Auteur: Milou

TECHNISCH GEZIEN | AMSTERDAM

Processed with VSCO with f2 preset

‘Maar wat doe je dan de hele dag?’

Dit moet wel de meest gestelde vraag zijn aan mensen in een tussenjaar. De antwoorden zijn wisselend, van niks tot kinderen helpen in een weeshuis tot carrière maken bij Albert Heijn. Ikzelf zit vooral veel in de trein. Nu zou ik dat niet echt als een activiteit bestempelen, maar het is de realiteit: mijn leven heeft zich de afgelopen tijd in drie verschillende steden afgespeeld, met nog een vierde in het verschiet. Stad voor stad maak ik de balans op.

De woensdag was voor Amsterdam. Niet de grachten en de pleinen die ik voorheen op een slot-met-fiets passeerde, maar een bedrijventerrein aan de Amstel. Bij een pastelkleurig metrostation stapte ik uit. De omgeving kleurde er met de weken beter bij, terwijl de bomen groener werden, de lucht blauwer. Langs een berm vol narcissen bereikte ik Open Studio.

Het dak was van glas. Op zonnige dagen rook het naar donkere vloerbedekking die langzaam opwarmde en op een bepaald punt zou smelten – maar zo ver kwam het nooit. Het was een verhuur, magazijn, school, maar oorspronkelijk een garage. IJzeren trappen leidden naar lokalen, op de begane grond stonden spullen waarmee elk video-idee werkelijkheid kon worden: tafels en rekken gevuld met lenzen, kabels en apparaten waarvan ik naar de functie alleen maar raden kon. Wat niet meer paste, stond in georganiseerde hoopjes op de vloer.

Processed with VSCO with c1 preset

Techniek is niet mijn ding. Ik kan een auto besturen, maar weet niet hoe het ding precies vooruit komt. Wanneer een apparaat kapot is, beperkt mijn plan van aanpak zich tot het uit- en weer inschakelen ervan. Het is natuurlijk een vicieuze cirkel: omdat ik het niet leuk vind, weet ik er niets vanaf. En dingen waar ik niets vanaf weet, vind ik niet leuk.

Ook wanneer ik bezig ben met films maken, laat ik de techniek geregeld links liggen. Zo komt het geregeld voor dat ik opnames maak zonder het geluid in te schakelen. Na vijf jaar monteerde ik nog steeds in iMovie. Mijn geliefde iMovie – het bracht me van schokkerige vakantiefilmpjes tot profielwerkstuk, maar niet verder. Ik wilde meer opties, in de vorm van een nieuw montageprogramma. Eén met angstaanjagend veel knoppen en vensters. Op de HKU had ik het in de vingers kunnen krijgen, ware het niet dat ik het na twee maanden voor gezien hield. Dus zocht ik mijn heil ergens anders.

Mijn klas bestond uit zes mensen. Ze hadden allemaal andere motieven, maar stelden mij dezelfde vraag: wat doe je dan nu eigenlijk? (Dat kan ik ze natuurlijk niet kwalijk nemen – dat is wat nieuwe mensen doen. Ze vragen wat je doet. Dat doe ik ook.) Ik deed dit. Luisteren naar onze docent-met-de-stem-van-Twan-Huys, die gepassioneerd vertelde over interlaced video, ND-filters en het verschil tussen 1080/50i en 1080/24p. En dan ging ik aan de slag, sjouwend met serieuze videocamera’s en statieven.

Een groot deel van mijn techniek-aversie wijt ik aan ongeduld. Wanneer ik een idee heb, wil ik niet bezig met instellingen en waardes – ik wil gáán, mijn spullen over mijn schouder hangen en mijn adem inhouden terwijl ik film. Techniek remt me af, terwijl ik liever gas geef.

Processed with VSCO with f2 preset

Dit merkte ik ook tijdens de laatste dagen bij Open Studio, die ik doorbracht in een donker montagelokaal. Terwijl ik driftig toetsencombinaties oefende, was het makkelijk te vergeten dat buiten de zon nog scheen. Mijn eigen materiaal vond ik niet bruikbaar, dus hield ik me bezig met een video over Amerikanen die oorlogje speelden met nepkanonnen, en een tweede over een imker die de bijencultuur wilde digitaliseren. Ik ontdekte dat bijen niet van UV-straling houden, dat Amerikaans klinkt als Russisch wanneer je het achterstevoren afspeelt. En dat mijn onderbewuste ook niets van techniek moet weten.

