Auteur: Milou

GELOOF UIT EEN KOEKTROMMEL

fullsizeoutput_db8

In Cambodja komt geloof uit een koektrommel. Een blauwe, van blik, gevuld met meters rood touw en een IKEA-schaar. Oude handen leggen vliegensvlug een fijne knoop, verlossen de overschotten aan het uiteinde met een knip. Ik ben #blessed – maar echt.

9R7A15699R7A10629R7A1277

Een paar dagen geleden werd mijn geluk bezegeld door een monnik in een rolstoel. Ik bekeek zijn oranje gewaad terwijl hij zijn gebed uitsprak boven mijn pols, al het goeds samenbundelde in het draad.

(Hoop ik dan maar. Ik kon hem tenslotte niet verstaan.)

Maar ook de dagen ervoor voelde ik me best gezegend, terwijl we de tempels bekeken waar zo’n duizend jaar geleden al monniken leefden.

fullsizeoutput_e20fullsizeoutput_e379R7A1577fullsizeoutput_e0c

De dagen beginnen vroeg in Siem Reap. Het regenseizoen pauzeert, maar het water hangt in de lucht, laat je shirt aan je rug plakken. De duisternis brengt zowel rust als koelte met zich mee. En dus passeren we in de schemering de eerste tempelmuren. De meeste voor eeuwen vergeten, verdwenen, of vergroeid met de jungle. De immense bomen verraden de tijd – het verleden van deze stenen. Wortels omsluiten de muren, trekken ze los maar houden ze ook samen op hun weg naar de grond. Misschien is dit wat men bedoelt met ‘de kracht van de natuur’.

fullsizeoutput_db9fullsizeoutput_e1bfullsizeoutput_dcbfullsizeoutput_e1c

Het is bijna niet te bevatten, alles wat deze tempels overleefd hebben. Terwijl we in het westen nog in het donker leefden, floreerden hier de Khmer. Ze lieten hun sporen na in de vorm van beelden, met tekeningen in het steen. Het volk is al eeuwen verdwenen, maar hun cultuur bleef bewaard. Ten minste – ten dele. Niet alles bleef gespaard, onder invloed van oorlog, mos, de mens – zo’n stuk muur uit het jaar duizend doet het prima als salontafel.

fullsizeoutput_e35fullsizeoutput_e31fullsizeoutput_e30fullsizeoutput_e36

Het land krabbelt op, na jaren van chaos – oorlog eiste honderdduizenden levens en talloze ledematen. Ouderen zijn hier zeldzaam. Nu oog alles vredig. Ik wissel eindeloze glimlachen – vaak omdat het de enige taal is die we gemeen hebben. Men oogt tevreden, met slecht een drijvend huis en een hangmat. Met eten, maar bovenal een familie om het mee te delen.

9R7A1442fullsizeoutput_e21fullsizeoutput_e229R7A1323

We blijven rijden, in een witte bus verder de binnenlanden in, door vlagen van benzine en citroengras. Groen zover ik kijken kan, slechts beperkt door bochten in de weg. De gele strepen op het wegdek zijn nog vers.

fullsizeoutput_dc9fullsizeoutput_e1e

(Mocht je nou denken dat hier verder niemand was.)

IK STOND DUS EEN TIJDJE VOOR DE KLAS | EINDHOVEN

Wanneer je terugkomt op een plek waar je een tijd niet geweest bent, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Zo kwam ik twee jaar na een verhuizing terug in het huis waar ik was opgegroeid, verbaasd over hoe kléín alles was – niet stilstaand bij het feit dat ik zelf een behoorlijke groeispurt had doorgemaakt.

Anderzijds kom je soms ergens terug, om te ontdekken dat alles hetzelfde is gebleven. Zoals op mijn middelbare school in Eindhoven – van de puberstroom in de pauze tot de gifgroene vloerbedekking in de gang. En een jaar na mijn eindexamens begint het eerste uur nog steeds – excuseer – fucking vroeg.

