Zo ben je achttien en heb je alles al eens gezien. Ik vermoed dat het zo gaat, althans. Ik denk het gemerkt te hebben, de afgelopen twee jaar – wie er uit de stad kwam. Iets grotere mond, wat minder bang. Geen ruimte of tijd voor twijfel.

Rond de zomer vierde de processierups hoogtij in Brabant. Van de ene op de andere dag waren alle eiken op het schoolplein met een wit weefsel omsponnen. Bomen als buitenproportionele suikerspinnen, minus de roze kleurstof. ‘Absoluut niet aanraken’, zo spraken de A4-tjes, die tegen de stammen geniet waren. ‘Je krijgt dan bultjes en die jeuken gruwelijk.’

Zo is kent elke jeugd haar eigen waarschuwingen.

OVER DE GRENS (I) | MITSEN EN MAREN

Binnen mijn studie is er de verplichting om ofwel stage te lopen, ofwel studiepunten te halen in het buitenland. Het eerste jaar gunde ik het mezelf die keuze voor me uit te schuiven, niet alvast naar een voorlichting te gaan zoals genoeg studiegenoten wel deden. Ik had het al druk genoeg met wegwijs worden op BlackBoard, uitzoeken hoe je een tweet moet vermelden in je literatuurlijst en de vraag hoe ik mijn ov-kaart kon koppelen aan het kopieerapparaat. Er was geen ruimte voor grote keuzes met bijbehorende overwegingen – zo hield ik mezelf voor.

Ik heb er namelijk wel een handje van om te stellen dat ik ergens niet over kán nadenken, terwijl ik dat eigenlijk niet wil. Volgens dat patroon vertoonde ik ook dit studiejaar keuzevermijdend gedrag, tot ik uiteindelijk ergens in oktober in de zaal belandde waar ik twee jaar eerder mijn studiekeuze had gemaakt. De tl-verlichting zoemde boven de hoofden van een bonte verzameling studenten, van kunstmatige intelligentie tot Keltisch, terwijl buiten de herfst haar intrede deed. Ongeveer een uur luisterde ik naar hoe mega-fantastisch-gaaf het wel niet was om een half jaar te spenderen in Roskilde, Timisoara of Nanjing. Dat was geen nieuwe boodschap, aangezien iederéén die terugkomt uit Lima, Lodz of Leuven je dat vertelt. Ik geloofde het alleen nog niet zo.

Met een onbestemd gevoel verliet ik de zaal. Het werd veroorzaakt door een redenatie die ik niet langer kon negeren. Als ik ik niet naar het buitenland had gewild, was ik nu al lang bezig geweest met het bekijken van stages. Dat was niet het geval en dus was er maar één mogelijke conclusie: ik wilde wel, maar ik durfde niet.

Ambitie en pessimisme gaan niet per se goed samen. Ik zou mezelf heus niet omschrijven als een negatief persoon, maar ik heb nu eenmaal geen aangeboren vertrouwen op de goede afloop. Tel daarbij op dat ik over veel dingen duizend keer nadenk, en je zal begrijpen dat ik nieuwe wegen veelal voorzichtig insla. Vroeger wilde ik liever niet eens beginnen, wanneer er een kans was dat iets fout zou gaan. Dat heb ik wel achter me gelaten. Gelukkig maar – anders had ik nu geen rijbewijs, geen leuke huisgenoten en had ik me nog steeds afgevraagd of ik niet toch naar de kunstacademie had moeten gaan. Nu kan ik die laatste vraag met een empirisch verkregen ‘nee’ beantwoorden, en daar ben ik erg blij mee.

Ook bij dit besluit moest ik mijn blik niet laten vertroebelen door mitsen en maren. Hoe ging ik een fijn huis vinden op mijn bestemming? Wat als ik niet mee zou komen op het niveau daar? Wat als het juist heel makkelijk was en ik me een half jaar suf zou vervelen? Wat als ik me alleen, overweldigd, verdrietig zou voelen?

Wat als ik terug zou willen.

Stuk voor stuk voor stuk vragen waar ik vanuit Nederland geen antwoord op ging vinden. En dus plande ik na mijn tentamens een dag waarop al die gedachten niet mochten bestaan. Met lichte zenuwen opende ik de digitale lijst met alle 560 uitwisselingsbestemmingen, om uit te zoeken waar een zorgeloze versie van mij het liefst heen zou gaan.