Uit enthousiasme gaat het overboord. Zelfs een verhaal over de ideale broedtemperatuur  in bijenkassen wakkert een intuïtie in mij aan die het roer volledig overneemt. Zo bleek, wanneer ik na twee uur geconcentreerd knippen en plakken mijn buurman hoorde praten over de keuzes die hij gemaakt had – allemaal heel bewust en volgens het boek, zoals de docent inderdaad die ochtend nog verteld had. Oh ja.

Conclusie: techniek is nog steeds niet mijn ding. Maar bij het maken van films is het wel handig om te weten welke regels er precies zijn om te breken.*

Verder in Amsterdam: lunchen met Mart in een suikerspinroze bakkerij vol blonde meisjes, het McFlurry-ritueel van mij en mijn nichtje in ere houden in de Kinkerstraat, op niet-woensdagen nog geregeld over de grachten fietsen – met een iets te zachte achterband. Maar dat geeft niet. Op de fiets heb geen haast.

Ik zou jullie op de hoogte houden van mijn tussenjaar, zo beloofde ik een tijd geleden. Hiermee maak ik een begin, speciaal voor alle nieuwsgierige aagjes out there. Die zijn er een hoop namelijk.

De best gelezen stukken van dit jaar:

  1. Het verhaal over mijn hospiteerstrijd
  2. Hoe ik veertien uur vastzat op een vliegveld in m’n eentje aan de andere kant van de wereld
  3. Waarom ik stopte met mijn studie

Sensatiebeluste aagjes, dus. Mocht je écht alleen geïnteresseerd zijn in het deel van mijn leven waarin er dingen niet lukken, dan hoef je deze reeks niet te volgen – ik heb namelijk (spoiler) een heel fijn half jaar gehad. Dan weet je dat vast. Next up: Eindhoven. 

*Maar ik leerde eigenlijk best veel, al was het alleen al via leuke anekdotes uit het film- en televisie-vakleven. Ook is het handig om te checken of je batterijen opgeladen zijn, voordat je vertrekt. En iMovie heb ik sinds de eerste les niet meer geopend.

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

THE FULL COLLEGE EXPERIENCE

width=

Dit idee ging al maanden, misschien zelfs jaren terug. Wat begon als een wild plan ontwikkelde zich via maandelijkse speculaties op FaceTime naar wekelijkse enthousiaste kreten op WhatsApp. ‘Nog elf/zes/drie dagen!’ En uiteindelijk was het werkelijkheid. Dinsdag 4 april, een uur of elf. Ik flip-flopte in mijn handdoekje over de gang van Crawford Hall, Roanoke College, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

9R7A0617

Met natte haren en een frisse blik kwam ik de kamer weer in. Mijn opengeslagen koffer fungeerde als struikelblok recht voor de deur – en zou dat nog de hele week blijven doen. Het was ergens raar om op deze plek te zijn, die ik alleen als achtergrond kende. Alsof ik op de set van mijn favoriete film was beland, en nu ontdekte hoe het er in 3D uitzag. Ik herkende de wandkleden, de stapelbedsituatie en de Nederlandse vlag, die regelmatig achter Colettes hoofd bungelde als we elkaar spraken. De kast was behangen met foto’s – diplomauitreiking, gala, laatste schooldag – die me er nogmaals aan herinnerden hoeveel er in een paar maanden kan veranderen.

9R7A0613

De rest van de dag zag ik hoeveel er in een paar maanden kan ontstaan. Een heel nieuw leven, vol nieuwe mensen en met nieuwe vanzelfsprekendheden, dit alles beschenen door een fanatieke lentezon. We liepen over de campus, langs semi-historische gebouwen en grasvelden waar dikke eekhoorns vrolijk overheen huppelden. We eindigden in commons, de plek voor je dagelijkse portie cornflakes of pasta bake. Daar koppelde ik gezichten aan de namen en verhalen die ik geregeld voorbij had horen komen.

fullsizeoutput_d9a

Inmiddels was ik zo’n veertig uur wakker. Een mengeling van enthousiasme en opluchting had me overeind gehouden, maar rond vier uur stortte ik dan toch in. ‘Ben ik helemaal hierheen gevlogen, lig ik midden op de dag te tukken,’ mompelde ik vanonder de dekens tegen roommate Caroline. ‘Ah joh, dat geeft niks,’ antwoordde die. ‘Dat doet iedereen hier. Hoort allemaal bij de college experience.