Een donderdagmorgen in april, gapend laat ik heet water in een kopje stromen. ‘Hier mogen eigenlijk geen leerlingen komen, hè.’ Als je met genoeg zelfvertrouwen de docentenkamer binnenloopt, gaat men er vanzelf vanuit dat je daar hoort. Andersom hoef je maar enigszins twijfelend om je heen te kijken, en de conciërge pikt je er zo uit.

Voor iemand die stopte met haar opleiding, bracht ik nog heel wat tijd in de klas door. Beter gezegd: voor de klas. Ik gaf een paar weken les over filosofie, kunst en creativiteit. Bladerend door boeken en kranten, struinend over het internet vond ik mijn thema’s. In koffietentjes vond ik mijn concentratie.

(Deze lessenreeks wordt mede mogelijk gemaakt door Coffee Company Nachtegaalstraat).

Het vierde blok, de vierde klas. Met een kleine twintig leerlingen filosofeerde ik over kunst in de allerbreedste zin van het woord. Wanneer is iets kunst? Wat is het nut ervan?  Wat is het verband tussen Aristoteles en GTST? Welk kunstwerk ken je al jaren, zonder het te weten?  En waarom gaat het steeds weer over dat omgekeerde urinoir?

Veel vragen, weinig antwoorden. Mijn doel met de lessenreeks was niet zozeer duizend jaar kunstgeschiedenis oprakelen. Veel liever wilde ik een nieuwe manier laten zien om naar kunst te kunnen kijken.

(Ik ga nu even mijn eigen lesplan quoten. Sorry daarvoor.)

‘Wanneer je probeert kunst alleen maar te ervaren vanuit je gevoel, ga je voorbij aan een context vol betekenis. Dat lijkt mij zonde. Want juist in die context zal je ontdekken dat kunst ontroerend kan zijn, grappig, bijzonder, irritant of gewoon heel raar. Dat makers hun tijd soms ver vooruit waren, dat ze gedurfde dingen deden, die zelfs nu nog invloed kunnen hebben op hoe wij de wereld zien.

Wél nadenken dus – met al die vragen en antwoorden in je hoofd zal je vanzelf een gevoel ontwikkelen bij bepaalde kunstwerken. En een mening erover. Dat is het leuke: kunst heeft altijd te maken met je eigen interpretatie. Het is als het leren drinken van wijn: hoe meer soorten je proeft, hoe beter je ontdekt wat de verschillen zijn en wat je eigen smaak is. Alleen word je van kunst niet dronken.’

Dat dus. Maar waarschijnlijk heb ik zelf nog het meest geleerd van deze ervaring. Om een paar dingen te noemen:

  • Misschien wel het moeilijkste deel van een les: het begin. Al snel kwam ik erachter dat ik een soort kreet nodig had om de aandacht te krijgen, wilde het niet heel ongemakkelijk worden.

(‘Ehh, jongens!

Jongens?

Jongens…?

Kunnen jullie heel even…?

Ja?

Dankje – hallo?

Ja.

Dankjewel.’)

  • Maar als ik eenmaal begonnen was, voor het bord met een kop thee in mijn hand, voelde het al snel vertrouwd. Binnen een week hoorde ik mezelf dingen zeggen als ‘Ga je ook nog even aan het werk? Als je het nu doet, heb je het straks thuis eerder af.’ ‘Zou het misschien verstandiger zijn als jullie niet naast elkaar gingen zitten?’ En dan deden ze dat nog ook. Het was dan wel een kleine klas met goede manieren. Maar tóch. Toch verwachtte ik stiekem dat op een bepaald moment de pleuris uit zou breken, omdat ze erachter waren gekomen dat ik geen échte docent was.

(Al wisten ze dat vanaf les één natuurlijk al. Vorig jaar spendeerde ik mijn pauzes nog naast hen in hal B.)

(Bovendien was er steeds wel een échte docent bij, mocht het dan toch uit de hand lopen.)