Een nieuwe serie! Waar mijn vrienden, collega’s en studiegenoten zich fluitend over de hele wereld lijken te verspreiden, was dat voor mij nog wel even een dingetje. Maar naar alle waarschijnlijkheid ga ook ik Nederland voor een paar maanden verlaten. Ik wilde graag schrijven over de weg ernaartoe, al was het maar omdat het voor mezelf verhelderend werkt. Volgende week meer over het keuzeproces, excel-sheets en motivatiebrieven.

LIEVE MENSEN

‘Heeee moppie/lieverd/dushi/schatje/schattie/babe/lieffie/liefje/

lieverd/muppie/scheetje/schattepatat/mopje/dotje/honey/

baby/lieve schat.’

Zomaar een paar manieren waarop ik je zou kunnen begroeten, mocht je tot mijn directe vriendenkring behoren. Noem het niet nep, want zo’n titel moet je verdienen. Dat wil zeggen, je moet mij het vertrouwen geven dat je me niet raar aan zal kijken als ik je ‘moppie’ noem en je een knuffel geef als ik je tegenkom.

In Londen verwelkomt de taxichauffeur je met ‘love’, in Amsterdam mag je al tevreden zijn als diegene je bestaan überhaupt erkent. In Frankrijk begroeten echtgenoten, vrienden, maar ook buren en verre kennissen elkaar met een zoen. Waar een Amerikaanse ‘I love you’ haast niets meer waard is, kan een Hollandse ‘ik hou van jou’ een prille relatie maken of breken. Zo’n twee jaar geleden zat ik eens een nacht vast op het vliegveld van Atlanta. Alle balies waren gesloten, via de aanwezige telefoon probeerde ik iets te regelen. De vrouw die ik aan de lijn kreeg had met me te doen. ‘I’ll get you home, sweety.’ Ik kon wel janken, zo lief.

(Al kan ik niet uitsluiten dat slaapgebrek hierbij ook een rol speelde.)

In het leven van alledag is er niet altijd ruimte voor affectie. Vooral binnen een professionele sfeer vind ik het puzzelen. Het bedrijf waar ik werk is non-hiërarchisch en praktisch al mijn collega’s zijn student. Toch noem ik hen geen ‘lieverd’ en begroet ik ze niet met een knuffel. Hoe dan wel? Een hand is raar, behalve wanneer je je voorstelt. Van high fives krijg ik soms de kriebels en soms de slappe lach. Vooralsnog houd ik het bij een welgemeend ‘Goedemorgen!’, op enige afstand.

Bij de leerlingen in mijn klas hanteer ik een andere aanpak, vanuit didactisch-pedagogisch oogpunt. Geïnspireerd door een van mijn eigen docenten, spreek ik hen graag aan met ‘lieve mensen’. Om de aandacht te krijgen werkt dat sowieso erg goed. Daarbij zíjn het ook vaak lieve mensen. Bij voorbaat ga ik daar altijd vanuit, tot het tegendeel bewezen wordt – en dat gebeurt nooit. Ik geloof dan ook in de geheime kracht van dit soort woorden – hoe kan je je nou mogelijkerwijs misdragen tegenover iemand die je net als ‘lief’ heeft bestempeld? Dat resulteert in cognitieve dissonantie en daar is een mens nauwelijks tegen bestand.

(Bovendien stoot je met ‘lieve mensen’ niemand voor het hoofd. In een werkcollege ontstond laatst de discussie of het nog wel gepast was om een groep (voornamelijk vrouwelijke) studenten aan te spreken met ‘jongens’.)

(Zelf zit ik bij mannen dan weer vaak in dubio. Ik wéét gewoon dat sommigen ongemakkelijk worden van een ‘schat’ of ‘dushi’. Anderzijds – ik ga je niet níét zo noemen, alleen omdat je toevallig een man bent.)

Uiteindelijk gaat het allemaal om intentie. Een twijfelend schouderklopje is ongemakkelijk, een welgemeende omhelzing misschien onverwacht, maar wel ontwapenend. Soms kan je zelfs op de werkvloer niet ontkennen dat enige genegenheid op z’n plek is.  Een tijd terug voerde ik een afsluitend gesprek na een opleidingstraject dat ik gevolgd had. De trainer waar ik veel mee had gewerkt was erbij aanwezig. In een paar maanden had ik een aantal onzekerheden blootgelegd en aangepakt, mede met haar hulp. Nu zat ze trots tegenover me. De vraag die ze me op het einde stelde voelde dan ook heel logisch: ‘Mag ik je even knuffelen?’