En een ervaring, dat was het zeker. Ik noem het vakantie, maar het was veel meer dan dat. Het was een kijkje in Colette’s leven hier, van midterms en matches tot feestjes en brakke ochtenden . The full college experience, maar dan in één week.

fullsizeoutput_ca7

Mijn meest gedachte gedachte: dit is zó Amerikaans. Lopend over de campus tussen in sportleggings gehulde meisjes en jongens in korte broeken bij twaalf graden. In commons, waar je de keuze had uit zeker dertig soorten frisdrank. Van de kantinejuf kreeg je een bord pasta met kip/aardappels met kip/burrito met kip. ‘There you go, sweetie.’ Tijdens de bierpongsessie op de tweede verdieping. Wat meisjes op een stapelbed, vier jongens achter de tafel, wij wachtend op onze beurt. De deur werd scherp in de gaten gehouden – de grens van 21 haalde niemand nog.

fullsizeoutput_d98

Stiekeme supermarktwijn dus, op vrijdagavond. We speelden Cards against Humanity, een spel dat zo simpel klinkt dat het wel saai moet zijn – maar dat is het niet. Dit was een moment voor de andere frequente gedachte: kijk mij nou. Kijk mij nou de slappe lach hebben vijfduizend kilometer van huis, in een dorm versierd met kerstlichtjes. Kijk mij roadtrippen op zondag, over een hek klimmen, aan het water liggen in shorts en bh-die-best-voor-een-bikini-door-kan-en-sowieso-niemand-kent-me-hier. De terugweg spendeerde ik rozig in het midden van de achterbank, licht zout en licht zanderig. We reden langs wel honderd roze bomen, over heuvels, langs schapen en begraafplaatsen. Een oranje zon scheen de auto binnen, vanuit de speakers klonk Barcelona van Ed Sheeran, veel harder dan elke Echte Volwassene zou tolereren.

9R7A0865

Ze waren heel ver weg, die Echte Volwassenen. In het weekend naar huis gaan is een uitzondering, want het kan je makkelijk vijf uur in een vliegtuig kosten om daar te komen. En dus zijn je vrienden, naast je klasgenoten, ook je huisgenoten en surrogaatfamilie.

fullsizeoutput_d99

Iedereen was heel close, en door mijn komst nog net iets closer. Met z’n drie-en-halven sliepen we in Colette’s tweepersoons dorm. Ik in haar bed, zij op een matras, om mijn allergie-terreur enigszins te beperken. (Thanks Co. Much appreciated.) Op een gegeven moment bevonden we ons met zes man op die twintig vierkante meter. Haley, de officiële roommate. Haar vriendje, bij wie Haley al maanden elke avond sliep. Haleys moeder, die daar duidelijk niet achter mocht komen. Caroline, die gebruik maakte van Haleys bed. Ten slotte Colette en ik. Haley moest zich even omkleden. ‘Everybody turn around!’

9R7A0846

Je was dus nooit alleen. Gelukkig zijn Amerikanen goed gezelschap: heel aardig en heel gastvrij. Sommigen noemen het nep, maar ik verkies die misschien licht-oppervlakkige vriendelijkheid toch echt boven diepgaande arrogantie. Daarbij heb ik ook echt wel goede gesprekken gehad, al dan niet onder het genot van zo’n illegale fles wijn.

Gedanst werd er ook, op zaterdagavond. Het feest bevond zich net buiten de campus, in een nogal donkere garage. De rest was er duidelijk vaker geweest: routineus baanden ze zich een weg door de massa licht plakkerige lijven, richting een andere ruimte. Tegen de muur stond een fust –  red cups ernaast, en zelf tappen. Of er ondersteboven aan gaan hangen, dat mocht ook.