  • Het is leuk. Al zo’n vijf jaar geef ik bijles, met veel plezier. Ik wist dus dat het overdragen van kennis me blij maakte. Maar zo’n hele reeks opzetten, van onderwerpkeuze tot nakijkwerk, bracht nog veel meer met zich mee. Meer verantwoordelijkheid, meer organisatie, meer voldoening. Meer leuke, slimme leerlingen vol verrassende uitspraken. Hoe cool is het als je het idee hebt dat er mensen zijn die echt iets gedaan hebben met je verhalen – omdat je dat in hun zelfgeschreven essays kan terugzien.
  • Ten slotte het besef dat het me misschien wel iets lijkt – voor als ik later groot ben.

Verder in Brabant: examenfeestjes vieren. Genieten van het ouderlijk huis – met name de tuin, waar het ruikt naar warme dennenbomen en waar de vogels je ’s ochtends wakker maken. Avonden bij de buitenhaard – niet tot het te koud wordt, maar tot het hout op is. Woorden hangen nog in de lucht, maar niemand voelt zich geroepen ze te vangen. De knapperende vlammen voeren de boventoon, tot er slechts kooltjes resteren en het vuur nagloeit in mijn ogen.

Stad drie uit de reeks van steden. Amsterdam, Rotterdam en nu dus Eindhoven. Mijn favoriet bewaarde ik tot het laatst. Ergens over een paar dagen: Utrecht!

PARADE | ROTTERDAM

Processed with VSCO with f2 preset

Het verbaast me soms hoe lang bepaalde keuzes nog een effect hebben. Toen ik veertien was schreef ik me in voor een toneelgroep – met knikkende knieën, welteverstaan. In drie jaar leerde ik meer schijt te hebben en minder schaamte te kennen. Ik werd verliefd op het gevoel dat me bekruipt wanneer ik verhalen mag vertellen – zij het die van iemand anders. Ik ontwikkelde een fascinatie voor wat echt is – en of iets ooit echt echt kan zijn. Tenslotte vervult ieder mens dagelijks verschillende rollen. Ik kwam terecht op De Parade, een theaterfestival dat elke zomer door Nederland reist.

En dit jaar deed ik ook mee. Tien dagen lang speelde ik ‘Je Favoriete Kassameisje’ op De Parade in Rotterdam. Het was geen ingewikkelde rol; vooral veel enthousiasme, simpele tekst, leuke medespelers. Hier en daar wat improvisatie – wat doe je wanneer je ouders en peuter naar een voorstelling hebt gestuurd, waar bij binnenkomst twee naakte mannen op een bed bleken te liggen?

IMG_0127

Ik wijs de weg, geef advies en vervul de rol van bankier – tientallen dronken mensen pinnen bij mij hun tientje. Uiterlijk om twee uur valt het doek – sluiten de luiken van de kiosk.

(Vervolgens blijkt het lastig loslaten. De eerste paar nachten slaap ik onrustig, omdat ik constant denk dat er bezoekers bij mijn tent staan. ‘Goedenavond, kan ik u helpen?’ mompel ik vanuit mijn slaapzak. ‘Heeft u misschien nog een Rotterdampas? Dat wordt dan elf euro alstublieft.’)

Een oranje luchtbedje – nog een toevoeging aan de lange lijst bedden waarin ik heb geslapen dit jaar. Daarmee doel ik niet per se op nachtelijke avontuurtjes met wildvreemden; het was in alle opzichten een periode vol nieuwe personages, nieuwe decors. Nieuwe dekens die ruiken naar een wasmiddel dat ik niet herken, waardoor ik ’s nachts wakker word en niet weet waar ik ben.

Processed with VSCO with c1 preset

In een tent dus, de afgelopen tien dagen. De lucht is dik. De zon brandt door de transparante muren en zet alles in een pastelgroen licht, tot ik het doek openrits. Buiten is het beter ademhalen. Tegenover me doet mijn favoriete Paradebuurmeisje haar voordeur open, met kleine oogjes wens ik haar goedemorgen. De Euromast waakt over onze zandbak annex camping.