(Mijn keuze laat ik in het midden.)

Eenmaal terug in de drukte waren mijn ogen aan het donker gewend. Leggings waren verruild voor jurkjes – hier geen spijkerbroekencultuur tijdens het uitgaan. De jongens stonden als gekken op de buizen aan het plafond te rammen, op het ritme van de muziek. Een trap naar boven bracht ons in het leefbare gedeelte van het huis.

(In ieder geval, het gedeelte waar geleefd werd.)

fullsizeoutput_ca7

Kijk mij nou. Om één uur ’s nachts in de keuken van ik-weet-niet-eens-wie tussen de jassen, (zoenende) mensen, platgetrapte bekers en blikjes en telkens weer die kerstverlichting. Kijk mij veel te fanatiek frisbeeën midden op de campus, met zo’n twintig mensen van over de hele wereld. Het wordt donker, steeds meer slippers verdwijnen in het lange gras. Mijn voeten worden langzaam zwart.

FullSizeRender

Kijk ons nou, lieve Co. Van Sims-spelende elfjarigen tot filosoferende tweedeklassers, tot pubers die steeds meer hun eigen hun eigen pad gingen bewandelen. Nog steeds behoorlijk parallel, altijd verbonden door de kronkels in ons brein. Dit jaar waren we echt los van elkaar, als begin van een hele nieuwe fase. Geen gezamenlijk gevloek meer op de schoolse gang van zaken, niet meer álle inside jokes delen. Maar deze week deelden we zowat het hele leven. Het jouwe, waar ik even in kwam vallen, herinneringen kon maken die ik niet snel zal vergeten.

En niets houdt ons tegen, om straks onze steden onveilig te maken, logeerfeestjes te geven zoals we dat jaren geleden al deden. Elkaar tot diep in de nacht wakker te houden omdat we nu eenmaal nooit uitgepraat raken – misschien wel met een fles wijn die je straks eindelijk zelf mag halen.

9R7A0695

JE VERZINT HET NIET

Processed with VSCO with f2 preset

Voor een ander ben ik een optimist, maar wanneer het aankomt op mijn eigen leven, ben ik erg goed in het uitgaan van de slechte afloop. Het heeft te maken met controle, denk ik – zolang ik maar op elk doemscenario voorbereid ben. Feit is dat je sommige dingen nu eenmaal niet in de hand hebt. Zo bleek ook op maandag drie april.

Ik zou niet eens weten hoe vaak ik al in een vliegtuig heb gezeten. Maar nog nooit eerder vloog ik alleen – zo’n vijfduizend kilometer. De overstap, dat was het heikele punt dat regelmatig door mijn hoofd jende. Er waren zeker vijf manieren waarop ik dacht mijn aansluiting te kunnen missen. Maar het scenario dat de werkelijkheid werd, had zelfs ik niet kunnen verzinnen.

Na negen uur stond ik bij de douane in Atlanta. (‘Zitten er dingen in je koffer die je er niet zelf ingestopt hebt?’ Eh, nee? Denk ik? Als dat wel zo was, zou ik het waarschijnlijk niet weten, toch?) Met een metro begaf ik me richting de gates, om daar te ontdekken dat mijn tweede vlucht vertraagd was. De acht uur die volgden spendeerde ik in rijen voor balies, hopend op nieuwe tickets, vriendelijk blijvend tegen chagrijnige medewerkers. Enerzijds begripvol, maar ook denkend: hoort dat niet andersom? Ik zat om het uur in de metro vanwege gatewijzingen en bezette talrijke harde stoeltjes naast de – goddank – aanwezige oplaadpunten voor je telefoon.

width=

Vlucht na vlucht werd gecanceled. Thunderstorms. In eerste instantie leek het idee van een overnachting op het vliegveld mij erg onaantrekkelijk, maar toen ik de grens van 24 uur geen slaap had overschreden, maakte het me niets meer uit. Er ging nog één vlucht, om tien voor twaalf ‘s avonds. Ik was te moe voor nieuwe doemscenario’s. Het zou hoe dan ook goedkomen: of het ging door, zodat ik naar Colette kon, om daar te slapen. Of het ging niet door, zodat ik naar een motel kon, om te slapen. Hoe dan ook zou ik slapen, binnen twee uur.