Aan drugs doe ik niet, maar een roes kan ik wel waarderen. Zo’n gevoel dat je overvalt als alles even klopt, in een kleine wereld die maar tien dagen bestaat. Een wereld waarin mijn telefoon veelal leeg is en autoruiten mijn beste optie op een spiegel zijn. Een wereld waar nieuws binnensijpelt als filterkoffie – langzaam en niet bepaald sterk. Alles zit er onder de modder, van mijn broekspijpen tot mijn sjaal-die-ook-mijn-kussen-is. Vroeg of laat bestaat er niet. Alles gebeurt op het juiste moment.

Processed with VSCO with f2 preset

Zo is het ’s avonds tijd om te kijken, een theatertent in te duiken met mijn lichtroze keycord om mijn nek. Het zit nooit vol – dan schuif je maar wat dichter tegen elkaar aan. Welkom in de Paradebubbel, waar we afspreken te geloven in de verhalen die er verteld worden. Iedereen kan iedereen zijn. Je eet er poffertjes als ontbijt, middernachtelijke tosti’s en bier op de bon. Liefst eindigt de dag zwevend, in de molen midden op het terrein. Rond en rond, met een sporadisch afzetje op het beton van het Museumplein.

Processed with VSCO with f2 preset

Verder in Rotterdam: eigenlijk helemaal niets, behalve de weg naar de camping en het station. Ik kom nog wel een keer terug voor de rest.

Ik besloot te schrijven over de steden waar m’n leven zich afspeelde, de afgelopen tijd. Dit was stad vier, verhaal twee. (Ik gooi alles door elkaar, want wat nou chronologie.) ‘Je Favoriete Kassameisje’ is misschien nog te zien op De Parade in Amsterdam, en gaat sowieso volgende zomer in reprise.

TECHNISCH GEZIEN | AMSTERDAM

Processed with VSCO with f2 preset

‘Maar wat doe je dan de hele dag?’

Dit moet wel de meest gestelde vraag zijn aan mensen in een tussenjaar. De antwoorden zijn wisselend, van niks tot kinderen helpen in een weeshuis tot carrière maken bij Albert Heijn. Ikzelf zit vooral veel in de trein. Nu zou ik dat niet echt als een activiteit bestempelen, maar het is de realiteit: mijn leven heeft zich de afgelopen tijd in drie verschillende steden afgespeeld, met nog een vierde in het verschiet. Stad voor stad maak ik de balans op.

De woensdag was voor Amsterdam. Niet de grachten en de pleinen die ik voorheen op een slot-met-fiets passeerde, maar een bedrijventerrein aan de Amstel. Bij een pastelkleurig metrostation stapte ik uit. De omgeving kleurde er met de weken beter bij, terwijl de bomen groener werden, de lucht blauwer. Langs een berm vol narcissen bereikte ik Open Studio.

Het dak was van glas. Op zonnige dagen rook het naar donkere vloerbedekking die langzaam opwarmde en op een bepaald punt zou smelten – maar zo ver kwam het nooit. Het was een verhuur, magazijn, school, maar oorspronkelijk een garage. IJzeren trappen leidden naar lokalen, op de begane grond stonden spullen waarmee elk video-idee werkelijkheid kon worden: tafels en rekken gevuld met lenzen, kabels en apparaten waarvan ik naar de functie alleen maar raden kon. Wat niet meer paste, stond in georganiseerde hoopjes op de vloer.

Processed with VSCO with c1 preset

Techniek is niet mijn ding. Ik kan een auto besturen, maar weet niet hoe het ding precies vooruit komt. Wanneer een apparaat kapot is, beperkt mijn plan van aanpak zich tot het uit- en weer inschakelen ervan. Het is natuurlijk een vicieuze cirkel: omdat ik het niet leuk vind, weet ik er niets vanaf. En dingen waar ik niets vanaf weet, vind ik niet leuk.