Of toch niet.

width=

We moesten wachten op een piloot, wat me de tijd gaf om nog wat te kletsen met de mensen die ik die dag ontmoet had. Stuk voor stuk wilden ze naar Roanoke Airport, sommigen al vanaf negen uur die ochtend. Gedeelde ellende verbindt, blijkbaar. Ik sprak een vrouw die terugkwam van de bruiloft van haar dochter, midden in Central Park, New York City. Een vrouw die Duitse les gaf op een universiteit, en er stiekem een lang weekend tussenuit was gegaan. Het meisje dat op en neer was gevlogen naar California, voor een begrafenis. Gezamenlijk staarden we naar de informatieborden, tot die de verlossende woorden toonden: now boarding.

Ik durfde pas opgelucht te zijn toen we vlogen – daadwerkelijk waren opgestegen, niet langer gehinderd door onweer en regen. We bereikten Roanoke, daalden, daalden, daalden – en stegen toen weer op, in een hoek die onnatuurlijk verticaal voelde. De krakerige stem van de piloot beantwoordde de waarom-vraag in mijn hoofd: teveel wolken. We konden niet landen. Wat volgde was een half uur gecirkel op verschillende hoogtes. Eigenlijk ben ik nooit bang in een vliegtuig, maar de combinatie van slaaptekort en stress nekte me. Ik was naarstig op zoek naar iemand die me zou vertellen dat het wel goed zou komen. Ik vond deze persoon in de man naast me, zo’n zestig jaar oud en met een stevig southern accent. Whatever happens, we’ll get you home.’

Processed with VSCO with g3 preset

Whatever happens‘, dat bleek het volgende te zijn. De wolken weken niet. Vanwege een gebrek aan brandstof zouden we naar Ralley vliegen, in North Carolina. Eenmaal daar kregen we te horen dat er maar één ding op zat: tanken, en dan terug naar Atlanta. We apologize and thank you for your patience. Ik belde voor de tiende keer met pap, die me er opnieuw van verzekerde dat het niet erg was dat ik hem continu wakker maakte vanaf de andere kant van de wereld. Colette vertelde ik dat zij en haar welkomstcomité maar moesten gaan slapen, na uren stand-by staan en wachten op het vliegveld. De helft van de passagiers verliet het vliegtuig, zonder koffers en met hoop op een huurauto. Ik pakte mijn kans en schoof wat armleuningen omhoog. Drie vliegtuigstoelen hebben nog nooit zo lekker gelegen.

Processed with VSCO with f2 preset

Vier uur ’s nachts en ik was weer terug bij af. Het vliegveld was verlaten, de inmiddels vertrouwde balies waren onbemand. Ik moest het doen met een muurtelefoon, waar ik een mevrouw aan de lijn kreeg die er hélemaal niks van snapte. ‘I’m sorry, what happened? Oh my god, you poor thing. We’re going to get this right. When I’m trying to get on a flight, I always say: you can even put me up on the wing, I’ll comb my hair when we get there.’

Processed with VSCO with f2 preset

De vlucht van kwart over acht, dat moest ‘m worden. Ik wilde nergens meer op hopen, maar we vertrokken. De zon scheen, maar ik wantrouwde elke wolk die ik door het vliegtuigraam zag. Elke vertraging, versnelling, stijging of daling wekte mijn argwaan. Ik kon maar aan één ding denken en probeerde deze gedachte richting de cockpit te sturen: zorg alsjeblieft dat we landen.

Processed with VSCO with g3 preset

En dat deden we. Het was half tien ’s ochtends, de zon scheen in een idyllisch Roanoke. Mijn koffer was (wonder boven wonder) met me meegereisd, ondanks de logistieke chaos. Nog een kwartier in de taxi, en toen stond ik voor de Crawford Hall. Na dertig uur, maar eigenlijk na acht maanden, konden Colette en ik elkaar tegemoet rennen en in de armen sluiten. Veel kleffer dan onze vriendschap ooit geweest was, maar nu voelde het geheel op z’n plaats.