Ook wanneer ik bezig ben met films maken, laat ik de techniek geregeld links liggen. Zo komt het geregeld voor dat ik opnames maak zonder het geluid in te schakelen. Na vijf jaar monteerde ik nog steeds in iMovie. Mijn geliefde iMovie – het bracht me van schokkerige vakantiefilmpjes tot profielwerkstuk, maar niet verder. Ik wilde meer opties, in de vorm van een nieuw montageprogramma. Eén met angstaanjagend veel knoppen en vensters. Op de HKU had ik het in de vingers kunnen krijgen, ware het niet dat ik het na twee maanden voor gezien hield. Dus zocht ik mijn heil ergens anders.

Mijn klas bestond uit zes mensen. Ze hadden allemaal andere motieven, maar stelden mij dezelfde vraag: wat doe je dan nu eigenlijk? (Dat kan ik ze natuurlijk niet kwalijk nemen – dat is wat nieuwe mensen doen. Ze vragen wat je doet. Dat doe ik ook.) Ik deed dit. Luisteren naar onze docent-met-de-stem-van-Twan-Huys, die gepassioneerd vertelde over interlaced video, ND-filters en het verschil tussen 1080/50i en 1080/24p. En dan ging ik aan de slag, sjouwend met serieuze videocamera’s en statieven.

Een groot deel van mijn techniek-aversie wijt ik aan ongeduld. Wanneer ik een idee heb, wil ik niet bezig met instellingen en waardes – ik wil gáán, mijn spullen over mijn schouder hangen en mijn adem inhouden terwijl ik film. Techniek remt me af, terwijl ik liever gas geef.

Processed with VSCO with f2 preset

Dit merkte ik ook tijdens de laatste dagen bij Open Studio, die ik doorbracht in een donker montagelokaal. Terwijl ik driftig toetsencombinaties oefende, was het makkelijk te vergeten dat buiten de zon nog scheen. Mijn eigen materiaal vond ik niet bruikbaar, dus hield ik me bezig met een video over Amerikanen die oorlogje speelden met nepkanonnen, en een tweede over een imker die de bijencultuur wilde digitaliseren. Ik ontdekte dat bijen niet van UV-straling houden, dat Amerikaans klinkt als Russisch wanneer je het achterstevoren afspeelt. En dat mijn onderbewuste ook niets van techniek moet weten.

Uit enthousiasme gaat het overboord. Zelfs een verhaal over de ideale broedtemperatuur  in bijenkassen wakkert een intuïtie in mij aan die het roer volledig overneemt. Zo bleek, wanneer ik na twee uur geconcentreerd knippen en plakken mijn buurman hoorde praten over de keuzes die hij gemaakt had – allemaal heel bewust en volgens het boek, zoals de docent inderdaad die ochtend nog verteld had. Oh ja.

Conclusie: techniek is nog steeds niet mijn ding. Maar bij het maken van films is het wel handig om te weten welke regels er precies zijn om te breken.*

Verder in Amsterdam: lunchen met Mart in een suikerspinroze bakkerij vol blonde meisjes, het McFlurry-ritueel van mij en mijn nichtje in ere houden in de Kinkerstraat, op niet-woensdagen nog geregeld over de grachten fietsen – met een iets te zachte achterband. Maar dat geeft niet. Op de fiets heb geen haast.

Ik zou jullie op de hoogte houden van mijn tussenjaar, zo beloofde ik een tijd geleden. Hiermee maak ik een begin, speciaal voor alle nieuwsgierige aagjes out there. Die zijn er een hoop namelijk.

De best gelezen stukken van dit jaar:

  1. Het verhaal over mijn hospiteerstrijd
  2. Hoe ik veertien uur vastzat op een vliegveld in m’n eentje aan de andere kant van de wereld
  3. Waarom ik stopte met mijn studie

Sensatiebeluste aagjes, dus. Mocht je écht alleen geïnteresseerd zijn in het deel van mijn leven waarin er dingen niet lukken, dan hoef je deze reeks niet te volgen – ik heb namelijk (spoiler) een heel fijn half jaar gehad. Dan weet je dat vast. Next up: Eindhoven. 

*Maar ik leerde eigenlijk best veel, al was het alleen al via leuke anekdotes uit het film- en televisie-vakleven. Ook is het handig om te checken of je batterijen opgeladen zijn, voordat je vertrekt. En iMovie heb ik sinds de eerste les niet meer geopend.

GOUD

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

THE FULL COLLEGE EXPERIENCE

width=

Dit idee ging al maanden, misschien zelfs jaren terug. Wat begon als een wild plan ontwikkelde zich via maandelijkse speculaties op FaceTime naar wekelijkse enthousiaste kreten op WhatsApp. ‘Nog elf/zes/drie dagen!’ En uiteindelijk was het werkelijkheid. Dinsdag 4 april, een uur of elf. Ik flip-flopte in mijn handdoekje over de gang van Crawford Hall, Roanoke College, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

9R7A0617

Met natte haren en een frisse blik kwam ik de kamer weer in. Mijn opengeslagen koffer fungeerde als struikelblok recht voor de deur – en zou dat nog de hele week blijven doen. Het was ergens raar om op deze plek te zijn, die ik alleen als achtergrond kende. Alsof ik op de set van mijn favoriete film was beland, en nu ontdekte hoe het er in 3D uitzag. Ik herkende de wandkleden, de stapelbedsituatie en de Nederlandse vlag, die regelmatig achter Colettes hoofd bungelde als we elkaar spraken. De kast was behangen met foto’s – diplomauitreiking, gala, laatste schooldag – die me er nogmaals aan herinnerden hoeveel er in een paar maanden kan veranderen.

9R7A0613

De rest van de dag zag ik hoeveel er in een paar maanden kan ontstaan. Een heel nieuw leven, vol nieuwe mensen en met nieuwe vanzelfsprekendheden, dit alles beschenen door een fanatieke lentezon. We liepen over de campus, langs semi-historische gebouwen en grasvelden waar dikke eekhoorns vrolijk overheen huppelden. We eindigden in commons, de plek voor je dagelijkse portie cornflakes of pasta bake. Daar koppelde ik gezichten aan de namen en verhalen die ik geregeld voorbij had horen komen.

fullsizeoutput_d9a

Inmiddels was ik zo’n veertig uur wakker. Een mengeling van enthousiasme en opluchting had me overeind gehouden, maar rond vier uur stortte ik dan toch in. ‘Ben ik helemaal hierheen gevlogen, lig ik midden op de dag te tukken,’ mompelde ik vanonder de dekens tegen roommate Caroline. ‘Ah joh, dat geeft niks,’ antwoordde die. ‘Dat doet iedereen hier. Hoort allemaal bij de college experience.

En een ervaring, dat was het zeker. Ik noem het vakantie, maar het was veel meer dan dat. Het was een kijkje in Colette’s leven hier, van midterms en matches tot feestjes en brakke ochtenden . The full college experience, maar dan in één week.

fullsizeoutput_ca7

Mijn meest gedachte gedachte: dit is zó Amerikaans. Lopend over de campus tussen in sportleggings gehulde meisjes en jongens in korte broeken bij twaalf graden. In commons, waar je de keuze had uit zeker dertig soorten frisdrank. Van de kantinejuf kreeg je een bord pasta met kip/aardappels met kip/burrito met kip. ‘There you go, sweetie.’ Tijdens de bierpongsessie op de tweede verdieping. Wat meisjes op een stapelbed, vier jongens achter de tafel, wij wachtend op onze beurt. De deur werd scherp in de gaten gehouden – de grens van 21 haalde niemand nog.

fullsizeoutput_d98

Stiekeme supermarktwijn dus, op vrijdagavond. We speelden Cards against Humanity, een spel dat zo simpel klinkt dat het wel saai moet zijn – maar dat is het niet. Dit was een moment voor de andere frequente gedachte: kijk mij nou. Kijk mij nou de slappe lach hebben vijfduizend kilometer van huis, in een dorm versierd met kerstlichtjes. Kijk mij roadtrippen op zondag, over een hek klimmen, aan het water liggen in shorts en bh-die-best-voor-een-bikini-door-kan-en-sowieso-niemand-kent-me-hier. De terugweg spendeerde ik rozig in het midden van de achterbank, licht zout en licht zanderig. We reden langs wel honderd roze bomen, over heuvels, langs schapen en begraafplaatsen. Een oranje zon scheen de auto binnen, vanuit de speakers klonk Barcelona van Ed Sheeran, veel harder dan elke Echte Volwassene zou tolereren.