Processed with VSCO with f2 preset

Dit was geen denderend begin, maar ik schreef er toch maar over. Want dat is wat ik altijd doe, en bovendien had ik de tijd, terwijl Colette haar midterm aan het maken was. Vrolijke verhalen vanuit Sunny Salem zullen zeker volgen!

PAST PRECIES


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies. 

JE EIGEN LEVENTJE

FullSizeRender

Eind januari besloot ik dat het tijd werd om mijn eenpersoonspaleis in te ruilen voor een kamer in een studentenhuis. Door een combinatie van kieskeurigheid en een overvolle markt, heeft het even geduurd. Achttien mails, negen Facebookmessages, zeven berichten via Kamernet. Negentien uitnodigingen, elf afmeldingen, acht hospiteeravonden. Acht kamers vol glimlachjes, giechelende meisjes en chips waarvan nooit iemand eet. Zes keer een sms krijgen. ‘We vonden je supergezellig, maar helaas niet gezellig genoeg.’ Soms balen, soms niet echt. Maar sowieso denken: ik houd er leuke verhalen aan over. Bij deze.

FullSizeRender-1

‘Huize *** is op zoek naar een nieuwe huisgenootje! Per 30 februari komt er een kamer vrij in het allerleukste huis van Utrecht. Wij zoeken een meisje van minimaal 19 jaar – maar liever ouder – die weet wat het is om in een studentenhuis te wonen. We willen namelijk geen jonkie die we nog moeten leren koken of schoonmaken en bovendien moet je wel lekker op tempo mee kunnen zuipen. We zoeken iemand die enthousiast, gezellig, spontaan, sportief, knap en hilarisch is. Je drinkt graag wijntjes, doet graag drankjes en dansjes en je bent een beetje verslaafd aan Netflix. (Verder heb je hopelijk nog wel een authentieke hobby die jou er op de hospi uit laat springen, anders zijn we je aan het einde van de avond alweer vergeten.) We zijn een heel hecht huis met elke week een huisavond, maar ook huisweekenden, tripjes naar Berlijn en een kerstdiner in maart. We zoeken dus iemand die hiervoor in is, maar ook al écht haar eigen leventje heeft opgebouwd in Utrecht.’
FullSizeRender-4

In de voorstelronde probeer je een balans te vinden tussen deze ideale huisgenoot en de persoon die je echt bent. Want je danst inderdaad graag tijdens het uitgaan, liefst op foute hitjes die je hard en vals kan meezingen. Maar soms heb je het om twee uur wel gezien, val je half in slaap in een wc-hokje en besluit je maar naar huis te gaan. Daar heb je vrede mee. Je hebt geen pertinente hekel aan studeren. De favoriete huisseries heb je niet gezien. Prison Break niet. Breaking Bad niet. House of Cards niet. Je volgde wel trouw Wie is de Mol en van Modern Family kan je sommige afleveringen meepraten. Een deel vertel je, een deel besluit je strategisch te verzwijgen, afgaand op het soort avond waar je terecht bent gekomen. Om je een idee te geven:

Het onderonsje. Iedereen kent iedereen en anders op zijn minst één iemand. (‘Bij wie zit jij in de club dan? Bij Annabel? Nouuuu, wat toevallig! Ik heb met haar op de basisschool gezeten!’)

Het huis waar de overloop (3m2) ook de keuken en de woonkamer blijkt te zijn.

Het ongemakkelijke half uur. Na tien minuten loopt de secuur geprepareerde vragenlijst ten einde en beginnen er stiltes te vallen. Een zeldzaamheid op een hospiteeravond vol meiden. Maar hier is de helft niet komen opdagen. Er staan geen bierflesjes in de hoek, geen teksten op de muur, geen vaat op het aanrecht. Er is geen muziek – het enige geluid komt van de hamster die rondrent in zijn kooi. Je denkt wel kans te maken op de kamer, maar zegt het af, omdat je het gevoel hebt dat je anders bij twee veertigjarigen komt te wonen.

FullSizeRender-3

Het feest. Iedereen neemt bier mee, van kennismaken komt het niet echt – daarvoor staat de muziek te hard. Wie de kamer krijgt, wordt bepaald middels een rietadtcompetitie.