9R7A0865

Ze waren heel ver weg, die Echte Volwassenen. In het weekend naar huis gaan is een uitzondering, want het kan je makkelijk vijf uur in een vliegtuig kosten om daar te komen. En dus zijn je vrienden, naast je klasgenoten, ook je huisgenoten en surrogaatfamilie.

fullsizeoutput_d99

Iedereen was heel close, en door mijn komst nog net iets closer. Met z’n drie-en-halven sliepen we in Colette’s tweepersoons dorm. Ik in haar bed, zij op een matras, om mijn allergie-terreur enigszins te beperken. (Thanks Co. Much appreciated.) Op een gegeven moment bevonden we ons met zes man op die twintig vierkante meter. Haley, de officiële roommate. Haar vriendje, bij wie Haley al maanden elke avond sliep. Haleys moeder, die daar duidelijk niet achter mocht komen. Caroline, die gebruik maakte van Haleys bed. Ten slotte Colette en ik. Haley moest zich even omkleden. ‘Everybody turn around!’

9R7A0846

Je was dus nooit alleen. Gelukkig zijn Amerikanen goed gezelschap: heel aardig en heel gastvrij. Sommigen noemen het nep, maar ik verkies die misschien licht-oppervlakkige vriendelijkheid toch echt boven diepgaande arrogantie. Daarbij heb ik ook echt wel goede gesprekken gehad, al dan niet onder het genot van zo’n illegale fles wijn.

Gedanst werd er ook, op zaterdagavond. Het feest bevond zich net buiten de campus, in een nogal donkere garage. De rest was er duidelijk vaker geweest: routineus baanden ze zich een weg door de massa licht plakkerige lijven, richting een andere ruimte. Tegen de muur stond een fust –  red cups ernaast, en zelf tappen. Of er ondersteboven aan gaan hangen, dat mocht ook.

(Mijn keuze laat ik in het midden.)

Eenmaal terug in de drukte waren mijn ogen aan het donker gewend. Leggings waren verruild voor jurkjes – hier geen spijkerbroekencultuur tijdens het uitgaan. De jongens stonden als gekken op de buizen aan het plafond te rammen, op het ritme van de muziek. Een trap naar boven bracht ons in het leefbare gedeelte van het huis.

(In ieder geval, het gedeelte waar geleefd werd.)

fullsizeoutput_ca7

Kijk mij nou. Om één uur ’s nachts in de keuken van ik-weet-niet-eens-wie tussen de jassen, (zoenende) mensen, platgetrapte bekers en blikjes en telkens weer die kerstverlichting. Kijk mij veel te fanatiek frisbeeën midden op de campus, met zo’n twintig mensen van over de hele wereld. Het wordt donker, steeds meer slippers verdwijnen in het lange gras. Mijn voeten worden langzaam zwart.

FullSizeRender

Kijk ons nou, lieve Co. Van Sims-spelende elfjarigen tot filosoferende tweedeklassers, tot pubers die steeds meer hun eigen hun eigen pad gingen bewandelen. Nog steeds behoorlijk parallel, altijd verbonden door de kronkels in ons brein. Dit jaar waren we echt los van elkaar, als begin van een hele nieuwe fase. Geen gezamenlijk gevloek meer op de schoolse gang van zaken, niet meer álle inside jokes delen. Maar deze week deelden we zowat het hele leven. Het jouwe, waar ik even in kwam vallen, herinneringen kon maken die ik niet snel zal vergeten.

En niets houdt ons tegen, om straks onze steden onveilig te maken, logeerfeestjes te geven zoals we dat jaren geleden al deden. Elkaar tot diep in de nacht wakker te houden omdat we nu eenmaal nooit uitgepraat raken – misschien wel met een fles wijn die je straks eindelijk zelf mag halen.

9R7A0695