De bovenverdieping met de huisbaas die daaronder woont. (‘Hij heeft oorsuizen, dus je mag niet te veel met de stoelen schuiven. Hij wil alleen meisjes, omdat de toonhoogte van onze stemmen hem beter bevalt. Soms staat hij ineens in de gang. Wil ‘ie even babbelen. Ja, hij is echt heel geïnteresseerd in onze levens. Daarom wil hij ook eerst uitgebreid met je praten, voordat je hier komt wonen. Oh, en vanuit jouw kamer zie je hem soms halfnaakt yoga’en op het balkon. Maar verder is hij heel oké hoor. Echt.)

De diepe teleurstelling. Alles klopt: gezellig, licht, schoon zelfs. Het klikt. Het lijkt te mooi om waar te zijn – en dat is het ook. Je eindigt als derde. Hierna wil je nooit meer hospiteren.

Het semi-verenigingshuis. (‘Eigenlijk is alleen Noor lid, maar wij vinden het ook superlachen allemaal. Als je onze HJ wordt moet je trouwens wel een jaar lang alle afwas doen. Vo.’)

De kamer die eigenlijk een kast is.

FullSizeRender-2

De laatste. Je probeert op niets meer te hopen, en dat bevalt eigenlijk wel. Ook hier is het mooi, schoon, nieuw – de woonkamer is nog een lege ruimte, de tuin (!) slechts een gat in de nacht. Ook de kamer is donker – met een telefoon wordt bijgeschenen, maar je vergeet hoe het er eigenlijk uitzag. Op tafel staan chips die daadwerkelijk gegeten worden. Je praat zonder al te veel na te denken. Over het fijnste park van de stad, over Barcelona, over creativiteit. Je geeft toe dat je geen biertje openkrijgt met een aansteker. Je vertelt dat je het belangrijk vindt om ook elkaars ochtendhumeur, studiestress of irritante verliefdheid de ruimte te geven. Je loopt naar buiten. Misschien is dit het – de plek waar je eigen leventje zich zal gaan afspelen.

Twintig minuten later word je gebeld. Ondanks het feit dat je Eline Iris noemde en Kelly Amber, ondanks je ietwat zweverige verhaal over filosofie en het feit dat je nooit weet wat je moet koken. ‘Je bent het geworden. We vonden je een topwijf.’

LICHTROZE

fullsizeoutput_2af

Het is noodgedwongen knus in de trein. Ik weet een zitplek te bemachtigen naast een meisje gehuld in alles lichtroze. Vanonder haar (lichtroze) pet bekijkt ze een vlog op haar (lichtroze) telefoon. Een filmpje waarin iemand autorijdt, kookt en de kak van de hond opruimt. Dikke zwarte wimpers rusten boven haar (lichtroze) wangen, doen haar ouder lijken dan ze waarschijnlijk is. Een voorzichtige glimlach speelt rond haar (lichtroze) lippen. Uit haar tas haalt ze een Rubik’s Cube.

Ik zou twijfelen. Ik zou denken dat één verkeerde wending de oplossing onmogelijk zou maken. Ik zou de vierkanten liever ongeschonden laten, en anders zou ik voorzichtig zijn. Mijn zetten proberen te onthouden, om ze vervolgens achterwaarts weer uit te voeren.

Maar zij – met een jaloersmakende vastberadenheid draait ze de blokjes in het rond. Schijnbaar achteloos, buitengewoon effectief. Binnen drie minuten vertoont haar kubus weer zes egaal gekleurde vlakken. Rood, geel, groen. Blauw, wit, oranje.

(Alleen hier ontbreekt lichtroze.)

Ik zou het ding nooit meer aanraken. Hem op een zichtbare plaats zetten, als een trofee van doorzettingsvermogen. Ik zou uitermate tevreden zijn met mezelf.

Zij is dat niet – niet hierom, in ieder geval. Elke nieuwe oplossing resulteert slechts in een zucht en een blik op de vlog, waarin iemand netflixt of tandenpoetst. Vervolgens creëert ze automatisch een nieuw probleem, met een paar gedecideerde wendingen van haar vingers – haar nagels lichtroze gelakt.

fullsizeoutput_2b2